Triskoerier.
7e jaargang
November 2008

 

Door te klikken op het onderwerp van de inhoudsopgave komt u direct bij het gewenste artikel.

INHOUDSOPGAVE
Van de redactie
Geklessebes van tante S.
Tris speciaal
Recepten van thea
Met de ‘Koninklijke Boot’
Bibliotheek in Jaw Jaw na de watersnood
Eilerts de Haan, een hydrograaf in het oerwoud
De wereld tussen m'n oren
Onze reis naar Suriname door Grad en Jeanne Melis
Suriname, 40 jaar later
Suriname en daarna
verslag van de vaarpatrouille
Zoektocht
Familie berichten
Oproep redactie
De volgende Tris-Koerier
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Red  
VAN DE REACTIE  
 
 
Beste lezers.
 
Het is al weer een tijdje geleden dat de een koerier uitgebracht hebben, dat het wat langer op zich liet wachten had meer te wijten aan een opeenstapeling van problemen welke zich hebben voorgedaan.
Nico is wel erg nauw bij de brand van jl, mei in de punt betrokken geweest waar 3 brandweerlieden bij omgekomen zijn en dat heeft een lange nasleep welke al zijn tijd opslokte.
Daarnaast had de website en redactie computer een stroomstoring op zijn oude leeftijd niet overleeft, dus moest er veel kunst en vliegwerk aan te pas komen om de bestanden veilig te stellen.
Maar gelukkig de boel is weer draaiende dus beter laat dan nooit.
 
 
 

 

 

Bertien v. Breenen ( Redactielid )
Woonachtig te s’-Hertogenbosch
Gehuwd met een Ex Trisser .
E-Mail : ber10@tris.nl

Jan v. Breenen ( Redactielid )

Woonachtig te s’-Hertogenbosch

Ex Trisser diensttijd in Suriname 1966-1967 lichting 66-3 Charly compagnie.
E-Mail : jan@tris.nl
Nico Oosterbaan  ( Webmaster - Redactielid )
Woonachtig te Eelde
Ex Trisser diensttijd in Suriname 1974-1975 lichting 74-2  Chauffeur - Verzorging Cie.
E-Mail : nico@tris.nl  

Pieter Nijdam  ( Redactielid )
Woonachtig te Boekel
Ex Trisser  dienstijd in Suriname 1964-1965 lichting 64-3 Bravo compagnie.
E-Mail : pieter@tris.nl

 

E-Mail adres Webmaster  : webmaster@tris.nl
E-Mail adres redactie alg : koerier@tris.nl
 
Wij wensen jullie veel leesplezier
De redactie :
Jan, Pieter, Bertien en Nico

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tante S

 

Geklessebes met Tante s!!!!!!!!!!!!  
 

Als jullie dit lezen zijn de grote feesten in Suriname al weer lang achter de rug. Met de grote feesten bedoel ik dan natuurlijk Srefidensie en Oud en Nieuw.

Srefidensie vier ik elk jaar in Suriname maar Oud en Nieuw in Sranan is voor mij al weer enige jaren geleden.. En ze kunnen er wat van , daar kunnen ze in Nederland nog wat van leren. Wat dat betreft merk je goed dat je in Zuid-Amerika bent want de Braziliaanse invloeden zijn niet van de lucht.

En weer lijkt het of alle inwoners van Suriname die dagen in Paramaribo zitten, want het is er druk druk druk. Allemaal feestende en hossende mensen, velen prachtig verkleed en traditioneel op het moment van de jaarwisseling die enorme rollen met veelknallers die moeiteloos hele wijken in de blauwe rook zetten. Als jullie nog een keer terug gaan moet je dat toch een keer rond de jaarwisseling doen, het is echt de moeite waard. Houdt  er wel rekening mee dat alle hotels ver van te voren zijn vol geboekt maar er zijn natuurlijk tal van huisjes en kamers te huur maar zelfs die zou ik wel eerst reserveren. Zelf verblijf ik natuurlijk bij familie, deze keer was mijn lieve zus Verwela aan de beurt. Het is een schatje en misschien kennen enkele van jullie haar dochter wel. Zij heet namelijk Samantha en werkt al jaren in de bediening bij ’t Vat, een poepie van een meid. Als je de laatste jaren  bij ’t Vat bent geweest moet ze zijn opgevallen. Over ’t Vat gesproken, daar komt ook echt iedereen heen. Wie zag ik daar op een avond tussen kerst en Oud en Nieuw ? Dat lekkere stuk Jan Smit, dat is echt een mooie jongen geworden. Die had ik al niet meer ontmoet sinds het begin van de baard in zijn keel. En toch kende hij me nog. Yolante was niet zo lekker en bleef die avond in het hotel. Ik heb haar , eerlijk gezegd, geen moment gemist hoor ! Srefidensie was natuurlijk als vanouds, ook weer geweldig veel mensen op de been, een feestelijk versierde palmentuin met vermaak voor jong en oud, overal orkestjes en talloze kramen en eettentjes zorgen heel goed voor de inwendige mens. En dan natuurlijk het nieuwe Hotel Royal Torarica, jongens jongens wat een vreselijk mooi hotel is dat geworden zeg ! Je weet echt niet wat je ziet. Alleen al die oprijlaan met al die palmen en dat schitterend aangelegde park, nou dat moet een paar centen hebben gekost !  . Maar Suriname schijnt toch door heel veel rijke mensen te worden bezocht want ik heb me laten vertellen dat Royal Torarica tot eind van dit jaar zo goed als volgeboekt is ! En dat voor die prijzen, je houdt het niet voor mogelijk, voor de prijs van 1 nachtje in Royal Torarica  huur je gemakkelijk  een hele week  een mooi huis voor 4  personen ! Natuurlijk moet je dan wel alles zelf doen maar er is natuurlijk genoeg doekoe over om de hele week lekker buiten de deur te eten. En dat heb ik met mijn zus Verwela veelvuldig gedaan die 3 weken dat ik bij haar heb gelogeerd. En die 3 weken werden natuurlijk weer afgesloten met een grandioos  familiefeest, ze waren er allemaal. Mijn 3 zusters en 2 broers, 5 ooms en tantes, 8 neven en 4 nichten. En dan komen er elke keer weer ook nog altijd zo’n 20 mensen extra waarvan we niet weten of ze nou familie zijn of niet. Maar wat maakt dat nou uit, als het maar gezellig is ! Volgende keer vertel ik nog wat meer over mijn uitgebreide familie in Suriname.

Zo luitjes, dat was dan weer mijn bijdrage aan deze TRISkoerier, het was weer even gezellig klessebessen, de hartelijke groeten van Rudie en misschien tot ziens in Nederland of Suriname of tijdens een van die gezellige reunies van oud-militairen die elk jaar weer plaats vinden en waar ik erg graag naar toe ga !

Tot de volgende keer en groetjes van………….

Tante S.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tris speciaal

 

Tris Speciaal 21 dagen Suriname op z'n mooist!

 

Een leidraad voor herinneringen aan een 21daagse reis door Suriname van ex-TRISsers

 

Dag 1: donderdag 8 november 2007 Aankomst.

U vertrekt vanaf Schiphol naar Suriname. Bij aankomst op de J.A.P. luchthaven wordt u opgewacht door Sun & Forest Tours. Nadat uw koffers zijn ingeladen rijden we naar Eco Resort uw hotel in Paramaribo. We gingen met de KL713 die om 12:15 uur zou vertrekken en maakten voor het eerst kennis met alle leden van de groep op de afgesproken plaats bij de balie van TUI Holland International en tijd, 09:00 uur. Nu iedereen er was hoefden we wat ons betreft niet zo lang te wachten. Het wachten konden we niet bekorten, wel de tijd, en dus werden er al snel ervaringen uitgewisseld en natuurlijk was het van belang te weten uit welke lichtingen de groep was samengesteld. Heel divers: van 62 tot en met 73.

Jan + Jenny Westenbrink, Henk Zweers + zijn dochter Natascha, Dick de Wit + zijn zoon Roy,

Lin Franssen + Anke van Dodewaard, Rob + Loes de Leur, Kees van Es, Leo Diepens, Pieter Nijdam en de niet-exTRISsers Arend + Fenny Smit.

“Jij maakt het reisverslag.”, zei Pieter Nijdam tegen mij en daarbij miste ik nadruk op het vraagteken. Mijn verslag dat in delen in de TRISkoerier geplaatst wordt had hij gelezen en hij gebruikte nu de tactiek van de Chinees vrijwilliger. Ik antwoordde dat dat zijn risico zou zijn en dat leverde bij hem dan wel de vraagtekens op die ik eerder zo miste. Toegezegd dat ik het in ieder geval zou proberen.

Het resultaat ziet U hier.

Eenmaal in het vliegtuig overkwam ons nog een vertraging van een half uur maar dat werd ingevlogen zodat we maar 15 minuten na het officiële schema om 17:45 uur op Zanderij landden. Daar was het wel lang wachten op de koffers en dat terwijl we al maar meer benieuwd werden over wat ons te wachten stond. Ja, één hele Boeing 747 vol mensen en koffers; dat is wel een hele opgave voor een op toeristen ingesteld vliegveld. De temperatuur en de vochtigheid voelden ‘vertrouwd’ aan. Bijna direct nadat we in de ontvangsthal waren aangekomen begon het donker te worden, te onweren en flink te regenen. Welkom in Suriname. Maar net zoals in het andere leven en zeker in de diensttijd zouden we ook hier op onze vakantie erachter komen dat veel tijd opgaat aan wachten. Tijdens dat wachten konden we gelukkig soms wel wat lopen. De opleiding ‘wachtlopen’ waren we nog niet vergeten. Met onze koffers maakten we kennis met de vaste gids tijdens de gehele reis, Vrensky. De koffers gingen in een apart busje en eindelijk ging het richting Paramaribo waar we na een uur en een kwartier aankwamen en onze kamers in het Eco Resort konden bevolken. Stervenskoud was het daar want de airco stond op 22ºC en werd direct OFF gezet. Vergissing! Na het douchen om 20:45 uur gezamenlijk de richting ’t Vat gegaan waar de meesten de eerste Parbo van deze reis genoten met wat sateh en patat of zoiets want hongerig waren we wel geworden. Terug in het hotel was het al 23:30 uur en de tegelvloer van de kamer een schaatsbaan. “Bij het uitzetten van de airco zal er condensatie ontstaan.”, was één van de teksten op de aanwezige instructiekaarten. Klopt! Er is dan maar één remedie: airco weer ON. We zijn niet naar hier gekomen om te schaatsen of bij binnenkomst naar het bed te glijden en daar ongelukken zonder je kamergenoot te begaan. De vrieskou zal wel wennen maar benieuwd hoelang het zal duren voordat de neusverkoudheid toeslaat en we verder niezend door het leven moeten. Klok 4 uur teruggezet en dus 4 uur jonger geworden door deze simpele handeling. 

 

Dag 2: vrijdag 9 november 2007 Citysightseeingtour.

Na het ontbijt is er nader kennismaking met de groep en wordt het programma besproken. Daarna stappen we in de bus voor de Paramaribo Citysightseeingtour. We bezoeken de Noodmarkt. Hier treft u een overvloed van tropische vruchten aan. Voor geïnteresseerden brengen we een bezoek aan de Memre Buku Kazerne. Voor ex-TRISers geeft deze rondleiding het gevoel van ouwe jongens krentenbrood; even terug in de tijd. 

Om 05:30 (is dus zeer laat) wakker geworden. Naar een betonnen zitje met parasol / paraplu gelopen aan de Suriname-rivier en genoten van de zonsopkomst en de al overvloedig aanwezige warmte. Het ontbijt op Eco Resort is zeer goed verzorgd. Voldoende vruchten klein gesneden in een glazen kom, bruin en wit brood en bolletjes, ei, heel of geroerd met stukjes groente erin, gehakt of vis, ham en kaas. Keuze tussen twee gekoelde vruchtendranken, yoghurt, melk, koffie of thee en een schaal met fruit nog in de originele verpakking. Brood kon naar believen geroosterd worden; kortom, het lag niet aan het door het Resort verstrekte aanbod als de inwendige mens tekort kwam.Vandaag dus de Citytour. Loes en ik hadden kort voordat we aan deze reis begonnen de boeken van Cynthia McLeod gelezen die over de slaventijd verhalen. Dat werd door mij in ieder geval als een blokkade ervaren om met de ogen van nu naar alle gebouwen en mensen te kijken. Ik leek wel 250 jaar jonger. Zicht op de Wijdenboschbrug bracht me weer terug in het heden.

Allereerst naar het P Bernard K. Onderweg kwamen we langs een begraafplaats waar men een monument gemaakt had van de motoren van het SLMvliegtuig ter nagedachtenis aan die ramp. Het was Pieter gelukt toegang tot het kampement te verkrijgen waar we ons redelijk vrijelijk onder leiding van lt. Jerry Dijkstiel naar het verleden konden begeven. De wapenkamer was vanwege ‘strategische overwegingen’ daarvan uitgesloten. Ze hebben nu Kalasjnikovs en die zijn ons natuurlijk onbekend. Bovendien mag buiten de kazerne niet bekend worden dat de rest nog van ons was geweest. In ieder geval hebben ze de strijd met het verval verloren wat ons zeer benauwde. Zo hadden wij het niet achtergelaten. In ieder geval, mijn lichting niet. Ik zal niet vertellen wat wij daar destijds aantroffen. Dat geeft alleen maar scheve ogen van de eerdere lichtingen en daar moet ik nog twee weken mee op pad. Elke dag hebben wij eraan gewerkt om het kamp op te knappen. Wat had je anders te doen?

Tijdens de rondgang bleek dat er gebouwtjes bijgebouwd waren ondanks dat er gebouwen genoeg waren. Ook deze zijn aan het vervallen en het geheel maakte een trieste indruk. De lt. meldde dat de regering geen geld voldoende had om goed voor het leger te zorgen. Enkele functionarissen die zich namen van vroeger nog konden herinneren ontmoet. In de voormalige filmzaal was de Militaire Kapel aan het oefenen voor een optreden van volgende week in verband met het 60-jarig bestaan ervan. Speciaal voor ons werd een samba ten gehore gegeven. Helaas, wat vals maar ja, met de warmte is het ook moeilijk om instrumenten gelijk gestemd te houden. Het enthousiasme was er wel. Van een ex-TRISser, nu kapitein in het Surinaamse Leger, konden we vrijkaarten krijgen voor de uitvoering. Jammer genoeg stond in ons schema dat we dan in Galibi zouden moeten zijn. De meesten van ons hebben een foto gemaakt van waar eens hun leger was en aan de partners uitgelegd waar ze toentertijd ook weinig of niets deden; legerorders uitvoeren derhalve. Dat was soms lastig want het geheugen heeft diverse herinneringen een andere plaats en met meer bezigheden toebedeeld. Eenmaal het hele kampement rondgegaan en allen hun bijdrage aan de herinneringen hadden gedeeld leek het weer als vanouds. Het kampement bleef echter in de staat waarin we het aantroffen. Het regende ook nog even flink en we waren bang dat de regentijd zich eerder ging aandienen dan de weerkundigen in een schema hadden vastgelegd. Ook dat nog.

De citytour werd vervolgd met een bezoek aan de kleine ‘nieuwe markt’ van kleding – groenten – fruit – kruiden en meestal dode vissen. De markt was redelijk kleurrijk en de krameniers ook, behalve hun humeur dan. Ze reageerden boos als wij langsliepen terwijl wij nog wel zo ons best deden om ons als goede Nederlanders te gedragen: kijken-kijken-niet-kopen. Blijft vreemd volk die kleine zelfstandigen. Dat ik er dan ook intrapte om de opdracht van Pieter te accepteren. Het bezorgt mij bijna slapeloze nachten die toch al kort zijn omdat de avonden zo lang duren. Om bij een volgend bezoek aan de markt toch terug te mogen komen kocht Vrensky chips van bananen en wat klein fruit gekocht. Wij hebben dat wel gegeten.

De citytour ging verder door wat mij de gevangenisbuurt van Paramaribo leek; de duurdere buurt. Grotere huizen met weinig grond maar wel met dikke hekken voor de ramen, deuren en achter of voor de omheining. En dan is er nog overal Security aanwezigheid in de vorm van wachthuisjes, blauwe uniformen, camera’s. Dit dan vanwege de steeds maar toenemende kleine criminaliteit, zo werd door Vrensky fijntjes toegelicht. Ja, dat gebeurt overal op de wereld maar de tegenstelling is hier dus echt Zuid-Amerikaans op z’n best. Er is een nog veel duurdere buurt, Leonsberg, maar daar mogen we nog niet naartoe; morgen pas.

De citytour kwam bij Fort Zeelandia tot een tijdelijke stop. Tijdens het bekijken van het monument voor gevallenen tijdens WO.2 op het Onafhankelijkheidsplein kwam er een demonstratie van studenten langs die was begonnen bij het werkhuis van de president, dhr. Venetiaan. Ze protesteerden tegen de situatie waar ze zich in bevinden en die ze meemaken gedurende hun onderwijstijd. De meeste basiszaken zijn niet aanwezig. De dag van ons retour naar Nederland waren er acties van de Bond Van Leraren. Ook de georganiseerde transportsector (bussen en busdiensten) hielden acties tegen het opgelegde prijsbeleid van de regering. Ze werkten niet.

Na een bezoek aan Fort Zeelandia, de buitenkant dan, door Vrensky getrakteerd op ‘zelfgemaakte’ cake en een drankje in de uitspanning direct grenzend aan het Fort. Weer schuilen voor de regen.

’s Middags was vrij te besteden.

Loes en ik hebben het Onafhankelijkheidsplein, Fort Zeelandia, het Duplessishuis, het Elisabeth Samsonhuis en de Waterkant bekeken en in nullen en enen vastgelegd. Dankzij de meegenomen poncho’s in ieder geval niet nat geworden door de regen, wel door het zweten dat je dan gaat doen. Voor een land dat zich met nadruk oriënteert op de toeristenindustrie heeft men toch niet de juiste prioriteiten gelegd. Het begint al op het vliegveld zoals eerder genoemd maar in de stad is het een rommeltje. Wat ik daarmee bedoel is dat er voor lopende toeristen, en dat doen ze toch in een stad met nog zoveel bewaarde cultuur, niet gemakkelijk kunt verplaatsen. Je kunt niet ongestoord de gevels en de gebouwen bekijken maar moet constant letten op waar je loopt. In Nederlandse steden en dorpen vanwege de hondenuitwerpselen, hier dan voor het ontbreken van een goede ondergrond. Tegels, stoepranden, putdeksels, zo maar uit het wegdek uitstekende ijzeren punten en soms hele stukken waar je zou moeten kunnen lopen, ontbreken. En, is dat er wel dan mag men er blijkbaar auto’s parkeren zodat je weer op de weg moet gaan lopen waardoor er weer gevaar voor aanrijden ontstaat. Dat ze links rijden is ook een constante bron van vergissing en aandacht. Het zou prettig zijn als ze aan het creëren van een veilige goede loopondergrond prioriteit geven.

’s Avonds met zijn allen gegeten bij de Hindostaan die direct achter ’t Vat zijn restaurant heeft en dat uitstekend is, volgens Pieter. Helaas heeft Natascha daar niet van kunnen genieten. Het eten in het vliegtuig was haar niet goed bevallen dus dat moest eerst zijn werk nog afmaken. Gelukkig voor haar duurde dat niet al te lang zodat ze zich de volgende dag weer redelijk voelde. De prijs was in ieder geval goed, Sr$ 50 per persoon voor eten en de nodige vochtsoorten (Parbo’s, rum-cola’s, fris). Volgens mij was het voedsel wat minder waard maar dat is altijd persoonlijk. Honger maakt rauwe bonen zoet; misschien ligt het aan het tijdstip. Fysiek lijken we aangepast en zijn we jonger geworden maar de maag loopt nog in een ander ritme.

 

Dag 3: zaterdag 10 november 2007 Plantagetour.

Commewijne plantagetour

Vertrek omstreeks 09.00 uur naar de opstapplaats voor de boot naar de Commewijne plantages. We bezoeken minstens 4 plantages aan de Commewijne-rivier. Plantages zoals: Marienburg (een voormalige suikerrietplantage), Rust en Werk (Garnalenkwekerij), Frederiksdorp (herstelde cacaoplantage), Fort Nieuw Amsterdam (brengen we een bezoek aan het openlucht museum). Omstreeks 16.00 uur keren we terug van onze boottocht. Bij deze tour zijn de warme lunch en niet-alcoholische dranken inbegrepen en gaat er een ervaren Nederlands sprekende gids mee.

 

De complete groep ging deze avond onder leiding van Pieter naar een ander restaurant als de vorige dag. Deze keer een Koreaan. Als specialiteit heeft deze de Koebi-vis. Deze vis laat, om gebalanceerd te kunnen zwemmen, in twee kopholten een ‘steen’ groeien. Dit groeit zoals een parel en neemt in gewicht toe naarmate de vis ouder wordt. Wel slim want als je als klein visje met grote ‘stenen’ geboren wordt lijkt het me moeilijk horizontaal vooruit te komen. Het schijnt een leuk idee te zijn de ‘steentjes’ door een juwelier in vrouwelijke opsmuk te laten vatten. In Nickerie, zo zegt men, zijn veel goudsmeden die dit voor een schijntje doen. We zien wel of dit idee betaalbaar leuk is. Drie van de groep hebben een dergelijke vis gegeten en waren op zoek naar de ‘steentjes’. Loes kreeg nog hulp van de ober en Leo leek wel een steenhouwer maar kon nr. 2 niet vinden. Na veel uitpluizen van de visresten uiteindelijk wel. Voorlopig moeten ze als juwelen bewaard worden in de portemonnee tussen de andere waardevolle munten van Suriname. De Sr$ doet op dit moment 4,03 voor €1; 1 jaar geleden was dit nog 3,26; poeh. Het eten verder was redelijk en ondanks de vele Parbo’s niet veel duurder dan de Hindostaan. Voordat we dit Hindostaanse festijn konden meemaken hebben we een grote omweg gemaakt; we hadden vandaag een druk programma. Met het busje reden we naar Leonsberg, een wijk van Paramaribo in het noordoosten, waar nogal wat om te doen is. Er wordt nl. gesproken over een bouwverbod vanwege de stijging van de zeespiegel door de opwarming van de aarde. Dit gedeelte loopt nl. bij flinke regen en soms bij springtij gedeeltelijk onder water en men verwacht dat dit snel erger zal worden. Uiteraard zijn projectontwikkelaars hiertegen in opstand gekomen omdat ze vinden dat men onvoldoende alle argumenten bij het mogelijke bouwverbod heeft afgewogen. Dit zeggen ze natuurlijk om tijd te rekken zodat ze een ander nog voor een goede prijs met die projecten kunnen opzadelen nu blijkt dat ze een stuk land gekocht hebben dat gaat veranderen in een moeras. In Leonsberg zijn we langs de huizen gekomen van Winston Bogarde en ene Desi B. Ook hier weer overal hekken voor de vrijwillige gevangenschap. Via Leonsberg in een korjaal met afdak geklauterd om de oversteek te maken naar Fort Amsterdam. Anke probeerde nog even of het een stevig afdakje was. Ja dus. Afdakje is er nog en Anke is langer geworden door een grote bult op haar hoofd. Vrensky vertelde veel over de verschillende bouwfasen van het fort en de wisselende betekenis gedurende de historie. Zie hiervoor verder de pennenvruchten van hiervoor opgeleide schrijvers en historie onderzoekers. Opvallend was een collectie diverse voertuigen uit het paard en wagentijdperk met o.a. twee oude brandweerhandpompwagens en lijkwagens. Vrensky gaf  een uitgebreide uitleg over het gebruik van de suikerpannen; die liggen overal op vrijwel elke plantage, zo ook op Fort Amsterdam. Vrensky heeft zichzelf ook verder geschoold door allerlei boeken over de Surinaamse flora en fauna, en dat is heel wat, te bestuderen en had op al onze al dan niet gestelde vragen een antwoord. Sommige groepsleden, die veel zelf koken en dan voornamelijk de Indonesische keuken, konden af en toe bijspringen om de in Nederland gebruikelijke benaming te geven zoals bv. Sereng voor citroengras, Het gaat te ver om dit allemaal in deze leidraad voor herinneringen te vermelden. De beste manier om hier kennis mee te maken is om het zelf te gaan ervaren. Opmerkelijk verder was dat hier, zoals op vele plaatsen in Suriname, allerlei kleinschalige projecten gestart en weer gestopt zijn. Je krijgt al snel het idee dat in dit land niets blijvends van de grond lijkt te komen en dat terwijl het toch zo’n vruchtbaar land is. Tegen de middag scheepten we ons  in richting plantage Rust en Werk. De boeken van Cynthia McLeod geven duidelijk aan wie er rustten en wie er werkten. In de boot werden we door Vrensky getrakteerd op wederom ‘zelf gebakken’ tulbandcake en koffie. Daar waren we wel aan toe want je wilt wel iets pittigers dan water drinken. Overigens, bij elk vertrek werd er een grote koelbox meegenomen met flesjes water en diverse vruchtendranken waaronder voor ons zeer exotische zoals Mope, Zuurzak en zo. Zeer attent en noodzakelijk want het is hier zo warm dat je van kijken alleen al gaat zweten. Dat er van koffiedrinken nog wat terecht kwam is zuiver geluk. Er zijn namelijk teveel mannen aan boord en die hebben te weinig ervaring met supermarktmandjes met twee hengsels. Het mandje kwam tijdens het doorgeven dus scheef te hangen met als gevolg dat alles eruit viel. Tot grote ontsteltenis van Vrensky. Gelukkig bleef de thermoskan met heet water heel, de tulbandcake was al met een gat erin gebakken. We genoten dan ook extra van de koffie. Het varen verzorgde tevens voor enige verkoeling en verkwikt kwamen we aan bij de plantage. We waren allen zeer warm geworden dus verkoeling was wel zeer noodzakelijk. Ook waren er die te weinig bedekkende kleding droegen of te weinig zonnebrandcrème hadden gebruikt. Nou, dat zou snel anders worden want een aantal hadden de volgende dag toch last van zonnebrand tot bijna blaren. Hollanders, ze leren het nooit! Het meest opvallende aan Rust en Werk, een plantage aan de Commewijne, is het polderachtige landschap inclusief de gegraven kanalen. Alleen de bomen op de achtergrond zijn tropisch in plaats van populieren. De kanalen werden gebruikt voor de bevloeiing en voor de aan en afvoer. Elke plantage had dan ook zijn eigen sluis om de waterstand te regelen. Over de centrale weg liepen we van de sluis naar de sluis van een andere, niet meer bestaande, plantage Maasstroom. We kwamen langs garnalendrogerijen en de lucht laat zich raden. De garnalen worden eerst gekookt met veel zout en dan op bakken met een gazen bodem in de open lucht gedroogd. De mensen die dit deden zijn hoofdzakelijk van het voormalige Nederlands Indië afkomstig; Javanen. Zeer opvallend was de armoedige staat van de meeste van de woningen. Bovendien ligt zelfs het eigen erf en de aangrenzende sloot vol afval en met een voor ons nieuw fenomeen. Ze zijn overal onder ons, de plastic flessen: in Paramaribo en eigenlijk overal waar we kwamen, daar waren de plastic flessen ook. Je kon ze niet ontlopen. Als de regering hier een statiegeld op zou zetten van bv. 1 ct per fles hadden ze binnen één dag zoveel plastic tot hun beschikking dat je daar jaren nieuwe flessen van zou kunnen maken. Maar zo te zien maakt, op een enkel individu na, niemand zich daar druk over. Het is, naast de verpaupering van vele van de gebouwen, de stoepen en de kampementen, het grootste verschil met de ‘onze’ tijd. Met de korjaal verder naar de plantage Frederiksdorp; voormalig eigenaar was een Duitser, Knoffel. Zijn naam wordt nog geëerd met een straat in Paramaribo: Knuffelsgracht. Dat instappen ging nogal lastig want we moesten over diverse korjalen klauteren. Het was laag tij zodat we goed de Mangrovebossen in konden kijken. De rand wordt bevolkt door duizenden rode krabbetjes en er zwemmen of kruipen heel wat slijkspringers. Van de slijkspringers zie je meestal alleen, als een soort periscoop van een duikboot, de ogen boven water uitkomen en dat ziet er grappig uit. Ze hebben duidelijk een soort een militaire opleiding gehad want ze bewegen zich in groepen op de scheiding van het water en bos eerst heen en dan plotseling weer, alsof er orders en tegenorders werden uitgevoerd. Kwam op mij volstrekt doelloos over en het herinnerde mij aan de vele uren wachtlopen. Altijd maar heen en weer. Via een kreekje ging het richting Commewijne maar dat ging, net als het instappen, niet simpel. De schroef van de buitenboordmotor liep vast door plastic. Geen flessen maar grote vellen deze keer. Na de schroef te hebben losgemaakt werden de vellen weer uitgezet, voor een volgend slachtoffer lijkt mij. Vlak daarop hetzelfde euvel met dezelfde oplossing. Schiet wel op zo. Op de plantage Frederiksdorp aangekomen wachtte ons een verrassing. De plantage was voor $1, misschien wel Sr$1, of zo door de huidige Nederlandse eigenaar van de staat Suriname overgenomen en, de gebouwen in ieder geval, volledig gerestaureerd. De in originele staat gerestaureerde gebouwen gaven een goed beeld van de grandeur van weleer. Suriname kan toch heel erg mooi worden als ze de corruptie weten te bestrijden en de juiste prioriteiten weten te leggen. De plantage heeft nu ten behoeve van het toerisme kamers te huur en dat moet wel een unieke ervaring zijn. Op de plantage had men een warme rijstmaaltijd met allerhande toebehoren voor ons bereid en de begeleidende drank was vers geperst sinaasappelsap. We lieten het ons goed smaken en dat deed het ook. Een heerlijk eerlijke maaltijd. Na een korte wandeling langs de gebouwen (bij een daarvan was nog zichtbaar gemaakt een stuk originele koffiedroogvloer), de Commewijne overgestoken naar Mariënburg, de plantage en rumfabriek (Black en White Cat). Vrensky had ons al gewaarschuwd: horror. Nou, daar is niets teveel meegezegd. De fabriek ligt al enkele jaren plat en recentelijk zijn de koperen distilleerketels en rectificatiekolom weggehaald; pensioenen zijn al eerder “weggedragen”, zoals de Surinamers zeggen als er zaken illegaal verdwijnen. Wat achterbeef zijn de enorm zware suikerrietstengelpletmachine en de totale ellende. Niet alleen zoals de gebouwen en terreinen er nu uitzien maar ook de gevolgen voor de bevolking. Duizenden mensen hadden hun inkomsten aan deze fabriek door er te werken of door er suikerriet voor te verbouwen of te transporteren. Er is nog steeds Black Cat Rum te koop maar dat wordt nu in licentie door een ander gemaakt. Zou met een gerichte investering dit bedrijf met zijn infrastructuur (ook sociaaleconomisch) niet te redden zijn geweest? Nu steekt er alleen een werkelijk dramatisch staketsel van restanten omhoog waarin het oerwoud zijn plaats weer terugneemt en de bevolking kan maar ten dele werk vinden op de plantage Rust en Werk. Bij lange na niet genoeg om iedereen een reden van bestaan te geven. Criminaliteit is in deze omgeving dan ook schrikbarend hoog wat niemand hoeft te verbazen. Een boek over de opstand in deze fabriek aan het begin van de vorige eeuw en de recente geschiedenis is geschreven door Cynthia McLeod: Tweemaal Mariënburg (1902: eigenaar verkracht vrouw, eigenaar wordt in mootjes gehakt; 24 opstandelingen gedood en begraven onder ongebluste kalk).

Nogal gedeprimeerd kwamen we terug in het hotel waar we door te douchen probeerden bij te komen van deze interessante maar vermoeiende dag. Hiermee zijn we aan het begin van het verhaal van deze dag aangekomen.

 

Dag 4: zondag 11 november 2007 Vrije dag.

Volgens schema een vrije dag en een ieder heeft individueel dan wel in wisselende groepjes de stad Paramaribo verkend met of zonder vooropgezette doelen. Onderweg naar Fort Zeelandia werd ik nog getroffen door verloren ballast van een Grietjebie, een overal aanwezige vogel die volgens mij de Surinaamse mus is.

http://webserv.nhl.nl/~ribot/wav/pisu2.mp3

Om 10:30 uur was er echter een gratis rondleiding door Fort Zeelandia en niet verbazend mag het zijn dat vrijwel de gehele groep, echte Hollanders dus, daar aanwezig waren. De rondleiding was interessant met een klein museumpje over klederdracht en wat over de slavernij. De rondleider deed het wel goed maar bleef heel vaag over het bastion met kogelgaten waar de decembermoorden zouden zijn gepleegd. Dat gedeelte was met een hek voor toegang afgesloten wegens forensisch onderzoek. In het daar aanwezige eetcafeetje wat gebruikt en de regen uitgezeten. Nog kennis gemaakt met Ronald Snijder, zoon van een bekende Surinaamse musicus. Veel van zijn muziek is redelijk bekend in Suriname. Vandaag is tevens het Hindostaanse feest van het Licht; Divali. Het standbeeld van de eerste man en vrouw uit die bevolkingsgroep was behangen met bloemenslingers en op het Onafhankelijkheidsplein stond een grote tent met in een grote schaal een vlam die brandend gehouden werd door continu ritueel ingieten van plantaardige oliën. Terug in het hotel de handbagage ingepakt voor de reis naar Nickerie waar we twee dagen en nachten zouden blijven. De koffer kon in het hotel in bewaring worden gegeven. Dat was een prettige regeling.

’s Avonds kwamen we elkaar tegen bij ’t Vat waar gerelaxt, gegeten en Parbo gedronken werd.
 

Dag 5: maandag 12 november 2007 Westen en Districtentour.

Na het ontbijt, checken we uit en reizen naar de grens van Suriname met Guyana, het rijstdistrict Nickerie. Onze tocht gaat door het district Saramacca (waar de eerste groep Nederlanders zich heeft gevestigd) en langs het district Coronie (bekend om haar wuivende palmen en waar de Engelsen toentertijd als eerste aan wal zijn gegaan). Vervolgens komen we in de namiddag aan op onze eindbestemming, het rijstdistrict Nickerie. Inchecken in ons hotel. 

Om 08:00 uur vertrokken naar Nickerie. De eerste stop was in de Groningen, de plaats waar in de 19e eeuw door boeren uit Nederland getracht werd iets op te bouwen. De komende afschaffing van de slavernij maakte dat noodzakelijk want men vreesde voedseltekorten. Toch was men in de kolonie de boeren niet goed gezind en vanuit de planters werd er weinig of geen medewerking verleend. Wat ook meetelde was dat de boeren zelf met de zwarte bevolking meewerkten en dat was ‘not done’ in die tijd. Na 8 jaar waren er door sterfte wegens tropische ziekten en het eten van op peren gelijkende giftige vruchten bijna geen mensen meer over. Het project werd als mislukt opgegeven en van het oorspronkelijke aantal van ruim 400 gingen er 56 terug naar Nederland. En handjevol achterblijvers kreeg wel betere bouwgrond toegewezen maar niet in de buurt van de stad; afstammelingen daarvan zijn nu bekend als boeroe’s. Verder op weg naar Nickerie een boropasi genomen omdat daar veel papagaaienbloemen, palulu’s, groeien. Iedereen heeft er wel een paar gevonden om te fotograferen. Direct valt de enorme warmte als een deken over je heen als je de airconditioned bus uitkomt. Ik ben niet echt een fervente voorstander van airco maar op een reis zoals deze is het wel uitermate noodzakelijk. Het maakt de reis dragelijker want de weg zelf draagt niet bij aan een comfortabele reis. Erg slecht wegdek en daar waar het wegdek goed of beter is hebben ze drempels gelegd waar je maar stapvoets overheen kan. Op het centrale plein in Groningen langs de Saramacca-rivier gestopt om koffie te drinken en de plaatselijke gebouwen en monumenten (boeroe’s, binnenlandse oorlog) te bekijken. Op het monument van de binnenlandse oorlog stond een boot afgebeeld, de S402 van waaraf, zonder de commandant aan boord, tijdens de oorlog het politiebureau in Paramaribo in brand is geschoten. Jan Westenbrink heeft de bemanningen van de S401 t/m S404 helpen opleiden. Hij heeft mij hier veel over verhaald en de vermelding op het monument was aanleiding voor hem om de komende dagen uit te zoeken of er nog bemanning van die boten in leven zijn. De plaatselijke gevangenis zat vol boefjes. De echte boeven zitten natuurlijk nog ergens in de buurt van Leonsberg. Via de brug over de Saramacca en later de Coppename, hier was vroeger een pont zoals velen zich herinnerden, verder naar Totness in Coronie. Vrensky had een echt Surinaamse broodmaaltijd geregeld bij mevrouw Wijntuin in de achtertuin. Dat was ons goed bevallen en ook hier weer diverse inheemse vruchtendranken genuttigd. Ook hebben we hier kennis gemaakt met Kwi-kwi, DE vis die je meeneemt als je ergens op visite gaat in Suriname. Verder via Wageningen met diverse korte stops bij een lokaal kokosnotenolieproducentje, een grote Kankantree en om een grote drukke groep doodshoofdaapjes te spotten. Even voorbij het beeld van Alida, de door Susanne Duplessis verminkte slavin (In het museum in Fort Zeelandia wordt dit verhaal echter als propaganda afgedaan.) naar een gesloten rijstverwerkingsfabriek waar we even de benen gestrekt hebben. Hier een identiek verhaal als bij de suikerrietverwerkingsfabriek te Mariënburg. We hobbelden en schokten in de bus door een nog Hollandser landschap dan bij plantage Rust en Werk verder naar Nickerie waar we omstreeks 16:00 uur bij het hotel konden inchecken. We hadden het wel gehad zo op die slechte weg. Vrensky maakte ons echter blij met de opmerking dat deze weg veel beter was dan de wegen naar Albina en Brownsweg. Wij geloofden hem toen niet. Merkbaar is dat het een gebied is met meer stilstaand water want er waren meer muskieten en andere prikbeesten dan we tot nu toe in Suriname hadden meegemaakt. Ja, muskieten want zo noemen ze hier in Suriname de muggen. Deeten dus. ‘s-Avonds voortreffelijk gegeten in een Indonesisch restaurant op loopafstand. Er moest door enkelen geld gepind worden maar dat werd een fiasco. Waarschijnlijk waren er geen ambtenaren achter de gleuf aanwezig op dit late uur. Afijn, morgen nog een kans. Op het terras nog lang nagesproken en nagenoten van deze dag en het aantal soldaat gemaakte Parbo’s steeg al flink.

 

Dag 6: dinsdag 13 november 2007.

We brengen een bezoek aan de Kazerne in Nickerie, we bezoeken de populaire Zeedijk (verwacht geen rode lampjes) en de vismarkt. U zult wel merken dat Nickerie de een na grootste stad is in Suriname. 

Vroeg op en naar de markt in Nickerie. Veel meer kleuren en vriendelijker mensen dan op de markt in Paramaribo. De groente en fruit en zeker de kruiden worden leuk uitgestald. Sommige stalletjes maken er echte kunstwerkjes van. Daarbij is de vismarkt indrukwekkend. Niet omdat het daar nou zo extreem uitgebreid is of prettig ruikt. Wel omdat alles supervers is. De vissen liggen nog naar lucht te happen en we zijn getuigen geweest van de moeilijke operatie om een meerval panklaar te maken. Met een kapmes en een flink stuk hout moet meerdere malen geslagen worden om de vis in tweeën te krijgen. In Galibi hebben we een uitstalling gezien van het ‘geraamte’ van diverse maten meervallen, ook wel de Christusvis genoemd. Als je het ‘geraamte’ ziet begrijp je waarom. Het lijkt net op een kruisbeeld met de hangende Christus. Meervallen in diverse maten, van 30 cm tot zeker een meter liggen op de operatie te wachten. Ook zijn hier de zo bejubelde goudsmeden die voor een vriendenprijsje de Koebi-vis-stenen in vrouwelijke opsmuk zouden kunnen veranderen. Ik heb het maar gelaten bij een paar echt gouden oorknopjes met robijnen voor een schappelijke prijs waarop we niet meer af konden dingen. Jan had een paar gekocht met aquamarijntjes. We hebben besloten de prijs geheim te houden om huwelijkse problemen te vermijden. Ik heb wel gemeld dat mijn vrouw ze eventueel mag verliezen zonder dat ik daar wakker van kom te liggen.

Op de weg terug naar het hotel is het gelukt om te pinnen. De bank was nu in vol bedrijf dus zal de geldgleuf ook wel bemand zijn. Overigens is het knap te noemen dat de bankbiljetten goed geteld uit de machine komen. In Nederland zouden zulke groezelige biljetten uit de handel genomen worden. Wellicht is het dan niet bij te houden met het drukken van geld. Wie weet?

Om 09:30 uur zijn we met de bus naar het P Irene K. Daar ontstond nogal wat verwarring ondanks dat Pieter had geregeld dat het bezocht kon worden. Na de verwarring compleet te hebben gemaakt kregen we toestemming mits we de strategisch gevoelige plekken maar niet zouden fotograferen. We hebben erg ons best gedaan ons daaraan te houden maar konden met geen mogelijkheid vaststellen wat men daar nou mee zou hebben kunnen bedoelen. Verder was het kampement in betere staat dan het PBK te Paramaribo met ook hier duidelijk verval. Men meldde wel opgelucht te zijn dat er uitbreiding van het kamp aan zat te komen omdat dit een grensplaats is. Nou, succes dan maar. Iedereen herkende zijn eigen plekjes weer en de verhalen daarover konden worden gedeeld. Iedereen was het er wel over eens dat dit van alle detacheringen de slechtste was geweest. Bij de Zeedijk zijn we gestopt bij de illegale oversteek alwaar een Hindostaans gebedshuis was opgericht voor de Hindostaanse reizigers. Zag er netjes en vooral kleurig uit want de goden zaten strak in de verf en, het was er koel binnen. Wel moest iedereen natuurlijk de schoenen uit. Na dit bezoek terug naar het hotel voor de lunch. Plotseling moesten we stoppen want Kees had een oude DAF- legertruck bij iemand in een tuin ontdekt en die moest natuurlijk bezocht worden. Dit is wel bijzonder want meestal zie je dat men gele Amerikaanse schoolbussen spaart. Hel opmerkelijk wel. De lunch was om 13:00 uur en sommigen hadden nog de tijd gevonden om naar een uit die tijd bekend bordeel in de buurt te lopen. Het maakt wel deel uit van de belevenissen van toen maar het is maar waar je naar zoekt.

Om 15:00 uur zijn we naar het rijstverwerkingsbedrijf van Manglie gegaan waar we werden rondgeleid door het hoofd van de afdeling magazijnen. In Nederland een figuur met pak en stropdas, hier niet anders gekleed (en betaald?) dan de fabrieksarbeiders zelf. De rondleiding was zeer uitgebreid en we liepen het hele proces langs. In Nederland is dit absoluut niet mogelijk in verband met de veiligheid. Niet afgeschutte, schuddende, draaiende machines waar je gemakkelijk door gegrepen kon worden lagen op ons pad en overal werd veel van het productieproces verteld. Helaas was er zoveel herrie dat alleen diegenen die aan de lippen van de rondleider hingen er iets van hebben kunnen horen. Het proces verder is niet ingewikkeld maar leuk om van dichtbij te bezien. Waar Pieter ons voor waarschuwde was waar. Neem geen fototoestel of filmcamera mee want de rijststof dringt overal in door en het zetmeel in samenwerking met de luchtvochtigheid brengt alles tot stilstand. Zo ook de werking van onze poriën. Je voelde je steeds kleveriger worden en wrijven over de armen resulteerde in een plakkerig gevoel. Het bedrijf ziet er overal keurig uit en wordt duidelijk zeer strak geleid. De rondleider was er terecht ook trots op dat er niets wordt weggegooid. Alles, maar dan ook echt alles, wordt keurig in bakken bewaard om hergebruikt te worden. Het bedrijf is volledig selfsupporting en er werken ongeveer 150 vaste krachten en het periodieke meerwerk wordt door dagloners uitgevoerd. In de garage waren ze nu bezig met de grote, van rupsbanden voorziene tractoren voor het ploegen van de rijstvelden, voor het komende seizoen gereed te maken. De rijstvelden zijn zeer groot en liggen, zoals het hoort bij rijstvelden, onder ongeveer 30 cm water. Wij kunnen niet begrijpen hoe de chauffeurs van de tractoren de voren goed kunnen vinden. De eerste is geen probleem maar als je halverwege bent heb nergens houvast aan want aan de horizon zijn geen echte richtpunten. Toch kunnen ze het feilloos verzekerde men ons. Dhr. Manglie is momenteel met de Surinaamse regering aan het onderhandelen over het in gebruik nemen van meerdere velden. Op deze manier wordt na het vertrek van de Nederlanders de bijna volledig verloren gegane rijstcultuur wellicht weer hersteld.

Na deze interessante langdurige rondleiding hebben we gezamenlijk Chinees gegeten na ons eerst te hebben opgefrist en dat was geen overbodige luxe. Als we in de zon bleven lopen en in aanraking kwamen met iets vettigs hadden we vast een krokant laagje gekregen.

Ook nu weer op het terras lang genoten van de avond en het aantal Parbo’s weer opgeschroefd. Niet dat we dat als doel hebben gesteld maar het gebeurde toch. Bijna een hele cirkel van 10 flessen. De avond voor de ‘vrijgezellen’ onder ons liep ietwat droevig af nadat Loes de tekst voorlas uit het boekje Wereldwegwijzer Suriname: “In het Regency hotel”, ons hotel dus, “tevens een casino/bordeel, kan men na het gokken, vergezeld van een gastvrouw, goed uitrusten.”

 

Dag 7: woensdag 14 november 2007.

Vóór onze terugreis bezoeken we nog een van de grootste rijstfabrieken en krijgen we een interessante rondleiding. We bezoeken Wageningen In de namiddag bent u weer terug in Paramaribo. 

Om 10:30 uur de terugweg naar Paramaribo begonnen. Iedereen is daarvoor toch nog even Nickerie ingegaan om op de markt of in diverse kledingwinkels nog wat aan te schaffen. Het is er niet duur dus van die gelegenheid moet je gebruikmaken. Iedereen heeft zo’n beetje een eigen plek in de bus. Dat gaat zo. In Europa is dat geen enkel probleem maar in Suriname dus wel. De toestand van de wegen is buiten Paramaribo slecht en helemaal achterin wordt je soms gelanceerd. Bovendien was alle handbagage op twee zitplaatsen van de achterbank opgestapeld en dat moest regelmatig op z’n plek teruggeduwd worden. Boven de achterwielen is geen ruimte om de benen te strekken. Je zit dan in elkaar gevouwen waardoor de maag klem komt te zitten en dat is met de dreunen die je van onderen krijgt niet lang prettig. De oplossing is dan de ‘pijn’ te verdelen en veel van plaats te wisselen. Diversen hebben al een ‘claim’ gelegd op diverse plaatsen wegens lichamelijke ongemakken zoals beenoperaties, lange benen, wagenziek. Een ‘claim’ is niet het juiste woord. Buiten wagenziek is het nooit zo gezegd en bedoeld maar hoe maak je dat in de groep bespreekbaar zonder dat er woorden verkeerd begrepen worden? Hopelijk blijft de onderlinge sfeer in de groep wel goed als we het aankaarten. Vrensky heeft er tijdens de rit wel iets over gezegd maar er kwam geen enkele actie uit voort. Pieter moet hier m.i. een dwingender rol in spelen en het niet aan zelfregulering van de groep overlaten. Als je gevoelig bent voor wagenziekte moet je maatregelen nemen of pillen. Je kunt niet door de mededeling alleen verwachten dat de groep zich aan jou aanpast. In overleg had het wel gebeurd natuurlijk maar dan is er wel sprake van een ‘overeenkomst’ i.p.v. ‘gedogen’.

Bij de basculebrug over de Nickerie-rivier zijn we uitgestapt en met de benenwagen de brug overgestoken. Valentino, onze vaste chauffeur moest ook nog even Kwi-kwi’s kopen. In één ruk doorgereden naar Totness waar we even gestopt zijn bij het standbeeld van Tata Colin, de slaaf die in het district Coronie een belangrijke rol heeft gespeeld bij de bevrijding van de slavernij. In het dorp zijn we een zandweg naar de zee ingeslagen omdat aan de kust veel rode ibissen te zien moeten zijn. Helaas was het eb en de zee was erg ver weg. Toch hebben we er nog eentje kunnen vastleggen. Ook is er nog een visarend geschoten, met het fototoestel dan. Na deze fotosessie gestopt bij mevrouw Wijntuin die een uitgebreide warme maaltijd voor ons had bereid. Het was werkelijk uitstekend en iedereen heeft daar zeer van genoten. We hebben de Kwi-kwi’s hier nog eens goed kunnen bekijken. Zien er onooglijk uit met zijn pantser en diepzwarte kleur. Surinamers zijn er echter gek op. Kees had nog wat speelgoed gekocht voor de jongentjes en daar waren ze zeer blij mee. Ook hier had Vrensky heel wat werk om alle vruchten en boomsoorten toe te lichten. Op de terugweg bij een café/winkel gestopt voor een benenstrekkertje en plaspauze. Helaas kon de winkelbeheerder, die tevens toiletgebouwtoezichthoudersleuteltbeheerder was, de sleutel van het toiletgebouw niet vinden en moest er dus wildgeplast worden. De meeste mannen vonden wel een rustig plekje maar voor de vrouwen was het toch niet al te prettig. Aan de horizon tekende zich een vreselijk donkere lucht af en op de rest van de reis naar Paramaribo heeft het dan ook tropisch geregend. Het nadeel van de regen was dat de chauffeur de diepte van de kuilen in de weg niet meer kon zien wat te dikwijls resulteerde in een onverwacht harde klappen. Ook hebben we diverse keren aquaplaning meegemaakt.

In Suriname houdt het verkeer links. Valentino heeft echter hele stukken aan de rechterkant gereden en af en toe zwalkten we over de weg alsof hij niet kon beslissen of hij nou rechts of links wilde rijden. Natuurlijk is dat geen dronkenschap maar heeft alles met kennis van de toestand van de weg te maken. Wederom meldde Vrensky dat deze weg vele malen beter is dat de wegen naar Albina of Brownsweg. Vooral de bezitters van de achterkant (ook de bezitters van de voorkant tot en met boven de wielen) van de bus begonnen een beetje meer geloof aan dit verhaal te hechten en er zou dus wel degelijk gerouleerd moeten worden. Via de Kwattaweg kwamen we Paramaribo binnen waar een nog zwaardere regenbui zich over ons uitstortte. Zou de regentijd nu al begonnen zijn? We hoopten van niet. Na inchecken en het ophalen van de koffers, we kregen bijna allemaal een andere kamer hoewel we allen om dezelfde kamer gevraagd hadden, om 19:30 uur naar een Chinees in de stad gegaan waar we voor Sr$ 36 p.p. goed gegeten hebben waarbij alles in ruime mate werd doorgespoeld met drankjes vrolijk door kleur of alcohol. Het restant van de avond in gesplitste groepjes doorgebracht op of het Eco Toucanterras, in ’t Vat of op de kamer.

 

Dag 8: donderdag 15 november 2007 Vrij te besteden.

Een vrije dag die gebruikt werd om opnieuw de stad bezoeken, te winkelen. Ook van het zwembad in het Toraricahotel kon gebruik gemaakt worden. Als toegangsbewijs moest je dan wel je inschrijfkaart van het Eco Resort meenemen. Ook is er wat aan de was gedaan want twee keer verschonen per dag was geen uitzondering. De was werd aan een voor de airco gespannen touwtje gedroogd want op het balkon te drogen hangen was verboden. Een andere slimmere methode is de was op de warme vloer van het balkon te leggen. Je kon de was ook aan het kamermeisje meegeven om te laten drogen in Torarica. Gratis service overigens. Deze avond moeten we onze dagbepakking weer in orde maken want morgen gaan we via Albina naar Galibi (Eilanti, de Warana  lodge).

 

Dag 9: vrijdag 16 november 2007 Oosten en Galibi.

We vertrekken om 08.00 uur en rijden met de bus in ongeveer 2½ uur naar Albina de grensplaats in het oosten van Paramaribo. Daar aangekomen brengen we eerst een bezoek aan de Kazerne en stappen vervolgens in de pijaka (indiaanse boot) en varen 55 minuten stroomafwaarts tot we de Atlantische Oceaan bereiken. Galibi is beroemd door de diverse soorten schildpadden die hier tussen februari en juli hun eieren op het strand leggen. 

Na uitgecheckt te hebben en te koffers weer in bewaring hebben gegeven om 08:00 uur vertrokken zonder handbagage. Deze ging mee in een andere bus waar ook Thea onze kokkin voor de komende dagen aanwezig was met allerlei potten, pannen en voedsel. Deze oplossing voor het vervoer van de handbagage creëerde meer mogelijke wissel-zitplaatsen in de bus. Degenen die tijdens de rit naar Nickerie vv achterin hadden gezeten gingen nu in het midden van de bus zitten en dat veroorzaakte wel iets van verwarring bij degenen die daar voorheen zaten. Gelukkig leidde het niet tot wrijving dus de groep pakte dat goed op. Naderhand zou er ook meer op initiatief van anderen gewisseld worden. Vrensky had gelijk. De weg was slechter dan naar Nickerie en we waren nog niet veel verder dan Tamanredjo. Hier moest de koelbox met flessen water voor onderweg en andere vloeibare proviand voor twee dagen worden ingeslagen. Verder ging het naar Stolkertsijver (in de 18e eeuw al een plantage), aan de overkant van de Commewijne waar halt gehouden werd voor een plaspauze, genieten van weer ‘zelfgebakken’ cake van Vrensky (erg lekker, roze van kleur met kersensmaak) en wat rondgelopen. Het is een soort marktplaats waar veel fruit verhandeld wordt. Ook zat er een aapje aan een touw en op een weegschaal lag een poot van een Tapir. Kortom, het werd allemaal wat ruiger. Aan de overkant van de weg is een gebouwtje waar alle met bomen geladen vrachtwagens moeten stoppen om de lading te registreren en belasting te betalen. De belasting is afhankelijk van de houtsoort. Hiermee probeert men illegale houtkap, tegen te gaan. Volgens Vrensky begon nu de horror. De wegen worden namelijk door de vrachtwagens volledig aan gort gereden. Dat betekende, zoals we zouden merken, veel kuilen, wasborden van diverse grootte variërend van ribbels tot elkaar kort opvolgende uithollingen van allerlei afmetingen. In de bus kregen we het gevoel in een Lunapark opgesloten te zijn. En dat op onze leeftijd en nog vrijwillig ook. Vrensky was nog zo vriendelijk ons uit te leggen dat de terugweg nog erger was omdat we dan aan de kant van de weg zouden rijden waar de vrachtwagens geladen ook reden. Valentino deed zijn best om zowel op te schieten als het ergste te vermijden maar dat ervoeren wij anders. Steeds weer sterk afremmen, slingeren, hobbelen, hotsen en weer optrekken. In de bus werd het steeds stiller maar gelukkig moest er niemand over z’n nek. Wel kregen diverse mensen nek- en schouderpijn en de dames meldden dat het verstandig zou zijn als aangeraden was een sport bh. te dragen. Dat belooft wat voor de terugweg. In de buurt van Moengo aangekomen was er een nieuw fenomeen op de weg te ervaren. Hele strekken van het wegdek waren tijdens de binnenlandse oorlog door de mannen van Ronnie Brunswijk met een shovel verwijderd. Dit dan om een snelle troepenverplaatsing van de tegenstander belemmeren. Wat ik heb begrepen is dat dit niet echt gelukt was. Men ging niet over de weg blijkbaar. De brug over de bovenloop van de Cottica was getracht op te blazen maar deze bleek van te dik beton. De gaten zijn er nog wel, in tegenstelling tot de weggefreesde stukken in de weg die met beton weer zo goed mogelijk waren opgevuld. Langs het huis van Ronnie Brunswijk en Moengotapu, geboorteplaats van voornoemde en door hem gesponsord in de wederopbouw, is het nog een klein stukje naar Albina. Geheel plotseling waren we daar en ook direct bij de ingang van de kazerne. Velen hadden een andere herinnering aan dat stukje weg. De kazerne kon zonder problemen geheel bezocht worden en alles was nog goed herkenbaar en in redelijke staat. Helaas waren de schilderingen vervangen of overgeschilderd met witte verf. De Surinaamse varianten zijn absoluut van mindere kwaliteit. Ondanks dat het kampement er in z’n geheel beter uitzag dan het PBK of PIK, lagen overal bladeren, waren de trenches vuil. Uit alle verhalen bleek dat vrijwel iedereen dit als de prettigste detachering heeft ervaren. Via het hek nog langs de Marowijne gelopen en van de aanlegplaats van de TRISkorjalen een foto gemaakt. Ook kon iedereen zich nog de visverhalen herinneren. Ja, een prettige plaats met veel leuke herinneringen. Dit gaf een goed gevoel en voldeed ook het beste aan de verwachtingen die we vooraf van een bezoek aan de kampementen hadden.

Bij een soort van parkje in de buurt lag de pijaka, de korjaalversie van de kust-Indianen, al op ons te wachten. Daar werd de handbagage in plastic zakken gedaan om tegen water te beschermen en in de verte kwam een flinke regenbui ons snel tegemoet. We moesten nog eten en dat hebben dan ook gedaan, tegelijkertijd de bui over en langs ons heen laten gaan. We waren al blij genoeg dat we op dat moment niet aan het varen waren. Kijk, je weet dat het kan gebeuren, hebt allemaal een poncho meegenomen maar het echt noodzakelijk ervaren hoefde van ons niet. Thea, blijkt een uitstekende kokkin. Haar aardappelsalade was werkelijk voortreffelijk.

Iedereen kreeg een life-jacket om en we waren op weg naar Galibi. Het was bijna dood tij en er waren weinig golven en geen of weinig buiswater. Als snel werd iedereen behoorlijk warm onder het life-jacket en degenen die alvast een poncho hadden om- of aangedaan zaten in hun eigen zweet behoorlijk te garen. Naarmate we verder de monding verlieten en het water al brakker werd kwamen ook de golven. Geen hoge golven maar wel kort op elkaar en dat veroorzaakte sproei- en buiswater. Als je aan de windzijde gezeten was dan werd je daar behoorlijk nat van en al gauw had iedereen de poncho in gebruik. Mijn pet waaide nog af tijdens het omdoen van de poncho, verdorie, maar de crew was zo goed om te keren en Kees kreeg hem te pakken. Al gauw bleek dat niet alleen aan de loef- maar ook aan lijzijde van de boot iedereen nat werd. Gelukkig maar anders heb je de verkeerde kant gekozen, denk je dan. Ook de billen werden nat want het water droop al snel langs het boord op de zitplanken. Galibi lieten we links liggen en na een toch wel lange tijd varen, de lange tijd wordt vooral veroorzaakt door de wens uit de nattigheid te geraken, kwam de Warana Lodge in zicht en kon het ontschepen plaatsvinden. Op ongeveer 30 meter voor de kust werd het anker gedropt en liet men de boot achterwaarts naar het strand drijven. Een transportlijn van mensen gemaakt en in een wip was de boot leeg. Alles uitpakken en Pieter had een kamerindeling verzonnen waartegen niemand protesteerde. De naast de lodge gelegen drooglijnen konden gebruikt worden om de natte zooi te drogen; er stond wind genoeg, maar wie had er aan knijpers gedacht? Met veel vindingrijkheid werd alles opgehangen en werd de handbagage uitgepakt om iets droogs of een badpak aan te trekken. De zee was warm, ergens in de richting van 25ºC’; sommigen maakten daar gebruik van en gingen zwemmen. De watervoorziening was natuurlijk minimaal. Dat verliep via een opvangreservoir van regenwater en het had recent wel wat geregend maar onvoldoende om op de Europese manier met water om te gaan. De volgende dag merkte iedereen dat het water op was. Er was elektriciteit maar de meeste verlichting werd verzorgd door accu’s die door zonnecellen werden opgeladen. De dames hebben de kokkin Thea geholpen met de laatste loodjes voor de avondmaaltijd en de tafel werd snel gedekt. Alle dames zaten op een gegeven moment op een bankje bij elkaar taugé te ontwortelen. Anderen zijn een stuk langs het strand gelopen of zaten op de banken bij de lodge te genieten van alleen zand, zee, wind, de relatieve stilte en de overblijvenden hielpen Vrensky met hout sprokkelen voor het geplande kampvuur. De maaltijd was voortreffelijk en alles wat bij een Surinaamse maaltijd hoort, was er ook. Een groep mannen verzorgde het afruimen, schoonmaken en de afwas en hierna gingen we met Vrensky mee op zoek naar sporen van gelande schildpadden. We liepen ongeveer een uur in zuidelijke richting langs het strand en vonden enkel spookkrabben, sporen van vogels en leguanen, een aantal lege schildpadeierschalen en schildpadnest en wat ander strandspul. Er waren flinke wolkenpartijen waardoor er weinig zicht was op de sterren. Jammer. Op deze breedtegraad ziet de maan er anders uit als wij gewend zijn; niet schuin als een ‘gezichtje’ maar op de rug liggend, als een wiegje. Bij terugkomst werd het kampvuur ontstoken en direct bleek dat Vrensky nou niet de handigste plek had uitgekozen. Er stond een straf windje en de rook ging regelrecht door het muskietengaas de lodge binnen. Het zou nog lang duren voordat de nachtwind de rook verdreven had; de warmte bleef. In ieder geval, als er al muskieten binnen waren, dan waren ze echt uitgerookt; de eersten die naar bed ging ook trouwens. Onder genot van de meegnomen Parbo’s hebben we het tot 23:00 uur uitgehouden. Velen wilden de volgende morgen wel vroeger op dan op andere dagen om hier de zon te zien op komen.

 

Dag 10: zaterdag 17 november 2007

Na het ontbijt varen we naar twee Indiaanse plaatsjes, Christiaankondre en Langamankondre.

We zien hoe de bewoners hun dagelijkse activiteiten uit oefenen. Omstreeks 18:00 uur zijn we terug in Paramaribo Eco Resort. 

Zoals gezegd waren de meesten vroeg (zo rond 05:40 uur) opgestaan om de zon te zien opgaan: zo rond 06:10 uur zou het schouwspel beginnen. Helaas waren er te veel wolken op de verkeerde plaats om het ook echt een heel mooie zonsopgang te laten zijn. Uiteraard kon je er ook zo van genieten. De meesten deden dit vanachter hun fototoestel. Na een ontbijt van brood, kaassoorten (zoals pinda), jam, vis, fruit, frisse drankjes, thee of koffie zo goed mogelijk opgefrist (water was bijna geheel opgemaakt), de bagage ingepakt, de kamer opgeruimd, de lodge aangeveegd en om 09:30 uur weer ingescheept. In Christiaankondre zouden we stoppen om in het daar aanwezige vrouwencentrum de typisch Indiaanse artefacts te kunnen bekijken en aan te schaffen. Bij het afzetten (letterlijk dan) van een meeliftende Indiaanse bewoner hoorden we dat het vrouwencentrum was gesloten; de vrouwen waren naar de stad. Het had dan ook geen zin om een moeilijke ontschepingsprocedure uit te voeren en werd de tocht voortgezet, richting Albina maar nog niet naar Albina zelf. We zouden eerst nog een bezoek brengen aan St. Laurent du Maroni, aan de Franse kant van de Marowijne gelegen en bekend vanwege de kleurrijke markt en het gevangenen-doorvoerkamp dat vooral bekend werd door het verblijf aldaar van Henri Charrière. Er stond weinig wind, veel minder dan gisteren in ieder geval en het water in de monding van de rivier en de rivier zelf was nog niet wakker. Er waren vrijwel geen golven en ook de sproei was dus minimaal. Dit werd echt een plezierreisje en langs een bijna volledig met bomen begroeid wrak ter hoogte van de aanlegplaats gingen we aan land. Vrensky bleef in de boot, die wel direct doorging naar Albina, om mee te helpen de bagage uit te laden en ook omdat de Fransen het niet echt hebben voorzien op Surinamers. Zonder goede papieren maken ze je het zeer lastig. Resultaat: vrijwel geen gedonder meer met illegalen, zo heb ik begrepen. “Welkom in Europa.”, schamperde Vrensky. Even later wisten we wat hij daar precies mee bedoelde. Na een wandeling over deze overvloedige, maar vooral ook zeer kleurrijke, markt konden we op een terrasje bij de markt een stokbroodje gezond en koffie of fris gebruiken. De getallen van de menukaart komen overeen met  die op een menukaart in Suriname; het muntteken ervoor is echter anders; een verviervoudiging van de kosten dus. Opmerkelijk is dat St. Laurent ook een echt Zuid-Franse uitstraling heeft. Huizen, straten, stoepen, winkels, alles ademt Zuid-Frankrijk uit. Ook zijn hier veel Vietnamezen. Deze Aziaten zie je in Suriname nauwelijks. Na de inwendige mens tevreden te hebben gesteld gingen we terug naar de steiger waar we rond 14:00 uur opgepikt werden voor de overtocht naar Albina. Vrijwel direct aan de rivier staat het beruchte doorvoerkamp: Camp de la Transportation. Voor het bezoek hoefde niet betaald te worden; de poort stond zeer uitnodigend open. Je kon hier rondkijken en je proberen, slechts 50 jaar, in de geschiedenis te verplaatsen in de situatie die je zou mee kunnen maken als je daar als gevangene aankwam. Bloedheet, op het plein geen wind vanwege de hoge muren en de barakken zagen er ook niet uitnodigend uit. Men is bezig enkele barakken van de aftakeling en ondergang te redden omdat het, met Duivelseiland als hoogtepunt, een toeristische trekpleister is. De haken en ogen voor de kettingen zitten nog in de muur en er schijnt ergens een opschrift of tekening te zijn van Henri Charrière, de papillon. Voor degenen die de film niet hebben gezien kan het zien ervan een leuke herinnering opleveren aan deze tour door Suriname. De hitte is voelbaar gefilmd.

Aan de overkant aangekomen de bus in en op een andere plaats gezeten dan op de heenweg op weg naar Paramaribo. Nu stopten we bij Moiwana. De inwoners van dit dorp zijn tijdens de binnenlandse oorlog uitgemoord en men heeft ter plaatse een indrukwekkend monument gemaakt. Mooi en simpel weergegeven. De terugweg naar Moengo is niet eens meer dramatisch te noemen. Iedereen was toch wel moe en de toestand van de weg had daar geen positieve invloed op. In een wijk van Moengo nog Lin en Anke de gelegenheid gegeven een huis te filmen voor een kennis in Nederland. Daarna gestopt bij het zwembad in de wijk Casablanca. De eigenaren van dit zwembad, Suralco, gaven toestemming dat we onder een afdak daar van een wederom door Thea uitstekend bereidde Surinaamse maaltijd konden genieten. Daarna in één stuk doorgereden naar Paramaribo en de eerder geplande stop in Stolkertsijver overgeslagen. Even voorbij Tamanredjo nam Valentino een boropasi. Dat was een hele opluchting want aan die weg heeft een voormalige minister gewoond. Deze heeft blijkbaar voldoende invloed uitgeoefend op de Wegen Autoriteit en daardoor lag er nu een strakke asfaltweg. Wat een verschil. Op de Wijdenboschbrug kwamen we in een heuse file terecht want de marathon van Paramaribo was zojuist gestart. Na omleiding na omleiding gereden te hebben kwamen we vlak bij Eco maar vanwege nog meer door politie bewaakte afzettingen konden we die niet bereiken. Na enig aandringen van Valentino kregen we gelukkig wel toestemming om de laatst afgezette weg toch in te slaan en konden we toch op het terrein van het hotel uitstappen. We leken wel zeelui. Normaal lopen ging moeizaam, zo was het gehobbel ons gestel binnengedrongen. Vlug inchecken, weer een andere kamer toegewezen gekregen en op naar een warme douche. Jammer. Alleen koud water bleek beschikbaar, tenminste dat dachten we. Reden: de leidingen waren daar andersom aangesloten dan in de andere kamers die we gehad hadden maar de aanduiding op de kraan was hetzelfde gebleven. Grapje. Het merendeel van de groep heeft zich vervolgens om 20:15 uur verzameld en zijn naar een Braziliaans restaurant gelopen, vlak naast en boven ’t Vat. Wellicht een van de beste plaatsen om te eten in Paramaribo. Vanaf de balustrade konden we finishende lopers nog be-applaudiseren. Zeker in deze warmte is iedereen een winnaar. Snelste tijd: 2 uur 32 minuten waarbij een Surinaamse loper nog een Surinaams record scheen te hebben gelopen. Rond 23:00 uur splitste de groep zich. Enkelen gingen retour hotel om daar als een blok in slaap te vallen, zeer vermoeid maar voldaan. Of kwam dat door de twee Braziliaanse cairpirinha’s? De rest ging nog naar het Onafhankelijkheidsplein om de evenementen te bezien die daar rond het marathongebeuren waren georganiseerd.

 

Dag 11: zondag 18 november 2007 Vrij te besteden.

De vrije zondag waarop we de zangvogeltjeswedstrijd konden zien. Elk zich respecterende inwoner van Suriname heeft er een en de prijzen zijn niet mals als je een goede fluiter hebt. Paramaribo opnieuw verder verkent en gezwommen in het Torarica zwembad. Uiteraard moest er ook nog het nodige gewassen en droog gekregen zien te worden. En dan: de handbagage opnieuw inpakken, nu voor vier nachten want morgen zouden we weer uitchecken, koffers stallen en via een overnachting in  Overbridge naar Jaw Jaw vertrekken.

 

Dag 12: maandag 19 november 2007.

Tegen 9:00 uur vertrekt de (mini)bus in zuidoostelijke richting. We rijden naar de cabana’s op Overbridge aan de rivier. Een toeristisch gebied aan de oever van de Suriname-rivier. Hier zijn een fraai strand en bar aangelegd. Op deze plek overnachten we. In een mooie lodge met keuken douche bestemd voor twee echtparen. We genieten van het strand, maken een vaartocht naar een oude Joodse nederzetting (Jodensavanne). 

We vetrokken om 08:00 uur en op weg naar de bauxietweg, die overigens stukken beter was dan de ‘Albina asfaltweg’ richting Overbridge kwamen langs het Clarence Seedorfstadion. Met de smelters van het aluminiumerts van Suralco in zicht hebben we de benen even gebruikt. Overbridge ligt op de plaats waar de eigenlijke hoofdstad van Suriname had moeten liggen, althans, volgens de pioniers van toen, en is verrassend mooi. De bagage werd tijdelijk achter slot en grendel geplaatst want we konden nog niet inchecken en kregen wederom een ‘zelfgebakken’ Vrensky-cake met koffie. Daarna scheepten we ons in op een catamaran-tentboot voor een bezoek aan de Jodensavanne. De zware zakken moesten achterin van de schipper anders was het moeilijk laveren. We kwamen langs twee, langs de oever van de rivier, gedumpte schepen en passeerden twee dekschuiten/duwbakken waarvan op een een grondwerkmachine bezig was zand uit de rivier te scheppen en in de duwbak te deponeren. Net zoals in Nickerie bij het onderwaterploegen hier weer de vraag: hoe weet je waar je gebleven bent? De andere dekschuit zat gevangen onder een ingestort brugdeel. Deze was op 9 oktober 2007 door een dronken kapitein tegen een van de peilers van de Carolinabrug aangezet. De brug kon daar niet tegen en een compleet wegvak viel op de schuit. Jammer, want de brug is essentieel voor de vooruitgang van Suriname en zou op Onafhankelijkheidsdag officieel geopend worden. Men was zelfs zover klaar dat al het werkmaterieel en -materiaal was opgeruimd. De veerdienst was ook al opgeheven. Wat er gemeld wordt is dat herstel wel 4x de bouwprijs gaat kosten en wanneer het klaar zal zijn is niet te voorspellen. Het leek onze schipper veilig om langs het wrak te varen en omdat wij slechts opvarenden zijn hebben we daar geen zegje in. Zou anders muiterij kunnen worden. Langs de plantage Esther’s Rust, eigenaar Clarence Seedorf, kwamen we niet lang daarna bij de Joden-savanne aan. De plaats ligt beduidend hoger boven de rivier dan alle omringende plaatsen en dat is ook de reden dat men daar de nederzetting heeft gesticht. Een te bouwen synagoge moet de omgeving kunnen overzien. Als je daar zo loopt is het nauwelijks te beseffen dat er mensen zijn geweest die de durf hadden om hieraan te beginnen. Overal oerwoud en je moet alles weghalen, huizen bouwen, voor eten zorgen etc. Het is ze echter goed gelukt want de Joden-savanne is heel welvarend geworden. Alleen al het feit dat de fundering van de synagoge geheel uit bakstenen bestond is hiervoor een bewijs. Al deze bakstenen moesten uit Nederland worden aangevoerd omdat de klei in Suriname teveel zout bevat om stenen van te kunnen bakken. De echt rijke planters hadden dan ook een huis in Paramaribo MET stenen trap, op zijn Hollands (Amsterdam en Delft bv.). Vrensky gaf uitleg over de synagoge, de begraafplaats met grafstenen met nog herkenbare coderingen (gebroken bomen, handen, Joods jaartal van bv 5555 = 1798) en diverse daar groeiende bomen en struiken. Een daarvan was het anijsblad, vroeger gebruikt als deodorant. Even verder een groot opengewerkt stuk bos bezocht waar men ananassen heeft aangeplant. Vrensky noemde het een kostgrondje maar daar was het toch wel te groot voor. Verder naar een medicinale bron en velen hebben daar hun waterflesje aangevuld en het water over de op dit moment minder gezonde plaatsen gesmeerd. Prikplekken op de benen, zonnebrand op de borst of zo maar, om te verjongen. We zijn allen erg benieuwd naar het effect. Ook het Cordonpad was vlakbij en op het pad ben je weer in de zon en op het witte zand. Het is er dus bloedheet en dat was je bijna vergeten want daarvoor liepen we volledig in de schaduw van de bomen. De hele plaats is indrukwekkend en goed is het te weten dat de TRIS heeft meegeholpen dit erfgoed van overwoekering vrij te maken en uit de vergetelheid te halen.

www.suriname.nu/201cult/joodsgem01.html

Op de steiger hebben we gewacht met inschepen omdat een regenbui zich aan het lossen was. De tijd gedood met het eten van bananenchips en wat fruit van Frederiksdorp. We hadden ons net  ingescheept toen we opnieuw een regenbui hoorden en zagen aankomen. Ondanks dat we in een catamaran- tentboot zaten was de schipper toch zo vriendelijk direct bij een dorpje aan te leggen waar wij onder een wat groter dak konden schuilen. De bui duurde ongeveer 20 minuten en we gingen snel door, terug naar Overbridge. Onderweg kregen we zelfs bij 30ºC kippenvel. Wennen we dan nu al aan de Surinaamse temperatuur? Weer moesten we onder de Carolinabrug door. Enkele dagen later hoorden we op het nieuws dat de rest van de brug toch niet zo stabiel was gebleven als men had aangenomen en dat het gedeelte, waar wij onderdoor zijn gevaren, ook ingestort was. Gelukkig dat wij dat bericht dus konden horen of lezen en nu kunnen vertellen. Dat zou wel een ervaring geweest zijn die ik had kunnen missen als meer dan kiespijn, denk ik zo.

Op Overbridge aangekomen kregen we het nummer van ons onderkomen voor één nacht. De huisjes die we toebedeeld kregen waren groot genoeg en ook uitgerust voor minstens 4 enkele personen of twee echtparen. We kregen er per koppel echter één toegewezen en dat is een hele luxe. Voor en na het avondeten gingen we dan ook gauw naar de cabana’s om op de veranda te genieten van de rust en het ‘plantage-eigenaargevoel’, al dan niet met een Parbo’tje maar wel met een uniek uitzicht op de jungle, de kreek er voor en in de verte de Suriname-rivier. Natascha en Henk en Vrensky gingen vissen en Natascha heeft gewonnen. Zij ving de meeste vis; pirengs. Je kon wel in de rivier zwemmen maar alleen veilig vanaf de kant van het resort; tegen onaangename contacten had men er namelijk een pireng-barricade aangebracht. ’s-Middags nog een regenbui van een uur. ‘s-Avonds hebben we, ons verstoppend achter de zaklantaarn van Vrensky, naar kaaimannen gezocht. We hebben één paar ogen zien oplichten en wel in de poel vlakbij de cabana’s. Nog even wat Parbo’s en babbelen en dan na een lekkere douche slapen. Morgen gaan we naar Jaw Jaw. Vandaag zijn we begonnen met de anti-malariapillen in te nemen. 

 

Dag 13: dinsdag 20 november 2007.

Na het ontbijt reizen we verder naar het zuiden. U maakt een reis mee vol belevenissen. We komen aan in het dorpje Jaw Jaw aan de Boven-Suriname-rivier, waar de lodge aan een indrukwekkende stroomversnelling ligt. Hier nemen we onze intrek. Ook hier beschikken de lodges over 2 en meerdere bedden. Nadat we kennis hebben gemaakt met de plaatselijke bevolking komen we bij van de ervaringen van de dag. 

We wilden graag zo vroeg mogelijk vertrekken maar de keuken werkte daar niet aan mee. Het ontbijt is normaal gepland vanaf 09:00 uur en dat bleef zo ondanks pogingen van Pieter het te vervroegen. Om niet te veel tijd te verliezen moesten wij zorgen dat de bagage in de foeragewagen was ingeladen; Thea de kokkin ging weer mee en dat gaf opnieuw meer ruimte in de bus om te kunnen wisselen van zitplaats. Om 09:00 uur dus eten en direct daarna op weg via Pokigron naar Atjoni, de haven aan de Boven-Suriname-rivier, want verder gaan de wegen niet. Vrijwel iedereen nam een andere zitplaats en over de bauxietweg ging het naar onze eerste stop voor vandaag: P Marijke K te Brownsweg. Vooral voor de oudste stompen onder ons was de aankomst verrassend omdat de weg op de top eindigde en niet aan de onderkant bij de toiletten; in mijn diensttijd was de huidige aankomstplek al wel zo. Voor mij was verrassend dat vroeger de keuken en kantine geheel buiten en naast het kampcomplex op de top lagen. De bewijzen zijn er nog: betonnen pad en wat stukken oud roest. Het kampement is verder geheel ontmanteld omdat het veel te lijden heeft gehad van de binnenlandse oorlog; het betonnen grondplan is er nog. Zo konden de meesten toch nog wel hun eigen kampement indelen. Waar eens de kantine/keuken annex bar was stond nu een bijna alweer verwaarloosd houten gebouw. Voor mij was belangrijk aan Loes de plaats te laten zien vanwaar ik de eerste brief aan haar heb geschreven. Nostalgie en romantiek op de bouwvallen. Zo oud zijn we dus al geworden. De metalen rand van het kampementsbord was er nog en het kanon ook. Iemand heeft echter de zeer grote moeite genomen de loop halverwege af te zagen en dat moet een klus van weken zijn geweest. Het afgezaagde stuk ligt nog halverwege de heuvel. Een voorbeeld van geheel nutteloos bezig zijn. Wie heeft het bord meegenomen?

Bij het tankstation en bushalte voor de Jumbo’s bier en water in de foeragewagen geladen. Na een korte stop bij de Poederberg (magnesium), om de benen te strekken en even van het gehobbel af te zijn, ging het verder en de bauxietweg werd nu toch wel steeds echt veel slechter. De meeste last hadden we van de door de regen parallel aan en in de weg getrokken geulen; hierdoor is het voor de chauffeur soms moeilijk kiezen hoe je precies moet rijden en heb je af en toe het gevoel dat de bus gaat kapseizen. Alle bewondering dus voor Valentino die het toch maar flikte ook al vonden wij het soms erg onprettig.

Totale reistijd vanaf Brownsweg was 2½ uur en in Atjoni aangekomen werd er direct begonnen met het inladen van de korjalen. De foeragewagen werd overgeladen in een korjaal en die ging met Pieter, Thea en Vrensky direct richting Jaw Jaw. Wij waren ook snel ‘ingeladen’ en vertrokken vrijwel gelijktijdig. Wat een prettig gevoel zo’n harde plank en rustig water. We kwamen, ook door de omgeving, geheel tot rust. Wel misten we ons eten want dat hadden we toch afgesproken: lunchpauze in Atjoni? In Atjoni is het een en al bedrijvigheid. Alles wat verder het binnenland in- of uitkomt, gaat via deze plaats. Het is er een drukte van belang. Het in- en uitladen van de korjalen gaat echter nog steeds zoals altijd maar men is druk bezig met beton iets te maken en dat kan haast niet anders zijn dan een handigere oplossing om korjalen te laden dan met handkracht. Wel eens een drum van 220lr geprobeerd in een korjaal te krijgen? We hebben een korjaal zien liggen met wel 10 van die vaten dus men doet het. Ik ambieer een dergelijke topbaan niet.

Links oer en rechts woud of andersom met hier en daar een aantal huizen of zelfs een dorp. Het was, behalve het geluid van de buitenboordmotor een oase van rust. Omdat het einde droge tijd is was de waterstand extreem laag en dat was te merken aan de vaarrichting. Herhaaldelijk moesten we van oever wisselen en soms ook voelde je dat de boot lichtjes over een zandbank schuurde of moest, vanwege rotsen of takken, de buitenboordmotor gelift. Zo over het water scherend kwamen er weer allerlei herinneringen aan de vaarpatrouille terug die ik 33 jaar geleden naar Apetina heb gemaakt. We passeerden Abenaston en na ¾ uur, te snel naar onze zin, kwamen we in Jaw Jaw aan. Waar waren Pieter en Vrensky; belangrijker, Thea en onze bagage? De bagageboot lag niet bij de aanlegplaats en we hebben onderweg ook geen bewijzen van eventueel schipbreuk gezien. De koelaman geleide ons de walkant op het dorp door naar de voor ons geselecteerde hutten. En daar zagen we net Pieter en consorten aankomen. Ze waren de soela op- en het tegenover Jaw Jaw liggende eiland omgevaren. Onze korjaal kon dat niet vanwege het gewicht van ons allen bij de huidige waterstand. Ze meerden onder de hutten af en met een transportlijntje van mensen werd de korjaal snel uitgeladen. De keuze en indeling van de hutten was niet geregeld. Als vanzelf kwam dezelfde indeling tot stand als op Galibi en in no-time was de bagage op zijn plaats, het bed opgemaakt en de klamboe uitgehangen. Ergens hadden we gehoopt dat er hangmatten zouden zijn maar misschien is dit te gevaarlijk. Als je nog nooit in een hangmat gehangen hebt kan een eerste keer best tot ongewenste resultaten leiden. De bedden waren zo simpel mogelijk, IKEA-achtig zal ik maar zeggen. De matrassen waren dun maar goed stevig en schoon. De lakens waren erg dun maar gezien de temperaturen (zie Galibi) leek mij dit wel te voldoen. In sommige bedden was de lattenbodem niet overal gelijkmatig zoals we van de andere reizigers later begrepen. Thea was ondertussen al begonnen met de nu verlate lunch gereed te maken en om 15:30 uur konden we onze ‘honger’ stillen. De reden van de late lunch was dat de leiding had gekozen voor direct vertrek vanaf Atjoni vanwege een dreigende regenwolk. Die is gelukkig ergens anders gevallen.

Pieter had ons verzocht het ‘kampement’ niet te verlaten en op eigen houtje door het dorp te gaan struinen. Dit om de privacy van de bewoners te bewaren. Ook steldt men het niet overal op prijs om gefotografeerd te worden. Hoewel vrijwel het gehele binnenland gekerstend is hechten sommigen nog steeds geloof aan het feit dat een genomen foto iets van de eigen identiteit meeneemt. Ook bij het langsvaren bij de lager aan de rivier gelegen nederzettingen waar men aan/in de rivier bezig was draaide men zich om of werd er boos onze kant op gegesticuleerd. Dus, eerst vragen of men er geen bezwaar tegen heeft, wel zo netjes. De meesten maakten echter gebruik van de inzoomcapaciteiten van hun camera of filmtoestel. Is dat dan wel netjes?

Na de lunch was er tijd genoeg om in de rivier te zwemmen. Hierbij moest je wel uitkijken voor de rotsen onder water. Door de lage waterstand was het mogelijk vanaf de kant naar de soela in het midden van de rivier te lopen. Verder gewoon aan de oever zitten en genieten van het uitzicht of de bezigheden van de dorpelingen. De was en de vaat wassen, zwemmen en gewoon spelen in het water. Af en toe kwam er aan de overkant een korjaal langs, meestal met vracht voor het binnenland of voor Atjoni. Soms ook een korjaal met andere toeristen die hoger op de rivier een onderkomen hadden. Diverse vliegtuigen in de lucht bewezen dat het vliegveld van Laduani druk bezocht werd. Voor het merendeel wordt dit vliegveld voor toeristenvervoer gebruikt. Vliegtuigen van Russische oorsprong. Anke, de enige niet blonde dame in het gezelschap, zat aan de waterkant en kreeg bezoek van meisjes van tussen de 4 en 7 jaar. Haar zwarte haar werd onderhanden genomen en er werden kleine vlechtjes ingevlochten. De Creoolse vrouwen zijn hier creatief in en ze hebben allerlei patronen. Dat vlechten ging vergezeld met zingen van: volkslied, sinterklaas-, kerst-, kleuter- en voor ons onverstaanbare eigen liedjes. Een heel aandoenlijk tafereel. Helaas voor Anke is het Europese haar zo sluik dat het niet blijft zitten. Na het voortreffelijke avondeten gingen we met enkel het licht van de bijna volle maan de korjaal weer in. Vreemd genoeg hoefden we nu de life-jackets niet om. We vertrouwden dan maar op de kennis en de ogen van de motorist dat dit niet nodig is. Wij dachten juist dat het nu belangrijker zou zijn dan overdag. Met betrekking tot korjalen zijn we dus gewoon weer bollen. In sluipgang, zover als dat gaat met een buitenboordmotor, voeren we naar de plaatsen waarvan men weet dat ze er zijn, de kaaimannen. Met veel heen en weer manoeuvreren lukte het Vrensky met zijn zaklantaarn er 1½ aan te wijzen. Een echte wakkere en een knipogende kaaiman. De rest liet zich niet in de ogen kijken. Leuke ervaring. Terug in Jaw Jaw nog lang wakker gebleven en er waren veel gesprekken gaande. Henk heeft eindelijk iemand gevonden die net zoveel of meer weet van zijn interesse: Worlds in Collision, Maya kalender met de datum 21-12-2012, piramides etc. etc. De toiletten konden niet op de normale wijze worden doorgespoeld omdat de generator, die de watervoorraad aanvult, om 22:00 uur werd uitgezet om het dorp in rust te laten genieten van alleen de geluiden van het bos en de rivier. Even een emmer water halen in de rivier dus. Goed geslapen ondanks de warmte EN, niet bezocht door creepy crawlers of prikkers.

 

Dag 14: woensdag 21 november 2007.

Activiteiten in de komende dagen zijn: kostgrondjes bezoeken waar we zien hoe op traditionele wijze de grond bewerkt wordt en wat er allemaal te bieden is. We bezoeken omliggende dorpen zoals: Tutubuka, Laduani (dit zijn typisch Saramaccaanse dorpen). Ook hebben we een culturele avond met zang en dans, varen door de stroomversnellingen, komen dicht bij de machtige Ferulassi- stroomversnelling. 

Vroeg opgestaan om getuige te worden van de zonsopgang hier. Velen waren al wakker en hadden hetzelfde plan opgevat. De zonsopgang was erg mooi maar moeilijk op de gevoelige plaat vast te leggen. Na dit spektakel gingen sommigen zich in de rivier baden waar anderen niet van de gewoonte af konden dat onder de douche te doen. Broodmaaltijd met jam, pindakaas etc., gebruikt en daarna de boeken tevoorschijn gehaald die we hadden meegenomen om aan de bibliothecaresse af te geven. Ondanks dat Jaw Jaw ongeveer 4 à 5 meter boven het huidige waterniveau ligt is het behoorlijk overstroomd in voorgaande jaren. Op diverse plaatsen heeft men dat gemarkeerd en ver voorbij onze hutten, iets hoger dus nog staan markeringen die de meter overstijgen. Dat is dus een heel drama geweest want als je ziet wat er nu langs de kant van de rivier allemaal aan boomstammen etc. ligt dan moet je je eens voorstellen als het water zo hoog komt en de gehele omgeving gaat schoonspoelen. Stroomafwaarts is het dan niet alleen gevaarlijk in verband met het hoge water maar zeker ook door alles wat meegesleurd wordt. Het dorp was en is nog steeds druk bezig met herstellen en de bibliotheek was net helemaal nieuw en ingericht. De boeken werden enthousiast ontvangen en al spoedig werden er allerlei afspraken gemaakt over zaken die ze nog konden gebruiken en die mensen van onze groep zouden kunnen regelen: computers, printers, omvormers, boeken, papier, potloden, tafels etc. Alles is welkom. Aan het eind van dit verhaal staat hoe dat gedaan moet worden.

Na het bezoek aan de bibliotheek hebben we een rondleiding langs de schoollokalen gemaakt. De school is zoals alle scholen in Suriname, simpel van constructie met open ramen vanwege de ventilatie. We troffen drie personen buiten de klas aan: straf. Jongens natuurlijk. Eentje had zelfs verzwaard straf want die stond met z’n rugzak om. Vandaag was straf niet zo heel erg want ze hadden nu goed zicht op die toeristen die naar de school kwamen kijken. Toen we terugliepen waren ze verdwenen. Moesten voor straf weer het lokaal in. Dat is dus dubbel straffen, of niet? De kleuters brachten ons drie liedjes ten gehore waaronder het Vader Jacob, nog niet in canonvorm, waarschijnlijk zodat wij het konden verstaan. Anders had ik het echt niet geweten. Het blijft toch anders klinken dan uit Nederlandse kinderkeeltjes.

Onder leiding van de zeer spraakzame Vrensky ging de tocht verder naar de kostgrondjes. Qua bebouwing was er nog niet veel op te zien omdat men met inzaaien moet wachten op de regentijd. De enkele regenbui die nu af en toe valt is onvoldoende om het gewas aan de gang te krijgen. We kregen overal uitleg over en het is werkelijk allemaal niet te onthouden. Dat ze in staat zijn met deze landbouwmethoden 700 mensen te voeden verbaasd mij echter wel. Het zijn overigens wel de vrouwen die dat allemaal doen, de mannen doen het zwaardere werk, werd gemeld. Is dat er dan, zo vraag ik me af. Naar mijn idee is het vrijmaken van bos, het inzaaien etc. in deze temperaturen wel het zwaarste werk dat er is. Met alleen er heen lopen, kijken en luisteren naar de uitleg van Vrensky had ik het al warm genoeg gekregen. Ik had ook geen kind op mijn rug hangen. En, het moet op bepaalde tijden gebeuren en gereed zijn anders komt er niets.

Na deze verbreding van ons begrip gingen we terug naar ons kampement. In de warmte vond ik dat we toch nog een hele afstand hadden afgelegd maar onderweg wel een goede indruk van het dorp gekregen. Voor het merendeel ziet het er voor Surinaamse begrippen opgeruimd en schoon uit. Wat ik wel miste waren die plastic flessen. In de rivier waren er nog enkelen. Hier niet. Ook waren hier en daar mensen druk met diverse bezigheden. Duidelijk is dat ze alle tijd hebben. Waarom denk ik dan altijd dat het sneller en efficiënter moet kunnen. Dat is zeker een echte Europese afwijking? Ik denk nu even terug aan de ellende die de Nederlandse werknemers meestal overkomt als bedrijven fuseren. Hetzelfde gedoe met managers die denken alles te weten.

Intussen was het al weer lunchtijd geworden en Thea had BB met R gemaakt. Tjonge, dat was lekker. Recept volgt aan het eind van het verslag of wordt door Pieter toegezonden.

Zoals beloofd in het programma gingen we na deze lunch de korjalen in om de eerstvolgende soela bovenstrooms, de Ferulassy, te gaan nemen. Altijd spectaculair, niet van gevaar gevrijwaard en dus ondanks de warmte, life-jackets aan. De motorist was met dit deel van de rivier niet heel goed bekend en dat verraadde hij door bij een splitsing aan de koelaman op de plecht te vragen aan welke kant een eiland moest worden gepasseerd. Net als met de tocht vanaf Atjoni, veel zigzaggen, schuren over zandbanken en af en toe een lichte botsing met takken of onder water liggende obstakels zoals rotsen of bomen. Dikwijls ging de snelheid eruit omdat de motor gelift moest worden om beschadiging aan de schroef te voorkomen. Duidelijk was dat de combinatie lage waterstand en een dergelijk lange korjaal als wij hadden nu niet de beste combinatie was. Bij de Ferulassy aangekomen was er nog maar één kant als vaarweg bruikbaar. Recent is hier een hele woudreus overheen gevallen. Deze superboom was in stuken gezaagd om een doorgang te behouden. Onder- en bovenkant liggen nog over de rotsen heen en zullen bij stijgend water ongetwijfeld aan een stroomafwaartse reis gaan beginnen en zo voor gevaar zorgen. Zouden wij dat opgeruimd hebben? Nu begon het spannende gedeelte. De doorgangen werden steeds smaller en de korjaal moest behoorlijk zigzaggen, soms steken en een beetje keren. In een doorgang, waar het ook maar net zou passen, kon onvoldoende snelheid gemaakt worden zodat de stroom ons tegen een kant aandrukte waar we niet moesten zijn. Een vastloper. De koelaman moest er uit en door de boot af te duwen, waar je trouwens wel een soort Jerommeke voor moet zijn, lukte het om de korjaal in de vaargeul terug te krijgen. Vol gas, en weer vast; zelfde plek. Nogmaals en dat ging flink wat wilder. De mensen aan stuurboord (rechts in de vaarrichting voor de landrotten onder ons) dachten dat we omsloegen maar water het bleef allemaal buiten boord. De motorist kreeg greep op het gebeuren en we schoten weg van de kant, verder de soela in, op en erover. Fantastisch ondanks het lage water, voldoende spatten en spetteren en beweging. Aan de bovenkant van de soela aangekomen werd er gekeerd en ging het over de soela terug, nu eraf. Dit is gevaarlijker dan erop want de stroomrichting en snelheid van het water maakt corrigeren moeilijker maar er gebeurde geen spannende dingen. Sommige dames maakten nog geluiden als van de bekende Sirene maar de motorist was met dit verhaal niet bekend dus voeren we niet op de klippen. De tocht werd door iedereen zeer gewaardeerd en voor de meesten van ons was dat een eerste ervaring met ‘wildwateren’ zonder daar zelf de controle over te hebben en in de handen van een ander. Er was wel sprake van opluchting en een beetje teleurstelling toen we weer in rustiger vaarwater waren en dit deel van de tocht achter de rug was. Aan de onderkant van de soela aangemeerd en uitgestapt om het meer ‘traditionele’ dorp Gunsi te bezoeken. Ook hier weer: geen foto’s met mensen erop a.u.b. Geen echt andere zaken gezien dan in Jaw Jaw. Wel vond ik het er wat minder opgeruimd uitzien, maar dat kan een momentopname geweest zijn. Als bij ons de vuilnis is opgehaald uit de verzamelcontainers denk je ook vaak dat er iets vreselijk fout is gegaan met de overheveling daarvan. En dan, de vooruitgang in beeld en wel 30 meter hoog ook nog. Een zendmast die drie weken geleden in gebruikgenomen was die het voor Jaw Jaw en directe omgeving mogelijk maakte mobiel te bellen. Dat dat mogelijk was merkten we gisteravond al. Iedereen die een mobiele telefoon had was gelukkig weer bereikbaar. Een aantal uren op de reis waren ze dat niet en dan wordt men wel meteen nerveus. Want waar ben je als je niet bereikbaar bent. Ik probeer dat altijd niet te zijn dus ik mis het niet. Ik heb zo mijn twijfels of het binnenland van Suriname op bereikbaar zijn zit te wachten. LET WEL, ik misgun ze deze ‘vooruitgang’ niet maar vraag me wel af hoeveel van hun inkomen ze nu aan ‘bereikbaar zijn’ besteden. Voor mij haalt het tevens een stukje van de ongereptheid weg die toch al onder druk staat en lang niet meer is zoals vroeger. Mijn ideeën mogen natuurlijk niet gelden voor de richting van de toekomst van een land, maar toch. Bij ons is het ook niet meer zoals 30 of meer jaar geleden. Beter geworden? Ik weet het niet.

Weer beneden aangekomen bij de soela hebben we ons allemaal lekker laten jacuzziën tussen de rotsen. Op sommige plekken ging het ondanks de lage waterstand wel erg snel. Ik had begrepen dat bij een hogere waterstand het zonder life-jacket te gevaarlijk is. Zo zie je maar, een lage waterstand heeft ook voordelen. Na een uur weer kind geweest te zijn en voldoende zonlicht op de natte huid te hebben gekregen om mogelijk weer te verbranden de korjaal weer in en terug naar Jaw Jaw, langs de kaaimanslaapplaatsen. Niets gezien. In de late middagzon lekker genoten met kijken, zwemmen en nietsdoen. Voordat we gingen eten werden we getrakteerd op een aubade van een zestal 4 tot 7 jarigen, meesten meisjes. Ze hadden diverse zelfgemaakte vaasjes met allerlei prachtige bloemen erin meegenomen en zongen o.a. sinterklaas-, kerst-, kleuter- en voor ons onverstaanbare eigen liedjes. Ook kenden ze het liedje uit de film “Kon esi baka” toen wij dat vroegen. 

Faja siton no bron mi so, no bron mi so:         vuursteen brandt mij niet, brand mij niet zo

Adyen masra Jantje kiri suma pikin, 2x          alweer vermoordt meester Jantje kinderen

Zie www.suriname.nu/201cult/muziek04.html voor de hele tekst en uitleg hierover.

Dat duurde een dikke 3 kwartier. Fenny had nog individueel verpakte Haagse Hopjes en gaf ze dat als beloning. Dat werd gewaardeerd al wisten zie niet direct wat het was en waar het naar zou smaken. Al snel kwamen anderen ook een beloning vragen. Helaas, de voorraad strekte niet meer. Het avondeten was zo Surinaams als maar kon. Thea had Tajer gemaakt, naar de gelijknamige knollen. Wij vonden de knollen in de soep wat groot, ze hadden wat kleiner gesneden mogen worden. Kleiner maken met een lepel ging vrij moeilijk. Ik vermoed dat met het zetmeel uit één knol je een heel huis kan behangen. Goeiedag, wat een plakkerig gedoe. Wel goed te eten overigens. Vanavond staat er dansi-dansi met apintiespel op het menu. We zijn benieuwd.

De dansi liet op zich wachten en dat wachten doden we met in het dorp gekochte Parbo. Vrensky had korting bedongen bij de plaatselijke handelaar dus dat was extra lekker innemen. En wachten en wachten maar. Het apintiespelen ging uiteindelijk niet door want een vorige groep had de sleutel van de opslag niet ingeleverd en men kon niet bij de apinties. Jammer. De dames van de dansi waren niet opgesloten en die kwamen nu aan om de voorstelling te geven. Uitgebeeld werden enkele dansen uit de slaventijd met elk een andere betekenis. De dansen die hoofdzakelijk in de slaventijd ontstonden waren erg indrukwekkend. Er is één danseres die begint met een tekstregel te zingen. De vijf anderen buigen vanuit de heupen 90º naar voren en klappen een maat, 200 per minuut, en herhalen een gedeelte van het gezongene. De danseres maakte kleine schuifelende bewegingen met de voeten en subtiele romp en armbewegingen. Het mocht allemaal niet te duidelijk zijn omdat destijds communicatie onderling, vooral tijdens het werk op het land, niet was toegestaan. Toch wisten ze er op deze manier onderuit te komen. Nogmaals, je moet het meemaken om er over te oordelen. Indrukwekkend en ook wel emotioneel. Wat ook indruk maakte is de eenvoud van de kleding, zeer passend in het geheel. Iedereen die uit de groep werd geplukt en meegedaan had kon weer een bad nemen, zo nat werd je er wel van. Ze werden beloond met een hartelijk en welgemeend applaus. En dat is op zich ook weer vreemd. En applaus is hierbij eigenlijk niet passend. De avond verder afgemaakt met nog wat beppen en leegmaken van de resterende djogo’s. Wat een belevenissen op deze vakantie.

 

Dag 15: donderdag 22 november 2007.

In ieder geval doet u tijdens deze tocht veel bijzondere ervaringen opgedaan. In de ochtend na het ontbijt vertrekken wij en gaan verder met de bus naar het Brownsberg Natuurpark. We maken een tocht door het tropische regenwoud naar de watervallen en beleven de geluiden van de brulapen; met een beetje geluk kunnen we dieren zien. ’s Avonds gaan we weer verder naar Overbridge waar we weer de nacht doorbrengen.  

Vroeg opgestaan, het wordt een gewoonte, want vandaag wilden we getuigen zijn van het begin van een schooldag. Om 7:40 uur op speedmarstempo naar de school en daar waren we net op tijd om de vlagceremonie te zien. Alle klassen stellen zich bij de vlaggenmast bij de school op, gerangschikt naar klas, jongens en meisjes in een eigen rij. Iedereen was nu op tijd, wat op andere dagen niet altijd zo is, begrepen wij. De rondlopende meesters en juffrouwen gedroegen zich als echte sergeants. Alles moet recht en correct staan. Toen iedereen naar tevredenheid in het gareel stond werd onder het zingen van het volkslied de vlag gehesen. Daarna, afmarcheren per klas, de rij meisjes eerst en dan de jongens. Wat ik me heb laten vertellen is dit het meest gedisciplineerde gedeelte van de dag. Maar ook in de klas is er weinig ruimte voor vrije expressie naar inzicht van de jeugd. Daar buiten kan het zijn eigen gang gaan. We hebben echter geen hangjongeren of rariteiten meegemaakt dus met de discipline buiten de school lijkt het mij ook wel mee te vallen. Het leek mij in Jaw Jaw behoorlijk wat rustiger te gaan dan in een willekeurige Europees dorp of stad. Na ontbeten te hebben de kamer van kant gemaakt (Surinaams voor opruimen), bagage inpakken en inschepen. De bagage ging weer in de andere korjaal tezamen met Pieter en Thea. Wederom sneller dan gewenst kwamen we aan in Atjoni en konden onmiddellijk de bus is die net aangekomen was. Valentino was daarom al om 03:30 uur uit Paramaribo vertrokken en met de toestand van de weg in gedachten is dat een hele prestatie. Kregen we later nog wat last van overigens. Verschillende posities in het rijdende lunapark werden ingenomen en al snel waren we weer bezig aan het nooit wennende gehots en gebots op de bauxietweg richting Brownsberg Natuurpark. Bij de Poederberg weer gestopt om bij te komen. Diverse dames die meer achterin zaten begonnen misselijk te worden dus even halt houden was geen overbodige luxe. Nog een uurtje en dan is dat ook weer achter de rug. Zo naar de Poederberg kijkend herinnerde ik me het verhaal van Vrensky over wat er hier gebeurde tijdens de binnenlandse oorlog. Hier had een treffen plaats tussen troepen van Desi B. en Ronnie R. Het lijkt hier zo op Apache Canyon uit de strip van Lucky Luke dat je niet begrijpt dat het vertelde heeft kunnen plaatsvinden. In ieder geval heeft één van de partijen deze Lucky Luke nooit gelezen. De in hinderlaag liggende troepen werden niet vanaf de weg maar vanuit het bos aangevallen en de berg afgeduwd. Vervelend genoeg zijn er ook doden bij gevallen. Dat maakt het gebeuren dus wel weer ernstiger en minder grappig. Toch, je vraagt je af.

Naar ons gevoel na eeuwen, kwamen we aan bij het benzinestation annex Jumbo bushalte waar we wat rondliepen, water kochten terwijl we op de foeragewagen wachtten. Deze zou namelijk meegaan naar de Brownsberg om onze lunch te verzorgen en bovendien hadden we Pieter al een hele tijd in onze bus gemist. Het wachten duurde niet al te lang en spoedig vertrokken we naar het Brownsweg Natuurpark. De weg naar de ingang van het park op de top is naast ongeplaveid, gevaarlijk smal, met veel watergleuven overdwars, schuin en in de lengterichting. Aan de afgrondzijde is geen vangrail, alleen enkele bomen of al naar gelang de afgrond steiler was, boomtoppen. Er is zelfs een verplichting om te toeteren bij de bochten zodat er misschien op tijd maatregelen ter voorkoming van botsingen kunnen worden getroffen. Gelukkig kwamen we geen dalend verkeer tegen; het was zo al link genoeg. De bus moest af en toe echt wel een ‘aanloop’ nemen om sommige steile stukken met bochten te kunnen nemen en omdat de motor extra hard moest werken werd de airco uitgezet. Valentino reed zo snel dat we een 4x4 dreigden in te halen. Maar ja, die kan wat langzamer vanwege de gunstigere overbrenging en had geen snelheid nodig om de hele steile stukken te halen. De ondergrond hielp ook niet mee. Bauxietblubber.

Boven aangekomen eerst allemaal wat langer de benen gestrekt om het gebibber kwijt te raken en daarna genoten van de nasi van Thea met watermeloen als toetje Wat een prima kokkin. Alle hulde. Na het maken van de groepsfoto op weg gegaan naar doel nr. 1 van het bezoek aan dit Natuurpark, de Leo-val. Onderweg kwamen we allerlei mensen tegen die daar al geweest waren en die ons allen sterkte toewensten. Het zou dus zwaar worden. De weg vernauwde zich en er kwamen steeds meer hellingen naar beneden in het traject voor. Steeds vaker werd ons ook sterkte gewenst en sommigen van ons kregen het daar al benauwd van. Op weg naar beneden, want daar is de Leo-val, kwamen we ook een hele groep scholieren (14-17 jarigen) tegen die dus naar boven gingen, er al geweest waren, waarvan in het bijzonder enkele jongens nodig in dienst zouden moeten. Jeetje, als je daar voor de landsveiligheid van afhankelijk wordt. Hun gezichtsuitdrukking was het perfecte voorbeeld van het eeuwige lijden. Zij zullen na hun scholing vast wel leidinggevende functies krijgen. Over het algemeen droegen de meiden hun lot beter. Onderweg gaf Vrensky weer de nodige uitleg en eindelijk weet ik hoe de vogel heet die ons bij onze bostochten vergezelde. De bospolitievogel of groenhartvogel.

http://webserv.nhl.nl/~ribot/wav/livo.mp3

Dat beest fluit alleen als je in beweging bent, als je kamp maakt is hij/zij stil. De functie is duidelijk. Hoor je de vogel, dan wordt er bewogen. Kan dus ook de vijand zijn. Surinamers noemen deze vogel ook wel nekkrampvogel. Je ziet hem niet ook al zoek je nog zo goed. De waterval was wel wat teleurstellend; een klein miezerig stroompje met soms vallend water. Wat hadden we dan verwacht aan het eind van de droge tijd? Niagara of zo? In ieder geval was het zo weinig dat Pieter besloot niet verder te gaan naar de Irene-val. Dat zou er nu ook zo uitzien en is dan niet de moeite van de moeite waard. Terug naar boven over de moeilijke trappen en paden. Niemand was fris gebleven tijdens de busrit en sommigen hadden meer moeite met naar boven komen dan ze zelf hadden verwacht. Jenny had zoveel hoofdpijn dat ze het liefst was gaan en blijven liggen. Ze is op sleeptouw genomen en gelukkig liet ze zich ook slepen. Henk kreeg een spasme in zijn kuit en Natascha zat achter haar eigen adem aan. Met minder tegenzin dan de scholieren, we zijn toch nog ergens TRISsers, ook de aanhang, kwamen we toch weer vrij snel boven terug op het grotere pad en zagen daar dat het behoorlijk donker begon te worden. Plotseling leek het alsof er een storm opstak, zo ging de wind in de boomtoppen tekeer. Het was echter niet de wind maar een groep brulapen die dat geluid veroorzaakte; zoals in het programma van Sun & Forest beloofd was. We probeerden wat dichterbij te komen om ze te zien maar dat ging niet. De donkere lucht konden we al snel niet meer zien want het zicht werd ons belemmerd door de neerstortende regen. Nog wel geen tropische bui maar hard genoeg. Bij een restaurantje vlakbij de bus hebben we geschuild gelijk ook anderen voor ons al aan het doen waren. Druk, druk, druk dus. De regen hield een dik uur aan en begon toen wat minder te worden. Allerlei bussen kwamen mensen ophalen en zo ook onze bus. Vlug erin en op weg naar Overbridge. We waren nu nat van het zweet EN de regen en we snakten naar een warme douche. We worden echt oud hoor. De weg naar beneden is gelijk de route over een soela gevaarlijker dan omhoog. De bus is geen 4x4 en soms gleden we gevaarlijk dicht naar de afgrond toe. In de bus was het echt stil en niet alleen van vermoeidheid. Alle ramen besloegen omdat we allemaal zaten te stomen en de airco nog niet aankon. Eenmaal beneden aangekomen werden we wat minder gespannen en al snel waren we weer op de bredere bauxietweg. De regen maakte er een glijbaan van en omdat Valentino al zeer vroeg op weg was gegaan naar Atjoni om ons op te halen zakte de concentratie bij hem wat weg en gleden we de kant in. De bauxietweg aan de kant is door de regen flink verzadigd geraakt en de wielen hadden dan ook minder grip. Gelukkig geen ongelukken. Even gestopt in een bushokje bij Berg en Dal (van de Hernnhutters) en dan het laatste stukje. Om 17:50 uur arriveerden we in Overbridge en konden we inchecken. De kamernummers waren al bekend. We hadden nu nieuwere huisjes die nog groter waren dan de vorige keer. Het eten was al op de kamers gebracht zoals afgesproken. We zouden pas om 19:00 uur aankomen dus het was nog warm. Op de kamer is een magnetron dus warmer maken kon altijd. De bagage werd op de veranda uitgepakt. Waarom? Wel, enkelen hadden gemerkt dat zij niet de enige bewoners van de hut in Jaw Jaw waren en een aantal van die bewoners was nu als verstekeling meegekomen. Kakkerlakken, de creepy crawlers. Nou, die wil je zeker niet meenemen naar Nederland dus werd alles grondig nageplozen en uitgeklopt. Jan besloot maar zijn hele toilettas weg te doen. Gebruikt Jan een bepaald merk of geur waar kakkerklakken dan ook gek op zijn? Snel even een Parbo gehaald en na het heerlijke douchen goed gegeten. Na het bijkomen van deze dag nog even naar de eetzaal/bar gegaan waar voor ons nog speciaal de bar geopend bleef.

 

Dag 16: vrijdag 23 november 2007.

Omstreeks 09.00 uur ’s morgens vertrekken wij en gaan verder met de bus terug naar Paramaribo en checken in hotel Eco Resort. 

Ondanks de vermoeidheid hebben Loes, Jan en Jenny, Dick en Roy zich toch aangemeld om met Vrensky op vogeltoer te gaan. Het was, waarschijnlijk door de regen van gisteren –de regentijd komt er nu echt aan– erg mistig en de vogels hadden ATV of zo. Zelfs de twee groepen apen die in de buurt veelvuldig te zien zijn hielden zich schuil en ‘muis’stil. Wel kon Vrensky allerlei bloemen en planten toelichten. Op de weg terug lieten enkele vogels zich wel weer horen; onmiddellijk werden ze door Vrensky geïdentificeerd. Het huisje van Loes en Rob was het nieuwste. Aangrenzend was men nog met de bouw van een nog nieuwere bezig. Voor wat de gebruikte ‘zwevende’ steigers en trappen en zo betreft zou dit in Nederland direct door de Arbeids Inspectie afgekeurd worden. Slappe, losse en bewegende loopplanken als steiger en nog meer voor ons gevaarlijke toestanden mogen hier wel. Surinamers vallen dus niet of misschien net zo snel als ze werken waardoor ze zich niet bezeren? Na het ontbijt nog op de aanlegsteiger genoten van alles en nog wat. De eigen zorgen zijn ver weg en  lijken hier minder ernstig te zijn. Voor ons lijkt dit nu in ieder geval een wat minder problematische wereld omdat we van begin tot einde dag geregeerd worden door het programma van Sun & Forest en dus eigenlijk nergens echt zelf voor hoefden te zorgen. Maar, dit is voor ons een schaduwwereld en onze eigen echte wereld is volgende week weer actief.

Om 15:30 terug in het Eco Resort waar we nog lang moesten wachten op onze kamers. ‘s-Avonds met zijn allen pannenkoeken gaan eten en dat beviel iedereen goed. Groep gesplitst de avond verder doorgebracht in de stad, in ’t Vat of op de kamer. ‘t Is mooi geweest zo.

 

Dag 17: zaterdag 24 november 2007 Vrij te besteden. 

Iedereen ging zijns weegs en men heeft zich ongetwijfeld de gehele dag zonder de anderen van de groep kunnen vermaken. Jan werd opgehaald door dhr. Zandgrond vanwege hun gezamenlijk verleden met de boten (S401 t/m S404). Jenny en Loes zijn de stad ingegaan om Indianensouvenirs te kopen die ze te Christiaankondre zijn misgelopen. Rob liep achteraan als drager. Ook moest er nog een toilettas voor Jan worden gekocht en dat bleek de moeilijkste opdracht van de ochtend te worden. Sommige winkels konden zich van een toilettas voor mannen helemaal geen enkele voorstelling van maken. Na lang zoeken bleken er in heel Paramaribo maar twee te zijn. Snel eentje gekocht en nu is er nog maar een over. Jan, Jenny, Loes en Rob zijn weer bij de Braziliaan gaan eten wegens succes van de vorige keer. Daar kwamen we ook Pieter, Arend en Fenny tegen. 

 

Dag 18: zondag 25 november 2007 Onafhankelijkheidsdag Vrij te besteden. 

Srefidensi ofwel onafhankelijkheidsdag (staatkundig dan).

Om 08:30 uur waren we op het plein aanwezig om een goede plaats te vinden om een en ander te kunnen zien. Het was nog helemaal niet druk en dat vonden we wel een beetje vreemd. Om 09:00 uur kwamen de eerste militairen, begeleidt door de muziek van de Surinaamse Militaire Kapel het terrein opmarcheren en al snel stond het helemaal vol. Wij stonden om 08:45 uur nog ruim in de schaduw maar toen de president eindelijk de troepen ging inspecteren was het officiële gedeelte ook direct over en stonden we al ruim 1½ uur in de zon te bakken. Het was nu al 11:00 uur geworden. De militairen hoefden niet zoals wij vroeger met Koninginnedag vanaf het PBK te lopen en weer terug. Ergens aan de zijkant bij het presidentiële paleis (vroeger dus gouvernementsgebouw) konden ze in een bus en wegwezen. Slappe hap of niet? Persoonlijk denk ik wel dat als het officiële gedeelte pas om 10:30 uur begint de militairen niet vanaf 09:00 uur in de zon hoeven te staan. Tijdens het wachten werden onder de militairen plastic flesjes (ja, ze zijn er weer) doorgegeven en daar zal het natuurlijk aan liggen. Die hadden we ‘onze’ tijd niet. Al met al, lang wachten voor weinig show. Duidelijk werd ons wel dat acclimatiseren niet voor niets nodig is. Het aanwezige Franse detachement deed het beter dan onze mariniers en die deden het op hun beurt weer beter dan de jongens van de Lucht Mobiele Brigade. De laatsten waren koud een week in het warme Suriname.

Met beter doen bedoel ik: het volhoudenmetstilstaanparadespel van de organisatie. Van de LMB werden aan de achterzijde van de presentatie nog wat jongens vervangen die dreigden door de hitte te worden bevangen. In de optocht was het detachement fietsende politie ook aanwezig. Hiervan hebben we pas nog een documentaire over de opleiding in Nederland gezien.

Na dit gedoe hebben we nog een uurtje of zo door de Palmentuin gewandeld en daar alle kraampjes en stalletjes bekeken. Daarna langs de Waterkant geflaneerd en ons vergaapt aan alle soorten klederdracht die we zagen. Helaas hebben we niet de echte kotomisi’s gezien, wel iets wat er op leek. Bijna uitgeput terug in het hotel een uurtje siësta gehouden en daarna lekker gezwommen bij Torarica. ‘s-Avonds via het pannenkoekenrestaurant bij ’t Vat aangekomen en het daar nog even volgehouden. Veel praten kon niet want de herrie was te veel. Vooral een Braziliaanse band maakte het erg gortig. Het zette echter de omstanders niet aan tot dansen en dat is bijna onbegrijpelijk. De muziek ging helmaal je botten in en was opzwepend genoeg. Misschien moeten nog voldoende vrolijke drankjes ingenomen worden. Wij hebben daar niet meer op gewacht en zijn tegen 22:00 uur gaan slapen.

 

Dag 19: maandag 26 november 2007 Vrij te besteden.

Suggesties: Lekker nagenieten bij ’t Vat onder het genot van een Parbobiertje, shoppen in downtown, handycrafttour. ’s Avonds wordt u een gezellige avond met zang en dans inclusief diner aangeboden door Sun & Forest Tours Suriname. 

Deze dag was op de avond na niet vol gepland. Toch was het Pieter gelukt geregeld te krijgen dat we het P Beatrix K te Zanderij mochten bezoeken. Wie wilde nu Sr$ 30 p.p. besparen en Zanderij niet zien? Niemand en dus om 09:00 uur waren we dan ook al op weg. Het kampement is niets veranderd en ziet er nog vrij goed uit ook. Niet zo ontstellend verlopen als zijn afkortingsgenoot in Paramaribo het P Bernard K. Eigenlijk werd er bij ons nooit gesproken over Beatrix of Bernard. Gewoon Zanderij en PBK, dat was duidelijk genoeg. Ja, dat je hier 3 maanden van je leven hebt doorgebracht. Het lijkt dan ook onwerkelijk ver weg en alleen de heel speciale dingen die je uitgehaald had waren eigenlijk nog een herinnering aan die tijd. De rest is weggezakt. Het schijnt echter wel zo te zijn dat als je dementer wordt het weer bovenkomt. Ik hoop voor de luisteraars van dan dat het interessant of leuk genoeg is. Mijn beste herinneringen gaan naar de vlaggenmast met een kat in top en het door 60 Surinaamse dienstplichtigen laten missen van een ochtendappél. Dan heb je nog de OP savanne, het VPTLdorp en natuurlijk de Colakreek. De omgeving van de Colakreek is wel iets aangepast aan niet militair bezoek. Er staan nu toilethuisjes en een tweetal overkappingen waar je kunt schuilen tegen de regen of de zon. Verder is er nogal wat wit zand gedumpt om strandjes te maken. De spoorbrug is er nog en het water nog even bruin. Sommige dingen veranderen niet.

Op de terugweg naar Paramaribo zijn we gestopt bij een klein houtsnijdertje. Daar kon de traditionele klapstoeltjes, dito tafeltjes en allerlei ander houtwerk gekocht worden. Van deze gelegenheid werd wel gebruik gemaakt. Ook was er een toilet en dat schijnt voor de dames die er gebruik van gemaakt hebben een niet te vergeten gebeurtenis geweest te zijn. Ik weet het niet. Je moet het ze zelf vragen. In Onverwacht het oude station bezocht vanwaar enkelen van ons naar Brownsweg zijn vertrokken. De treintjes staan er nog maar hebben niet meer de blauwe kleur. Verder lijken alle oude treintjes en wagons van weleer er nog te staan, of in de buurt of wat verder weg maar dan al helemaal overgroeid met struiken. Deze manier van transport is dus definitief niet meer in gebruik. Iemand die treintjesgek is weet misschien niet dat dit er nog allemaal is. Misschien kan de Surinaamse regering hier nog wat aan verdienen door er wat meer publiciteit aan te geven. Geen idee. Misschien is het niet speciaal genoeg en komen alleen ex-TRISsers hier nog naar kijken?

De rest van de dag hadden we weer vrij en konden we bijkomen van de gehele reis of weer lekker zwemmen. Bij ’t Lekkerbekje vis gegeten en maar even een siësta gehouden. Went wel snel dat slapen ’s-middags. De regentijd lijkt nu echt begonnen want de hele dag zijn er wel dreigende wolken die elk moment hun lasten kunnen laten vallen. Het heeft vandaag echter maar alleen in de ochtend even geregend. Verder nog niet. Om 19:00 uur worden we opgehaald voor het afscheidsfeest dat door Sun & Forest voor ons is geregeld.

Het bleek op een privé-adres te zijn en de eigenaar, of feestregelaar, had gekookt en de schalen met eten stonden klaar. We konden meteen aanvallen en daartoe werden we ook uitgenodigd. We lieten ons dan ook niet tegenhouden. Er lag een bak met rijst en dito bami voor twee pelotons; alles zag er prima uit en smaakte uitstekend. Best pittig ook wel. Vooral die gesneden plakjes tomaat zagen er heerlijk uit. Er lagen er niet veel dus Jenny nam er maar een paar van. Oei, Madame Jeanettes. Ze kon even een uurtje of zo niets zeggen maar daarna liet ze met dansen een voetenwerk zien waar iedereen jaloers op werd; wij wisten niet dat ze dat in zich had en zij ook niet. Na het eten kwam er ook wat Parbo tevoorschijn. Wat kunnen we nu nog anders drinken en hoe moet dat als we terug zijn in Nederland? Nadat het eten de tijd had gekregen om te zakken en de overgebleven holtes in de maag langzaam volliepen met Parbo, we diverse keren gestoken waren door muskieten (de eerste keer dat dit op deze reis op grote schaal gebeurde), kwam de dansgroep. Deze kregen ook eten aangeboden en niet lang daarna begonnen de twee jongens van de apinties met het opwarmen van de trommenvellen. De dansgroep stond onder leiding van een ca. 30jarige dame en verder uit een 12- 20- en 25-jarige. Dat zijn allen mijn schattingen.

Vrensky legde uit wat er ging gebeuren en wat de dames gingen uitbeelden. Ook zou als laatste een dans komen met wat Franse invloed. Alle dansen gingen over vrouwen die alleen zijn, het zware werk moeten doen en wachten op hun man. Interessant was de verschillen in expressie te zien die, ondanks dat alle vier de vrouwen dezelfde bewegingen maakten, m.i. door de leeftijd (en dus ervaring op dat gebied) wordt veroorzaakt. De dans met de Franse invloed was meer seksueel getint dan de andere dansen. Wel werd hier ook op een manier met de bilspieren omgegaan als je voor onmogelijk houdt en ook voor ons niet uit te voeren is. Hier gaat veel training aan vooraf. De meesten werden om beurten uit de groep toeschouwers geplukt om een stukje mee te doen. We probeerden zo goed mogelijk de billen ook die bewegingen te laten maken maar dat proberen alleen al had de volgende dag rare spierpijn tot gevolg. Alleen al de gedachte dat een vrouw met deze bewegingen je benadert doet je de adem benemen. En nog meer denk ik als het er nog van komen kan. Maar ja, praatjes vullen geen gaatjes, hè Leo. Jenny had dus niet aan de dansi weten te ontkomen ondanks dat zij zich (en zij heus niet alleen hoor) een beetje achter een tafel had opgesteld. Maar ja, als snel kwam vrijwel iedereen aan de beurt en de dansi werd afgesloten door de groep met iedereen. De apintiespelers waren eigenlijk met zijn drieën en om de 20 minuten werd er afgelost, helemaal drijf van het zweten. Zwaar werk hoor.

Een heel geslaagde afscheidsavond. Bij de leidster van de groep nog een CD gekocht waarvan iets op de herinnerings-CD, door Pieter gemaakt, zal worden gezet.

 

Dag 20: dinsdag 27 november 2007 Vertrek.

Omstreeks 15.00 uur wordt u opgehaald bij uw hotel voor uw terugreis naar Nederland.

De een na laatste dag van de tour maar de laatste dag in Suriname. Dit wordt een dag van inpakken, wachten, slenteren, de tijd doden, wachten, naar Zanderij, weer wachten, langs de balie om de koffers in te leveren, wachten, door de douane, wachten, door de controle en wachten tot we aan boord mogen. Dan 8 uur vliegen en het hiervoor beschreven protocol andersom helemaal opnieuw want we zijn een top risico groep. In Nederland is het 7ºC, met regen en veel wind. We verheugen ons er niet op en dat is ergens een goed teken. Het ons hier dus uistekend bevallen.

 

Dag 21: woensdag 28 november 2007 Aankomst in Nederland.

De stoelen in de “Lima” waren dezelfde als op de heenreis en toch waren we gebroken toen we aankwamen. Slapen of wegdommelen lukte niet en iedereen had dezelfde ervaring. De heenweg hadden we die ervaring niet dus het zal wel een teken zijn van algehele vermoeidheid van de hele reis. Toch zou ik het zo overdoen als er zulke 20 dagen aan vooraf zouden gaan.

 

Dankwoord

Dit is mijn bijdrage aan deze fantastische reis.

Dit verslag is maar een gedeelte van wat we meegemaakt hebben en natuurlijk kan dit niet verhalen wat ieder in de groep heeft meegemaakt. Ik hoop wel dat het een leidraad voor herinneringen voor iedereen kan zijn en zo heb ik het ook bedoeld. Persoonlijk heb ik de “vakantie” van mijn leven meegemaakt want wanneer maak je mee dat je met mensen die je niet kent dezelfde herinneringen kunt ophalen en deze dan vervolgens delen met je vrouw. Mijn vrouw heeft minstens zo genoten van deze reis als ik. Het weer was goed en de hotels, verplaatsingen, excursies, de gids, de kokkin enz. waren uitstekend verzorgd.

De groep mensen ging uitstekend en soepel met elkaar om en dat heeft zeker bijgedragen tot een prettig terugkijken.

Rob de Leur


 

Op 1 december is een groep ex-TRISsers bij Moengo overvallen en dat is één week nadat wij daar waren. De reis is dus niet zo ongevaarlijk als uit bovenstaand verslag lijkt.

 

 

 

Steun aan Jaw Jaw

Pakketten voor Jaw Jaw naar het volgende adres' Brieven kunnen gestuurd worden naar bovenstaand adres maar ook
Dhr. N.Fonkel, Dhr. N.Fonkel
Pater Voorbraak school Jaw Jaw Pater Voorbraak school Jaw Jaw
p/a Stg. Rooms Kath. Bijzonder onderwijs Jaw Jaw
Henk Arronstraat 68 District Sipaliwini
Paramaribo Suriname
Tel: RKBO 0477010.  Dit nummer moet op de verpakking genoteerd staan zodat ze contact op kunnen nemen als het pakket er is.  
Tel: School 08804621  
   
Pakketten opsturen  
Dit gaat via Jos Steeman.  
Zij hebben dozen van verschillende maten.  
Het gaat dan ook per liter en niet per kg.  
Men kan het beste met hun opnemen wat de dozen betreft.  
   
Het hoofdkantoor zit in Alkmaar

 

Jos Steeman of Jos Steeman Alkmaar B.V.
Smaragdweg 5 Bijlmerdreef 1133/A
1812 RJ Alkmaar

1103 TT Amsterdam

Tel: 072 5413000 Tel: 020 6903148
   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Recepten van thea

 

Recepten van Thea

 

Koude macaronischotel.

Macaroni in ruim water koken
Kip koken met zout. Kip uitpluizen.
Knoflook, uien, pre, in olie licht aanfruiten; daarna paprika, maïs even meebakken

Afblussen met kippenbouillon, de kip toevoegen.

Als alles koud is, alles bij elkaar voegen, mayo en stukjes appel doorroeren.
Voeg suiker toe indien de smaak opgepept moet worden.
Serveren.
 
Botervis
Vis in stukken hakken en in hete olie goed aanbakken.

Saus:   apart in andere hete olie ui fruiten,

ketchup, chilisaus (tabasco) toevoegen en even laten sudderen.
Vis erbij voegen (niet te lang anders wordt de vis slap)
Opdienen na garneren met selderij en prei

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

konlijke boot

 

 

Met de ‘Koninklijke Boot’ naar Suriname

 

Het transport van Nederlandse militairen naar Suriname

 Eduard R. Baaij TRIS 70-1 B-Cie 1e Pel

 

Het transport van Nederlandse militairen naar en van Suriname gebeurde tot eind 1972 per passagiersschip. Tijdens de laatste drie jaren van het Nederlandse bewind in Suriname, van 1972 tot de onafhankelijkheid in 1975, werden de militairen met vliegtuigen van de KLM vervoerd.

Omdat het troepentransport naar de Nederlandse overzeese gebiedsdelen in de West op een heel andere schaal heeft plaatsgevonden dan naar de voormalige bezittingen in de Oost, zijn hiervoor geen speciale troepentransportschepen in de vaart geweest, maar werd gebruik gemaakt van de diensten van de KNSM, de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij.

In dit artikel wordt nader ingegaan op de geschiedenis van deze voormalige Amsterdamse rederij en worden de passagiersschepen belicht waarmee na 1945 de overtocht naar de West werd gemaakt. 

De KNSM – een Amsterdamse rederij

De KNSM werd op 1 oktober 1856 opgericht door twee kooplieden uit Amsterdam. Zij wilden geregelde vrachtvaart uitoefenen met stoom- in plaats van met zeilschepen. Het statutaire kapitaal werd bepaald op 2 miljoen gulden en prins Hendrik ‘de Zeevaarder’, broer van koning Willem III, gaf aan de oprichting een krachtige impuls door als eerste in te schrijven op de uit te geven aandelen.

Stoomvoortstuwing was in die jaren nog een nieuwigheid en het eerste schip van de rederij, de Ondine, een ijzeren schroefstoomschip met een draagvermogen van 300 ton, had nog erg veel weg van een zeilschip. De Ondine maakte haar eerste reis, geladen met stukgoederen, van Amsterdam naar St. Petersburg, Rusland. Het ging de jonge rederij van het begin af voor de wind. De vloot groeide voorspoedig - na een half jaar had de KNSM al vijf schepen varen - en waren lijndiensten geopend op havens aan de Noordzee, de Oostzee en de Middellandse Zee. Vanaf 1912, na een fusie met een andere scheepvaartmaatschappij, de Koninklijke West-Indische Maildienst, werden ook Noord- en Zuid-Amerikaanse havens aangedaan, waaronder Paramaribo. Door deze fusie kwamen voor de eerste keer schepen met namen als Oranje Nassau en Prins der Nederlanden onder de KNSM-vlag te varen. De van de KWIM overgenomen Oranje Nassau was het eerste schip van de rederij dat met een radio-installatie was uitgerust. 

In 1903 werd de Nieuwe Rijnvaart Maatschappij opgericht. Met deze maatschappij beschikte de KNSM voortaan ook over een omvangrijke vloot binnenvaartschepen om de goederen die per zeeschip in de haven van Amsterdam werden aangevoerd via de binnenwateren naar het achterland te brengen.

Op 31 december 1930 voeren maar liefst 91 schepen met de ‘KNSM-pijp’, een zwarte schoorsteen met twee witte banden. Met een totaal van 290.000 ton aan scheepsruimte bevoeren ze de zeven zeeën.

 

 

"De Kroonvaarder"

Tijdens de Eerste Wereldoorlog leed de KNSM enkele gevoelige verliezen, maar de Tweede Wereldoorlog eiste een nog zwaardere tol. Ten gevolge van het oorlogsgeweld en vordering door de bezetter gingen 48 schepen verloren en werd de scheepsruimte met meer dan de helft gereduceerd. In totaal lieten 235 zeevarenden daarbij het leven.

Na 1945 zorgde een omvangrijk nieuwbouwprogramma voor herstel van de vloot. De KNSM had een eigen bouwbureau, dat tevens voor andere rederijen grote en kleine schepen ontwierp. Het aantal schepen van de ‘Koninklijke Boot’, ook wel de ‘Roggebrood’*) genoemd, zou tot 1962 stijgen tot 89 eenheden met een totaal draagvermogen van 330.000 ton. 

*) De KNSM werd wel de Roggebrood-maatschappij genoemd, naar het Deense roggebrood dat in de vorige eeuw vanwege de lange houdbaarheid een hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding aan boord vormde.

Het vaargebied van de KNSM omvatte in die jaren de Noordzee, de Oostzee, de Middellandse Zee, de oostkust van Noord-Amerika, het Caribisch gebied, Midden-Amerika en de westkust van Zuid-Amerika. De schepen vervoerden passagiers, stukgoed, vries- & koellading, vloeibare- & losgestorte lading en post. Een aantal vrachtschepen was uitgerust met laadgerei waarmee zware stukken tot 200 ton konden worden geladen en gelost. Koffie, hennep, huiden - aan boord ‘lege koeien’ genoemd - en chilisalpeter vormden een belangrijk deel van het ladingaanbod.

Tot het bezit van de rederij behoorden ook zes kadebedrijven, waaronder de etablissementen aan de Levant- en Surinamekade in het oostelijk havengebied van Amsterdam, de grote houten steiger aan de Surinamerivier in Paramaribo en de etablissementen aan de Westwerf te Willemstad op Curaçao.

In 1970 volgde een tweede fusie. Toen werd de Koninklijke Hollandsche Lloyd, eveneens een Amsterdamse rederij, door de KNSM ingelijfd. De bedrijfsvoering van de KHL werd echter onder eigen naam voortgezet en haar schepen bleven onder de oorspronkelijke kleuren varen, okergele schoorsteen met een zwarte band. Met de overname van de KHL werd de oostkust van Zuid-Amerika aan het vaargebied van de KNSM toegevoegd.

In datzelfde jaar werden ook een zestal kustvaarders overgenomen van een Rotterdams scheepvaartbedrijf. Drie jaar later kwamen een drietal schepen bestemd voor zware transporten en een grote zeesleepboot de vloot versterken onder de naam Mammoet Transport.

De zware concurrentie van de luchtvaart - een retourticket naar Paramaribo met de KLM werd in de zeventiger jaren goedkoper dan een reis met de KNSM - en de snelle toename van het ladingvervoer per container, betekende niet alleen een onafwendbaar einde van de passagiersvaart, maar ook het afstoten van vele traditionele stukgoed-schepen.

Er zou tot slot nog een laatste fusie volgen. Op 23 februari 1981 werd de KNSM met al haar bezittingen, waaronder 24 schepen, overgenomen door de Koninklijke Nedlloyd Groep en hield daarmee op te bestaan.

 

· ▬ · ▬ ·

De reis naar de ‘West’ 

Voor veel passagiers begon de reis in de ‘Kompaszaal’, de in 1956 gebouwde ontvangsthal voor de passagiers van de KNSM aan de Surinamekade in Amsterdam. In de nadagen van de rederij werd de zaal wel verhuurd aan particulieren. De auteur, die als radio-officier (marconist) op schepen van de KNSM heeft gevaren, heeft op 5 september 1977 zijn huwelijksfeest in de Kompaszaal mogen vieren. 

Met het verdwijnen van de rederij verdwenen ook de havenactiviteiten uit het betrokken gebied. De loodsen en kantoorgebouwen gingen tegen de vlakte en werden vervangen door woningen. Het gebouw met de Kompaszaal is echter voor de sloop behoed en biedt thans onderkomen aan een restaurant.

 

 

Vertrek vanaf de Surinamekade

Vanaf 1945 zijn ten behoeve van het transport van militairen naar Suriname (personeel Koninklijke Landmacht) en naar de Nederlandse Antillen (personeel Koninklijke Marine) een zestal KNSM-schepen actief geweest:

- van 1946 tot 1957 m.s. Bonaire, een aan het begin van de Tweede Wereld-oorlog in de West buitgemaakt Duits schip;
- van 1945 tot 1958 s.s. Cottica, de enige van de zes met stoomvoortstuwing;

- van 1950 tot 1967 m.s. Oranjestad & m.s. Willemstad, tot passagiersschepen verbouwde vrachtschepen;

- van 1957 tot 1972 m.s. Oranje Nassau & m.s. Prins der Nederlanden, twee bijzonder fraaie voorbeelden van na-oorlogse Nederlandse scheepsbouw.
De schepen waren allen van het type half-vracht/half-passagiersschip.

De Oranjestad & Willemstad

De passagiersaccommodatie aan boord van de Oranjestad en de Willemstad was verdeeld in drie klassen. Voor de officieren waren 1e klas hutten beschikbaar op het brugdek en aan stuurboordzij op het bovendek. Zij hadden hun eetsalon eveneens op het bovendek. De onderofficieren zaten in de hutten toeristen klasse op het boventussendek aan bakboord en stuurboord van ruim IV en hadden een deksalon aan de achterkant op het bovendek.

 

Ten behoeve van 62 soldaten waren op het boventussendek zeven grote hutten rond de laadschacht van ruim II gesitueerd; vier aan bakboord, resp. 6, 10, 10 en 8-persoons, en drie aan stuurboord, resp. voor 10, 10 en 8 personen. Men deelde 6 toiletten en 5 douches. Alle hutten waren voorzien van wastafels. Er werd geslapen in stapelbedden; eenvoudige stalen open ledikanten die twee-aan-twee tegen elkaar waren geplaatst. Tussen de stapelbedden waren zogenoemde ademschotten aangebracht.

Via een trap naar boven kwam men in de eetsalon die tevens diende als recreatieruimte.

Algemeen plan Oranjestad & Willemstad

 

 

 

De Oranjestad en de Willemstad  kregen in 1957 versterking van de nieuwe zusjes Oranje Nassau en Prins der Nederlanden, die de oudgeworden Bonaire en Cottica kwamen vervangen. De auteur heeft in maart 1970 de uitreis naar Suriname gemaakt met de Prins der Nederlanden en de thuisreis een jaar later met de Oranje Nassau.

 

 Algemeen plan Oranje Nassau & Prins der Nederlanden

 

Een blik op het huttenplan van deze schepen laat zien dat ook hier een deel van de passagiers-accommodatie bewust ingericht en bestemd was voor groepsvervoer.

Volledig afgescheiden van de overige accommodatie hadden de troepen hun eigen hutten, eetsalon en recreatieruimte. Er mocht uitsluitend van het dek rondom ruim II gebruik gemaakt worden. De rest van het schip was voor hen taboe. Alleen bij bijzondere gelegenheden mochten de soldaten de grote accommodatie betreden, bijvoorbeeld aan het eind van de reis ter gelegenheid van het afscheidsdiner. Netjes geschoren en keurig gekleed in het ‘Eerste Grijs’ mochten de soldaten aanzitten in de grote eetsalon op het bovendek. Zelfs voor het versturen van een telegram - de  radiohut bevond zich op het sloependek - moest toestemming worden gevraagd zich in de grote accommodatie te mogen begeven.

De officieren en onderofficieren werden ondergebracht in de 1e klas passagiershutten op het bovendek en het brugdek. Zij gebruikten de maaltijden in de grote eetsalon op het bovendek en konden zich vermaken in de bar en de lounge op het promenadedek.

Voor het groepsvervoer, i.e. de soldaten, waren op het tussendek aan stuurboordzij 13 hutten beschikbaar voor 68 personen. Van voor naar achter:  hut 61 (6 pers.), hut 63 en 65 (2 pers.), hut 67 en 69 (4 pers.), hut 71, 73, 75, 77, 79, 81, 83 en 85 (6 pers.). Iedere hut was voorzien van één of meerdere wastafels. De bedden waren identiek aan die van de Oranjestad en Willemstad: open stalen stapel-ledikanten. Tussen ruim II en de laadschacht voor de proviandkamers bevonden zich de douche- en toiletruimten. De soldaten deelden 8 douches, 9 toiletten en 3 urinoirs met elkaar.

Net zoals aan boord van de Oranjestad en de Willemstad grensde de gang op het tussendek, waarlangs de hutten voor het groepsvervoer gelegen waren, direkt aan de laadschachten van de ruimen I en II. Tijdens het laden en lossen in de Caribische havens werd de gangwand door de tropenzon dermate verwarmd dat de airconditioning het niet meer bij kon houden en het binnen net zo warm werd als buiten.

Aan het eind van de gang, naar de achterzijde van het schip gezien, bevond zich de eetsalon. Daar konden de 68 soldaten echter niet tegelijk plaatsnemen, dus werd er in twee shifts gegeten. Het eten was goed en de bediening sober maar netjes. De soldaten dienden zelf hun kooi op te maken; éénmaal per week werden de lakens gewisseld. Halverwege de gang was een trap naar boven die naar een rooksalon leidde. Vanuit die salon kon men naar het dek.

 De eerste paar dagen op zee trachtte men de verveling enigszins te verdrijven door zich met gymnastiek oefeningen bezig te houden op het luikhoofd van ruim II. Op de Atlantische Oceaan was het weer daar echter vaak te slecht voor en stampte en slingerde het schip teveel, dus werd vertier benedendeks gezocht. Men las een boek, legde een kaartje of hing gewoon wat rond. De scheepsleiding deed in deze ook een duit in het zakje door in de buurt van de Azoren het postbootje aan te kondigen. Iedereen zette zich ijverig aan het schrijven en 's-ochtends om 06.00 uur stond de helft van de soldaten met een grote vlag op het voorschip te zwaaien om de aandacht te trekken van het postbootje, dat natuurlijk nooit kwam. En de scheepsofficieren op de brug maar lachen...

Dagelijks werd een zogenoemde Sweepstake georganiseerd waarbij de passagiers moesten raden hoeveel zeemijlen er dat etmaal waren afgelegd.

 

De 1e klas passagiers hadden op het sportdek de beschikking over een echt zwembad. Voor de soldaten werd, zodra het weer dat toeliet, aan dek naast het luikhoofd van ruim II een zwembad opgetuigd van een paar grote houten schotten en een presenning. Er kon niet echt in gezwommen worden, maar het gaf verkoeling.

De reis naar Paramaribo nam ongeveer drie weken in beslag. De Atlantische oversteek was weinig enerverend - veel passagiers waren zeeziek - maar eenmaal in het Caribisch gebied volgden de exotische havens elkaar snel op:

- Kingston, Jamaica: uitstapjes naar Port Royal en de Botanical Gardens;
- Oranjestad, Aruba: naar het strand;
- Willemstad, Curaçao: Punda, de schipbrug, Otrabanda, Campo Alegre...;
- Georgetown, Brits Guyana: bezoek aan de beroemde Blauwe Kathedraal.

Tijdens de terugreis naar Nederland werden in omgekeerde volgorde dezelfde havens weer aangedaan, alsmede Ponta Delgada op de Azoren.

Aankomst te Curaçao

Technische gegevens van de passagiersschepen: 

m.s. Bonaire

 
m.s. Bonaire
Gebouwd: 1926 - werf: Reiherstieg S.W., Hamburg. 3164 brt - 1857 nrt - 3990 dvm
Afmetingen: lengte 93,66 m - breedte 13,92 m - diepgang 6,63 m
Machine: 2t.e.w. 4 cil. diesel, Sulzer, Winterthur - 1800 pk - 11 kn
Roepletters: PDEQ. Aantal passagiers: 45
In 1940 op Curaçao buitgemaakt en in beheer aan de KNSM gegeven. Augustus 1946 door de KNSM aangekocht. November 1957 voor sloop verkocht naar Hendrik-Ido-Ambacht.
 
 

s.s. Cottica

 
s.s. Cottica
Gebouwd: 1927 - werf: P. Smit Jr, Rotterdam. 3989 brt - 2312 nrt - 3905 dvm
Afmetingen: lengte 94,59 m - breedte 14,19 m - diepgang 8,25 m
Machine: t.e. 3 cil. stoom, Mach. fabr. P. Smit Jr. - 1750 pk - 11,5 kn
Roepletters: PDMR. Aantal passagiers: 88
November 1958 voor sloop verkocht naar Hendrik-Ido-Ambacht.
 
 

m.s. Oranjestad

 
m.s. Oranjestad
Gebouwd: 1938 - werf: C. v.d. Giessen & Zn. als vrachtschip Pericles
Verbouwd tot passagiersschip en herdoopt Oranjestad: 1949/1950 -
werf: NDSM, Amsterdam. 5098 brt - 2855 nrt - 4156 dvm
Afmetingen: lengte 107,61 m - breedte 14,91 m - diepgang 8,79 m
Machine: 2t.e.w. 7 cil. diesel, Stork, Hengelo - 3400 pk - 13,5 kn
Roepletters: PGOP. Aantal passagiers: 155, waarvan 62 groepsvervoer
Mei 1950 in dienst gesteld. Maart 1967 verkocht aan Saudi Lines, Djeddah, herdoopt Mariam B. 1968 geregistreerd in Beirut. Maart 1974 gesloopt in Kaohsiung, Taiwan.
 
 

m.s. Willemstad

 
m.s. Willemstad
-Gebouwd: 1938 - werf: C. v.d. Giessen & Zn. als vrachtschip Socrates
-Verbouwd tot passagiersschip en herdoopt Willemstad: 1949/1950 -
-werf: NDSM, Amsterdam. 5095 brt - 2855 nrt - 4256 dvm
-Afmetingen: lengte 107,61 m - breedte 14,91 m - diepgang 8,79 m
-Machine: 2t.e.w. 7 cil. diesel, Stork, Hengelo - 3400 pk - 13,5 kn
-Roepletters: PIQI. Aantal passagiers: 155, waarvan 62 groepsvervoer
-Februari 1950 in dienst gesteld. Maart 1967 verkocht aan Saudi Lines, Djeddah, herdoopt Noor B. Juli 1973 gesloopt in Kaohsiung, Taiwan.
 
 

m.s. Oranje Nassau

 
m.s. Oranje Nassau (III)
Gebouwd: 1957 - werf: Gebr. Pot, Bolnes. 7215 brt - 3789 nrt - 5690 dvm
Afmetingen: lengte 123,45 m - breedte 17,04 m - diepgang 9,09 m
Machine: 2t.e.w. 6 cil. diesel, Stork, Hengelo - 4500 pk - 15,5 kn
Roepletters: PGOJ. Aantal passagiers: 116 1e kl., 68 groepsvervoer (na 1966: 85 1e kl., 68 groepsvervoer)
September 1972 in Amsterdam uit de vaart genomen. Maart 1973 verkocht aan Empressa Navegación Mabisa, Cuba, herdoopt XX Aniversario en i
n de vaart gebracht als opleidingsvaartuig voor koopvaardij-officieren (150). Gesloopt.
 
 

 

 

m.s. Prins der Nederlanden

 
m.s. Prins der Nederlanden (II)
-Gebouwd: 1957 - werf: P. Smit Jr, Rotterdam. 7221 brt - 3795 nrt - 5620 dvm
-Afmetingen: lengte 123,45 m - breedte 17,04 m - diepgang 9,09 m
-Machine: 2t.e.w. 6 cil. diesel, P. Smit Jr./B&W - 4500 pk - 15,5 kn
-Roepletters: PGVR. Aantal passagiers: 116 1e kl., 68 groepsvervoer (na 1966: 85 1e kl., 68 groepsvervoer)
-Juli 1972 in Amsterdam uit de vaart genomen. Maart 1973 verkocht aan Empressa Navegación Mabisa, Cuba, herdoopt Heroico, later dat jaar Vietnam Heroico en in de vaart gebracht als opleidingsvaartuig voor koopvaardij-officieren (150). In 1984 gekapseisd in de haven van Havana en in 1986 gesloopt.
 
 

 

Gebruikte afkortingen:
brt  - bruto registerton
dvm  - draagvermogen
kn - knopen = zeemijlen/uur
m.s. - motorschip
nrt   - netto registerton
s.s. - stoomschip
t.e. - triple expansie
2t.e.w.  - tweetakt enkel werkend

 

Geraadpleegde bronnen:
-Korver, H.J., Koninklijke Boot, Amsterdam, 1981
-Mulder, P., ERATO-monografie nr. 7: De schepen van de KNSM, Weesp, 1983
-Zuidhoek, A., Onze mooiste Koopvaardijschepen, Deel 2, Alkmaar, 1993
-Bij TRISKONTAKTEN is een videoband verkrijgbaar over de boottocht naar Suriname. De band bevat drie films waaronder "Wij varen naar Paramaribo".
-De videoband is te bestellen bij TRISKONTAKTEN, Postbus 354, 3330 AJ te Zwijndrecht.
-Dit artikel is eerder verschenen in Triskontakten September 1997 en in Triskontakten Januari 1998.

 

2001 Eduard R. Baaij

TRIS 70-1 B-Cie 1e Pel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bibliotheek

 

De opening van de bibliotheek in Jaw Jaw na de watersnood

 

Maandag 13 augustus 2007 zal de geschiedenisboeken niet halen maar het mag toch op zijn minst een bijzondere dag voor Jaw Jaw genoemd worden: na enkele maanden van voorbereidende werkzaamheden werd deze dag in bijzijn van beide kapiteins, het voltallige schoolteam, de leerlingen en enkele andere belangstellenden de bibliotheek officieel geopend.

Er was koek en stroop voor de kinderen (en de vrouwen), bier en sopi voor de mannen, de bibliotheek was versierd bloemen en een palmbladeren boog, er was een heus door te knippen lint en er waren toespraken van het schoolhoofd en kapitein Michel. Ik zelf hield mijn eerste in het Saamaka gesproken toespraak waarvoor ik een enthousiast applaus kreeg.

Hoewel er minder belangstellenden waren dan ik had gehoopt, waren de aanwezige mensen zonder uitzondering enthousiast.

Het is ook een hele mooie bibliotheek geworden!

Het verpauperde gebouwtje dat ik vorig jaar aantrof is omgetoverd tot een prachtige bibliotheek.

Vooral dank zij een royale bijdrage van de Stichting Pater Voorbraakschool van Pieter Nijdam uit Boekel, Nederland, is het mogelijk geweest om het voormalige klaslokaal te renoveren: van binnen en van buiten (en van boven tot onder) opnieuw geschilderd, voorzien van nieuwe shutters, een hele mooie muurschildering door Michel – die ook vrijwel alle andere werkzaamheden heeft verricht - en een nieuwe stoep. Ook RKBO en PAS hebben bijgedragen. Vooral door mijn verblijf in Jaw Jaw mogelijk te maken met de beschikbaarstelling van de dienstwoning van de PAS vorig najaar en toekenning van een onkostenvergoeding. RKBO heeft bovendien gezorgd voor de noodzakelijke boekenkasten en financiële middelen voor aanschaf kantoormaterialen.

Met al die steun is een bibliotheek tot stand gekomen die ongeveer 1600 titels bezit en waar jong en oud tegen geringe vergoeding boeken kunnen lenen.

In de schoolvakantie is de bibliotheek elke middag van 2 tot 5 uur open geweest (de middag bleek al snel beter geschikt om open te zijn dan de ochtend) en bijna elke dag is er door kinderen dankbaar gebruik van gemaakt, om te komen zitten lezen of om boeken te lenen of om te kleuren in door het WWF beschikbaar gestelde kleurboeken.

Met de start van het schooljaar zullen samen met de leerkrachten leesactiviteiten georganiseerd gaan worden.

Dat kan zijn voorlezen voor de jongste kinderen, het maken van werkstukjes voor de 5e en 6e klassers met behulp van boeken uit de bibliotheek, het organiseren van zogenaamde leeskringen waarin kinderen elkaar vertellen over gelezen boeken, misschien na verloop van tijd het opschrijven van Saramakaanse verhalen enz.

Door de activiteiten in te passen in het lesrooster hopen we, zoveel mogelijk kinderen erin te betrekken en ze vertrouwd te maken met boeken en bibliotheken en enthousiast te maken voor het lezen.

Een wens die ik nog koester is dat de bibliotheek uitgebreid kan worden met o.a.

boeken over Suriname

titels van Surinaamse schrijvers (wordt veel naar gevraagd!)

meer boeken voor volwassenen

dvd’s met films of documentaires

Ik hoop dat de bibliotheek een klein steentje zal bijdragen aan het welzijn en de ontwikkeling van het dorp en haar bewoners.

Gelukkig is Jaw Jaw voor het voortbestaan van haar bibliotheek niet van mij afhankelijk. Een van de leerkrachten is (ook) aangewezen als bibliotheekjuf en bovendien is er een bibliotheekinstructie gemaakt zodat het werk ook door anderen voortgezet kan worden. Dus zou ik ooit besluiten weer verder te trekken …

Mijn toespraak (met dank aan Juf Rosita voor de hulp bij de vertaling):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eilerts de Haan, een hydrograaf in het oerwoud

 

Eilerts de Haan, een hydrograaf in het oerwoud

 

Door Eduard R. Baaij

 

Luitenant ter zee 1e klasse J.G.W.J. Eilerts de Haan

 

Luitenant ter zee 1e klasse J.G.W.J. Eilerts de Haan, officier van de hydrografische dienst van de Koninklijke Marine, overleed op 29 augustus 1910 aan malaria tijdens een expeditie in de binnenlanden van Suriname. Het graf van deze marineofficier aan de bovenloop van de Gran Rio is sindsdien meerdere malen het doel geweest van Nederlandse expedities. De meest bekende expeditie naar het graf vond plaats in februari 2000, tijdens welke door National Geographic Channel de documentaire Jungle Grave werd gemaakt.

Wie was deze marineofficier en wat deed hij in de jungle van Suriname.

Johan Gijsbert Willem Jacobus Eilerts de Haan werd op 3 oktober 1865 geboren in Noordwolde in Friesland, als derde zoon van Anneus Frederik Eilerts de Haan (1834-1899), theoloog en predikant te Noordwolde, en Fenna Henrietha Doedes Breuning (1840-1890). De familie Eilerts de Haan kent een lange traditie van predikanten. Johan’s oudere broer Doede (1864-1937) was theoloog en predikant in onder andere Borger en Heiloo1. Zelf verkoos Johan een carrière bij de Koninklijke Marine. J.G.W.J. Eilerts de Haan trad in 1882 als adelborst 3e klasse in de zeedienst op het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder. In 1886 werd hij benoemd tot adelborst 1e klasse en maakte hij een reis naar West-Indië op Hr.Ms. Atjeh. In 1887 vertrok hij voor de eerste keer naar Nederlands-Indië waar hij onder andere deelnam aan de blokkade van Atjeh. Hij werd op 21 februari 1889 tot luitenant ter zee 2e klasse benoemd. Tijdens zijn tweede verblijf in Nederlands-Indië van 1896 tot 1898 deed Eilerts de Haan dienst als oudste officier op Hr.Ms. opnemingsvaartuig Banda. Op 1 augustus 1900 werd hij bevorderd tot luitenant ter zee 1e klasse2.

Terug in Nederland volgde verdere bekwaming in hydrografie aan het Departement van Marine in Den Haag. Voor zijn ontwikkeling tot hydrograaf is echter vooral van belang geweest dat hij in 1903 korte tijd gedetacheerd werd bij de sterrenwacht in Utrecht voor verdere studie in astronomische vaardigheden. Aan het eind van hetzelfde jaar vertrok hij voor de derde keer naar Indië om gedurende drie jaar het gezag te voeren over het opnemingsvaartuig Hr.Ms. Van Doorn. Behalve het in kaart brengen van grote delen van de Nederlands-Indische wateren, heeft hij in die jaren ook meegewerkt aan de ontwikkeling van een nieuwe manier om getijden te voorspellen3.

"Alleen doode visschen drijven met de stroom mee"

Johan Eilerts de Haan bezat een kritische geest, evenals een scherpe pen en schrok er niet voor terug beide te gebruiken om wantoestanden binnen de Koninklijke Marine aan de kaak te stellen. Zijn bekendste exercitie in deze richting was een artikel geschreven onder het pseudoniem ‘Polaris’ met het veelzeggende motto "There is something rotten in the navy" dat op 10 december 1891 in het Algemeen Handelsblad verscheen4. In dat artikel haalde hij fel uit naar de onverschilligheid die aan het eind van de negentiende eeuw algemeen heerste bij de Koninklijke Marine. Er was veel ontevredenheid onder de officieren waardoor velen, vooral jongeren onder hen, teleurgesteld de krijgsmacht verlieten. Het zat Eilerts de Haan dwars dat aanvankelijke ambitie bij jonge officieren maar al te vaak omsloeg in een gebrek aan ware liefde voor het vak. Eilerts de Haan, die van mening was dat "de betrekking van zeeofficier zoo bij uitnemendheid een betrekking is, waarin oefening en studie hand aan hand moeten gaan", heeft zich erg ingespannen om de oorzaken van deze ontevredenheid boven water te halen en bespreekbaar te maken. Zelf wist hij op heel eigen wijze theoretische vakbekwaamheid aan praktische vaardigheden te koppelen. Zijn bekwaamheden als commandant en als hydrograaf werden geroemd. De laatste tien jaar van zijn leven werd hij zelfs beschouwd als de belangrijkste hydrograaf binnen de Koninklijke Marine, hoewel dat laatste nooit openlijk is erkend.

Luitenant ter zee Eilerts de Haan was behalve een succesvolle marineofficier een verdienstelijke zeezeiler en jager op groot en klein wild. Hij is nooit gehuwd geweest.

Na een aantal jaren hydrografisch werk in de Nederlands-Indische archipel te hebben verricht, waarbij hij vooral onbekende delen van Borneo en Celebes in kaart heeft gebracht, nam Eilerts de Haan in opdracht van het in 1873 opgerichte Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap de leiding op zich van een tweetal expedities in Suriname om de oorsprong en bovenloop van de Suriname en de Corantijn in kaart te brengen. Zowel in Nederlands-Indië als in Suriname moesten nog veel witte plekken op de kaart worden ingevuld.

Het KNAG organiseerde na haar oprichting een reeks onderzoekingstochten met als doel het toen nog grotendeels onbekende binnenland van Suriname te karteren. Tussen 1901 en 1911 werden zeven expedities uitgerust waarbij het grootste gedeelte van het midden en zuiden van Suriname door middel van driehoeksmeting in kaart werd gebracht. Tijdens de eerste vier expedities werden de stroomgebieden en het omliggende terrein van respectievelijk de Coppename, de Saramacca, de Gonini en de Tapanahoni verkend en gekarteerd. Behalve kartering kregen de expeditieleden ook de opdracht om zoölogische, botanische en etnografische collecties aan te leggen. De vijfde expeditie naar het Toemoekhoemak gebergte werd geleid door officier der Mariniers en cartograaf C.H. de Goeje die een grote deskundigheid als etnograaf verwierf en een grote verzameling voorwerpen heeft aangelegd van de Oyana- en Trio indianen.

De zesde Suriname-expeditie van het KNAG vond plaats van juni tot en met november 1908 en vormde een zoektocht naar de oorsprong van de Suriname. Minister A.W.F. Idenburg van Koloniën was bereid gevonden voor dat jaar een bedrag van twintigduizend gulden op de koloniale begroting op te voeren om de expeditie van voldoende financiële middelen te voorzien.

Suriname in 1905. Beneden de 4º NB is het binnenland nog onbekend gebied
 
De opdracht van de zesde expeditie werd door het KNAG als volgt omschreven:
Het verkennen van het bovenstroomgebied van de Suriname.
Trachten de bergtriangulatie5 van de oostelijke expedities (Tapanahoni en Gonini) te verbinden aan die van de westelijke (Coppename en Saramacca).
Zo mogelijk uit het brongebied van de Suriname de waterscheiding met het stroomgebied van de Corantijn over te trekken.

 

Eilerts de Haan werd aangesteld als leider van de expeditie. Zijn tweede man was de marineofficier R.H. Wijmans. Beiden kregen bovendien de opdracht om steenmonsters te verzamelen. Het verzamelen van zoölogische en botanische gegevens lag in handen van officier van gezondheid J.H.A.T. Tresling. In Paramaribo voegde mijningenieur Miljard zich bij het gezelschap. Miljard zou zorg dragen voor het operationele gedeelte van de expeditie.

Dankzij nauwkeurige informatie van zijn voorganger C.H. de Goeje was Eilerts de Haan in staat zich grondig op de voor hem liggende taak voor te bereiden. Zijn verslag Bovenstroomgebied van de Suriname begint met een plan de campagne: "Achtereenvolgens zullen de Pikienrio en de Granrio worden opgevaren en in kaart gebracht. Vanuit de Pikienrio zal een landtocht worden gemaakt naar een berg van 450 m., voorkomende op de kaart van de Tapanahoni-expeditie. Van uit de Granrio zal een dergelijke tocht worden gemaakt naar de Franssen-Herderschee-piek. Door opmeting der bergpanorama’s uit deze twee toppen wordt de ontbrekende schakel in het bergdriehoeksnet van Midden-Suriname verkregen, terwijl de verkenning van het terrein be-Westen de F.H.-piek den leider in staat zal stellen de plannen verder te ontwikkelen."

Op 30 juni 1908 gaat de expeditie vanuit Paramaribo op pad. De uit vier blanken, twee indianen en zesentwintig creolen bestaande ploeg arriveert een paar dagen later in Boschland waar de eerste moeilijkheden met de Marrons6 zich voordoen. De beloofde korjalen en personeel zijn er niet en de contactpersoon, een Marron met de naam Alexander, probeert de zaak naar zijn eigen hand te zetten. Eilerts de Haan laat echter niet met zich spotten en weet door dwingend, maar ook diplomatiek optreden uiteindelijk de Marrons achter zich te krijgen en een goede en werkbare verstandhouding met hen te creëren. Dat was meer dan zijn voorgangers voor elkaar hadden gekregen, want eerdere expedities werden door wederzijds onbegrip nogal eens tegengewerkt door niet alleen de ingehuurde Marrons, maar ook door bewoners uit lokale dorpen.

Na een week de Pikien Rio te zijn opgevaren wordt de 450 meter hoge heuvel van de Tapanahoni-expeditie gevonden en beklommen. Deze heuvel, die Ananasberg wordt genoemd vanwege de vele ananasplanten, zal als eerste ijkpunt dienen voor de bergtriangulatie van dit gebied. Vanuit dit punt werd de verdere kartering opgezet. De tocht op de Pikien Rio heeft in totaal vierentwintig dagen in beslag genomen. De volgende tocht van de expeditie is het opvaren en opmeten van de Gran Rio om het tweede ijkpunt te bereiken, de Franssen-Herderscheepiek. Uit de landmeetkundige opneming van de omgeving blijkt nu ook dat het Wilhelminagebergte geen aansluiting heeft met het Toemoekhoemakgebergte. Na opmeting van enkele kleinere bergtoppen en de meest zuidelijke top van het Wilhelminagebergte wordt het eindpunt van de Gran Rio bereikt. De expeditie wordt nu ingekrompen en Miljard gaat met een deel van het personeel terug naar Goddo. Eilerts de Haan zet de tocht over land voort in westelijke richting naar het laatste ijkpunt, een 800 meter hoge bergtop. Onderweg kruist de expeditie een onbekende rivier die in noordwestelijke richting stroomt. De expeditieleider veronderstelt dat deze rivier een belangrijke waterleverancier vormt voor de westelijker gelegen Corantijn en noemt haar Lucie, naar zijn petekind in Nederlands-Indië. De ontdekking van de Lucie rivier is vooral belangrijk geweest voor de expeditie naar de bovenloop van de Corantijn omdat de Lucie door het scheidingsgebied loopt tussen de stroomgebieden van de Suriname en de Corantijn. De bovenloop van de laatste rivier kon nu gemakkelijker bereikt worden.

Op 20 november keerden Eilerts de Haan en zijn metgezellen terug in Paramaribo. De expeditie was in alle opzichten geslaagd. Alle drie doelstellingen werden behaald: de bovenloop van de Suriname rivier was verkend en gekarteerd, waarbij dit deel van Suriname gekoppeld werd aan het bestaande triangulatienet en de waterscheiding tussen de stroomgebieden van de Suriname en de Corantijn bleek relatief eenvoudig over te trekken via de Lucie.

Anderhalf jaar later volgde de zevende KNAG-expeditie met als doel het stroomgebied van de Corantijn te verkennen. De Corantijn-expeditie werd door KNAG-voorzitter J.W. IJzerman begroot op 36.000 gulden, waarvan het KNAG de helft voor haar rekening zou nemen. De nieuwe minister van Koloniën J.H. de Waal Malefijt bracht de andere helft op de koloniale begroting. De leiding van de zevende expeditie berustte weer bij Eilerts de Haan. De tweede man was eveneens een marineofficier, luitenant ter zee 2e klasse Conrad C. Käyser. Dr. K.M. Hulk, officier van gezondheid, ging mee voor zoölogisch en botanisch onderzoek. Het doel van de expeditie was om vanaf de bovenloop van de Gran Rio een doorsteek te maken naar de tijdens de vorige expeditie ontdekte Lucie rivier en deze op te varen tot aan de Corantijn. Vervolgens zou de Corantijn tot aan haar zeemonding worden afgevaren. Door middel van bergtriangulatie zouden ook die gebieden van Suriname worden gekarteerd.

Op 10 juni 1910 vertrekken Eilerts de Haan, Käyser en Dr. Hulk uit Holland. Eenmaal in Paramaribo reist Eilerts de Haan onmiddellijk naar Gansee om te voorkomen dat zich dezelfde moeilijkheden met de Marrons voordoen als de vorige keer. Hij neemt ter plaatse tweeëndertig creolen aan. De opvaart op de Suriname verloopt volgens plan en op 2 augustus is de expeditie in Goddo. Een paar dagen later, als de laadboten en drie gidsen aan de expeditie zijn toegevoegd, besluit Eilerts de Haan te vertrekken en de Gran Rio op te varen. De expeditie is goed en wel op gang als het noodlot toeslaat. Op 18 augustus sterft een van de creolen aan malaria wat door de overige creolen als een slecht voorteken wordt gezien. Vervolgens wordt de expeditieleider zelf ziek. Hoewel de koorts aanvankelijk verdwijnt, komt deze een paar dagen later zo hevig terug dat de luitenant ter zee in coma geraakt. Op 29 augustus overlijdt Johan Eilerts de Haan zonder nog bij kennis te zijn geweest aan de gevolgen van malaria. Diepbedroefd begraven de overgebleven expeditieleden de onfortuinlijke marineofficier in een sober graf. "Den 29sten Augustus. Diep ontroerd sloten wij hem de oogen, den man, die daar in de eenzame wildernis, ver van vrienden en familie, zijn leven liet voor de goede zaak, waaraan hij reeds zoolang zijn beste krachten had geschonken.", schreef Käyser die dag in zijn dagboek. De geografische positie van het graf werd bepaald als 03° 43’ Noorderbreedte, 056° 20’ Westerlengte.

Na de dood van Eilerts de Haan nam Käyser de leiding van de expeditie op zich en voltooide deze verder succesvol. Ook deze keer werden alle doelstellingen gehaald. Het laatste stuk onbekend Suriname werd in kaart gebracht en er werd een respectabele hoeveelheid zoölogisch en botanisch materiaal verzameld.

Ter nagedachtenis aan luitenant ter zee Eilerts de Haan werd op 5 december 1912 in Paramaribo een monument onthuld, vervaardigd door beeldhouwer Bart van Hoven. Dat monument, een borstbeeld op een zuil met inscriptie, heeft jarenlang op het Valliantplein gestaan, totdat het daar in 1966 plaats moest maken voor het Nationaal Monument. Na enige omzwervingen kwam het borstbeeld uiteindelijk in de tuin van het Surinaams museum terecht (Grote Combéweg tegenover het Leidsche plein, vlak voor de Burgerlijke Stand)9.

De bergketen waar de Lucie, de Gran Rio en de Pikien Rio hun ontstaan vinden, werd Eilerts de Haan Gebergte genoemd.

Ook de Koninklijke Marine eerde de omgekomen hydrograaf voor zijn vele hydrografische en topografische werkzaamheden, door een opnemingsvaartuig naar hem te vernoemen.

De taak van een opnemingsvaartuig bestaat uit het in kaart brengen van zee- en kustgebieden. Het is natuurlijk voor de zeeman van het grootste belang dat hij (of zij) voor het voeren van een nauwkeurige navigatie de beschikking heeft over zo nauwkeurig mogelijke zeekaarten. Het verloop van de kustlijn, de diepte van vaargeulen, gegevens over stroomrichtingen en de posities van voor de scheepvaart gevaarlijke objecten als wrakken, riffen en ondiepten zijn voor de zeeman belangrijke gegevens waarop hij zijn navigatie baseert. Het opnemen en verwerken van al deze gegevens wordt uitgevoerd door officieren van de Hydrografische Dienst van de Koninklijke Marine op speciaal hiervoor uitgeruste opnemingsvaartuigen. Hr.Ms. Eilerts de Haan was zo’n opnemingsvaartuig.

De kiel voor Hr.Ms. Opnemingsvaartuig Eilerts de Haan werd op 7 juli 1918 gelegd bij de Maatschappij voor Scheeps- & Werktuigbouw ‘Feyenoord’ te Rotterdam onder bouwnummer 285. De tewaterlating was op 25 juni 1919. Op 3 maart 1921 volgde de proefvaart en op 25 april 1921 de officiële indienststelling bij de Koninklijke Marine.

Het schip mat 353 ton bij de volgende afmetingen: lengte 45m, breedte 7m, diepgang 2m.

Twee triple-expansie stoommachines van 300 ipk elk zorgde voor een dienstvaart van 12 knopen. De benodigde stoom werd geleverd door twee oliegestookte waterpijpketels. De bunkercapaciteit was 30 ton stookolie. Er was een ton steenkolen aan boord ten behoeve van de kombuis.

De bemanning bestond uit 18 koppen. Het schip voerde geen bewapening en had als naamsein PAEA.

De Eilerts de Haan heeft op de Noordzee en in de Nederlandse kustwateren zonder noemenswaardige incidenten haar taken verricht. Het schip werd op 17 oktober 1931 in Den Helder buiten dienst gesteld en in de ‘mottenballen’ (i.e. conservatie) gelegd11. Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten op 15 mei 1940 viel het aldus ongeschonden in Duitse handen. De Deutsche Kriegsmarine herdoopte de Eilerts de Haan tot hulpopnemingsvaartuig (Hilfvermessungsschiff) Randzel. In Duitse dienst volgde het schip helaas het lot van haar oorspronkelijke naamgever, want in 1945 is het in de Oostzee ten zuiden van het eiland Fehmarn (nabij Schleswig-Holstein) tijdens een zware storm vergaan. Ook van het schip is de geografische positie nauwkeurig bekend. Het is gezonken in positie 54º 22’ Noorderbreedte, 011º 01’ Oosterlengte.

Hr.Ms. Eilerts de Haan werd in de Jane’s Fighting Ships van het jaar 1941 voor het laatst onder die naam geregistreerd. In de annalen van de Duitse Kriegsmarine van de oorlogsjaren 1941/1942 wordt echter geen melding gemaakt van een hilfvermessungsschiff met de naam Randzel.

 

Het zusterschip van de Eilerts de Haan, Hr.Ms. Hydrograaf, heeft de oorlog wél overleefd en tot 1962 dienst gedaan als opnemingsvaartuig bij de Koninklijke Marine. De Hydrograaf vaart thans als partyschip waarmee rondvaarten kunnen worden gemaakt.

 

 

Behalve een naar hem vernoemd schip, werd ter nagedachtenis aan luitenant ter zee 1e klasse Eilerts de Haan in januari 1912 een gedenkplaat aangebracht in een gang, die de Kampagne wordt genoemd, van het hoofdgebouw van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder. De roodmarmeren plaat (90 x 70 cm) bevat een bronzen beeltenis van Eilerts de Haan en de volgende gegraveerde tekst: ‘Johan Gijsbert Willem Jacobus Eilerts de Haan geboren 3 october 1865 overleden 29 augustus 1910 in de binnenlanden van Suriname als leider van eenen wetenschappelijken onderzoekingstocht in het gebied van de Corantijn.

 

 

 

Naar het graf zijn de volgende expedities uitgevoerd:

  In 1926 kwam voor het eerst een expeditie bij het graf. Deze expeditie was eveneens in opdracht van het KNAG met als doel de exploratie van het Wilhelminagebergte. Door expeditieleider G. Stahel werd in de buurt van het graf een gedenksteen met een inscriptie geplaatst.
 

In 1960 ging een militaire patrouille van de TRIS naar het graf onder leiding van kapitein Aschmoneit.

 

In 1972 werd het graf opnieuw bezocht door een militaire patrouille van de TRIS. Patrouilleleider majoor Van der Raay heeft in zijn verslag de locatie en de toestand van het graf uitvoerig beschreven19. Zie ook het verslag van telegrafist Tjeerd Oenema over deze tocht, dat gepubliceerd werd in de TRIS-Kontakten van december 2000.

  In 1996 probeerde expeditieleider Michel Boeijen van Challenge@Travel uit Hilversum het graf te bereiken. Deze expeditie mislukte echter ten gevolge van slechte weersomstandigheden en technische problemen.
  In 2000 probeerde Michel Boeijen het een tweede keer, dit keer vergezeld door Herry E. Eilerts de Haan, een achterneef van de omgekomen hydrograaf. Een succesvol verlopen tocht waarbij het graf werd bereikt op 12 februari 2000. Van deze tocht werd door National Geographic Channel de documentaire Jungle Grave gemaakt.
 

In 2001 een door Evertjan Küster & An Hamel uit Santpoort in samenwerking met Challenge@Travel uitgevoerde expeditie. Eveneens een succesvol verlopen tocht waarbij het graf werd bereikt op 21 februari 2001.

 

In 2003 onder leiding van Edwin van Delden van Challenge@Travel. Herry Eilerts de Haan ging voor de tweede keer mee. De expeditie moest vroegtijdig worden opgegeven wegens uitvallen van de communicatieapparatuur. Bovendien was het jaargetijde verkeerd gekozen. De waterstand in de rivieren was te laag zodat teveel gesjouwd moest worden met de boten en de zware uitrusting.

De TRIS patrouille van 1972

In 1972 kreeg Majoor H.N. van der Raay van de voormalige Troepenmacht in Suriname de opdracht een patrouille door het Surinaamse binnenland te leiden met als doel:

  (1) Vlagvertoon op de Surinamerivier en de Gran Rio
  (2) Het schoonmaken en eventueel herstellen van het graf van Eilerts de Haan

De patrouille bestond uit vijftien militairen van de TRIS, drie motoristen (burgerpersoneel TRIS) en zes ingehuurde koelamannen. Op maandagochtend 10 april om 06:00 uur vertrok de patrouille uit Paramaribo. Zes dagen later, op zondagochtend 16 april, arriveerde Majoor Van der Raay om 10:10 uur bij het graf van Eilerts de Haan. Op de pagina’s 16 en 17 van zijn patrouilleverslag heeft de majoor de bijzonderheden van het graf nauwkeurig omschreven:

e. Overige bijzonderheden

Beschrijving locatie graf Eilerts de Haan

  (a) Bij nadering van kvt 42898823 treft men in de rivier op een rots met gele verf aangebrachte merktekens aan, bestaande uit een pijl en de letters E d H;
  (b) 50 m verder (stroomopwaarts) wederom een rots in de rivier met een pijl;
  (c) recht daartegenover op de n oever bevindt zich de tegen een boom bevestigde voorsteven van een oude ijzeren boot, die eveneens geel geverfd is;
  (d) vanaf deze voorsteven loopt een pad onder de kompasstand 5800m (325°)24 over een lengte van plm 110 m naar het graf, dat t.o.v. de rivieroever plm 15 m hoger gelegen is

Beschrijving graf

Het graf bestaat uit een met grove stenen afgezette rechthoek, die aan de bovenzijde afgerond is [met de] afmeting 2 x 1 m. Binnen deze rechthoek ligt een met grove stenen vervaardigd [kruis, met aan het hoofd een] ijzeren kruis met een koperen naamplaat, voorzien van de tekst: "Luitenant ter Zee 1e kl J.G.W.J. Eilerts de Haan, geboren 3-10-1865, overleden 29-8-1910"

Gedenksteen

Plm 50 meter voorbij de gele ijzeren voorsteven (stroomopwaarts) bevindt zich een in de rots gemetselde gedenksteen, die vanaf de rivier goed waarneembaar is en langs de oever moeilijk te bereiken is. De tekst luidt: "J.G.W.J. Eilerts de Haan. 3 oct 1865 – 29 aug 1910. Ter nagedachtenis aan hunnen voorganger. De leden der expeditie naar het Wilhelminagebergte 1926. Stahel, Kremer, Fernandes, IJzerman, van Ommeren."

Voor verslagen van de latere expedities wordt verwezen naar de in de noten vermelde websites.

Hiermee eindigt deze korte levensschets van luitenant ter zee 1e klasse J.G.W.J. Eilerts de Haan, een bijzondere marineofficier die diep in het oerwoud van Suriname zijn laatste rustplaats vond in een bijzonder graf. Hij ruste in vrede.

Noten:

  Kwartierstaat van Herry Edmond Eilerts de Haan, Web: home.planet.nl/~albert10/Herry.htm
  Haaff, P.S. van ‘t & Klaassen, M.J.C., Gedenkboek Adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954, Bussum, p.132
  Wentholt, A. (Red.), In kaart gebracht met kapmes en kompas, ABP/KNAG, 2003, p.169
  Verzamelband Marineblad 1910-1911, p.770

De techniek van triangulatie, of driehoeksmeting, die een essentieel onderdeel vormde van de terreinmeting, werd al begin 16e eeuw toegepast. Triangulatie betekent het meten van een terrein door het te verdelen in driehoeken. Er wordt slechts één zijde werkelijk gemeten, de basislijn, en verder de hoeken. Zo kan door trigonometrie de lengte van de zijden worden berekend. Door torenspitsen of geconstrueerde stellages te gebruiken, konden landmeters een netwerk van driehoeken vormen vanaf één basislijn. De techniek van triangulatie, die onmisbaar zou worden voor nauwkeurige topografische metingen, deed er lang over om in gebruik te raken. Pas rond 1740 werd triangulatie gebruikt voor het in kaart brengen van een gebied zo groot als Frankrijk. (bron: www.kunstgeografie.nl)

Marrons zijn Surinaamse bosnegers, oorspronkelijk weggelopen slaven
Wentholt, A. (Red.), In kaart gebracht met kapmes en kompas, ABP/KNAG, 2003, p.163 e.v.
Wentholt, A. (Red.), In kaart gebracht met kapmes en kompas, ABP/KNAG, 2003, p.170 e.v.
Oude standbeelden in Suriname, Web: www.leekong.nl/standbeelden
Devies van Hr.Ms. Eilerts de Haan, Departement van Marine, Nr. 234, 1921
Bepaling Minister van Defensie van 26 september 1931. Departement van Defensie, Xe Afdeling, Nr. 34
Jane’s Fighting Ships, 1941, p.344
Weyers Taschenbuch der Kriegsflotten, 1941/42
Zie website www.hydrograaf.nl
G.M.W. Acda e.a., Het Instituut. Honderdzeventig jaar opleiding tot marineofficier 1829-1999, 2000, p.243
Voor zover in 2005 bij de schrijver bekend

Wentholt, A. (Red.), In kaart gebracht met kapmes en kompas, ABP/KNAG, 2003, p.180

TRISKontakten, December 2000, p.11 e.v.
Patrouilleverslag Majoor H.N. van der Raay, Troepenmacht in Suriname, Paramaribo, 11 juli 1972
Verslag van een EdH expeditie in 2000, H. E. Eilerts de Haan, 2000, Web: www.challengetravel.nl
Verslag van een EdH expeditie in 2001, An Hamel, 2001, Web: http://home.wanadoo.nl/evertjankuster
De Ware Tijd, persbericht, 19 februari 2003, Web: www.dwt.net

Evenals op zeekaarten worden op militaire stafkaarten geografische posities bepaald met behulp van coördinaten. Over de kaart wordt een raster gelegd met in de vier kantlijnen van de kaart een bij dat raster behorende schaalverdeling. Op zeekaarten geeft de schaal aan de linker- en de rechterkant van de kaart de geografische breedte aan in graden en minuten. Op de schaal aan de boven- en onderkant van de zeekaart wordt de geografische lengte in graden en minuten afgelezen. Op de stafkaarten van de Koninklijke Landmacht bestaat het raster uit zogenoemde kaartvierkanten (kvt) van 1000 x 1000 meter. De schalen aan de linker-, rechter-, boven- en onderkant van de kaart zijn onderverdeeld in de getallen 0 – 100 (meter). Geografische posities worden aangegeven in getallen van vier, zes of acht cijfers. Bij een positieaanduiding van vier cijfers staan de eerste twee de voor de horizontaal, af te lezen op de linker en rechter schaal van de kaart. De volgende twee staan voor de verticaal, af te lezen op de boven en onder schaal van de kaart. Een positieaanduiding van zes cijfers is de positie tot op 100 meter nauwkeurig. De eerste drie staan dan voor de positie op de horizontaal en de volgende drie voor de positie op de verticaal. Het derde cijfer is dus een verfijning van de positie in honderdtallen. De positie kvt 428988 moet dus als volgt worden gelezen: op de linker en rechter schaal van de kaart wordt het getal 42,8 opgezocht en met elkaar verbonden door middel van een lijn. Op de boven en onder schaal wordt 98,8 opgezocht en eveneens onderling verbonden met een lijn. Het punt waar de lijnen elkaar kruisen geeft de positie aan. Normaliter wordt het coördinaat in acht cijfers weergegeven. Deze positie is tot op 10 meter nauwkeurig.

Kompasstanden op militaire stafkaarten worden eveneens anders aangegeven dan op zeekaarten. Daarbij wordt de kompasroos van 360º verdeeld in 6400-duizendste. 180º wordt dan 3200-duizendste en 090º is 1600-duizendste. In formule: Kompasstand = (Graden ¸ 56,25) x 1000 óf Graden = (Kompasstand ¸ 1000) x 56,25. Hieruit volgt dat kompasstand 5800 = 5.8 x 56,25 = 326,25º (@ 325º).

Afbeeldingen:

  Portret Ltz.1 J.G.W.J. Eilerts de Haan: archief Michel Boeijen
  Kaart Suriname 1905: www.nationaalarchief.nl
  Foto J.G.W.J. Eilerts de Haan & Dr. J.H.A.T. Tresling: archief Michel Boeijen
 

Detailkaart: Kaart van Suriname, H.N. Dahlberg, Paramaribo, 1968

  Borstbeeld: archief Michel Boeijen
  Hr.Ms. Eilerts de Haan: Jane’s Fighting Ships, 1941, p.344
  Hr.Ms. Hydrograaf: www.hydrograaf.nl
  Foto plaquette met toestemming A.J.P. Borst, Hoofd Huishoudelijke Dienst K.I.M.
 

Graf: archief An Hamel (http://home.wanadoo.nl/evertjankuster)

  Wapen van Suriname: www.surinam.net

ã 2005 Eduard R. Baaij

TRIS 70-1 B-Cie 1e Pel.

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GEEN OPA

 

GEEN OPA GEWORDEN, WEL DE WERELD TUSSEN M'N OREN; SURINAME, BEDANKT !!

Verslag Jan Oprins

Toen we (in 1970)  onze oproep voor militaire dienstplicht kregen, wist  ik van Suriname dat het een tropisch nederlands rijkdsdeel in Zuid-Amerika was, gevuld met oerwouden, wilde rivieren en een eksotische flora en fauna, kortom het spul waar jongensdromen van gemaakt zijn, maar van de TRIS had ik nog nooit gehoord, laat staan dat je vrijwillig jezelf kon opgeven om daar de militaire dienstplicht te vervullen.  Het avontuur riep, en ik kon niet anders dan me meteen als vrijwilliger opgeven, ook al omdat het dienstkloppen in Nederland naar horen zeggen niet bepaald sensationeel leek te zijn, en uiteraard om de gelegenheid aan te grijpen een heel jaar lang niet naar je ouders, je baas en de pastoor ( in het Katholieke Zuiden  met het toen nog Rijke Roomse leven) te hoeven luisteren.

Het verhaal van een jaar als soldaat in Suriname is hier al dikwijls verteld; hoe langer geleden, hoe mooier en sterker de verhalen lijken te worden Hoewel veel vergeten (helaas geen dagboek bijgehouden),  komen denkend aan mijn tijd als Trisser toch nog steeds herinneringen boven: hoe je na een nacht in een min of meer  droge en schone junglehangmat in het oerwoud,  's morgens weer in je natte, kouwe,  stinkende en vuile kloffie van de vorige dag moest kruipen; het "stoempen" door de bush tijdens looppatrouilles; nachtwachten draaien met 'n kampvuurtje in het oerwoud; hoe we onze konditie op peil hielden met palen sjouwen (djogo's soldaat maken dus); de relaxte bootreis heen en terug; hoe me in Paramaribo 10 dagen licht werd aangesmeerd nadat ik 's middags tijdens de verplichte middagrust  "betrapt" was op zwemmen wat als dienstweigering werd uitgelegd; de mooie, maar loodzware looppatrouille midden in de grote regentijd van het Brokopondo-stuwmeer naar de Tapanahoney-rivier, etc.etc.

Na bijna 14 maanden van huis te zijn geweest, werd na terugkeer in Nederland van ons verwacht dat we ons normale leven weer op zouden pakken, dus studeren, werken en een loopbaan opbouwen, een gezinsleven starten en t.z.t. opa worden. De avonturen in Suriname maakten op mij echter zo'n indruk, dat ik na amper een dag thuis te zijn, me al voornam om eerst ervoor te gaan wat meer van de wereld te zien; iets waar ieder brakske van droomt, en de voornaamste  reden was om me aan te melden bij de TRIS. Waar we in Suriname van hadden geproefd, smaakte definitief naar meer.

Het duurde nog bijna tien jaar (waarin ik tijdens de gewone vakanties met een rugzak half Europa doorliftte) voordat m’n bankrekening het toeliet om m'n baan op te zeggen (deed dit in totaal drie keer), en in spijkerbroek en met 'n rugzak, maar  met ’n  creditkaart, de wereld in kon trekken, met vooral veel meerdaagse bergtrektochten (geleerd bij de TRIS) in o.a. de Kanadese Rockie's, de Pakistaanse Karakorum, de Nepalese Himalaya, de Kalifornische Siërra’s en vooral de Nieuwzeelandse Alpen. Ook waagde ik nog een poging om naar Nieuw Zeeland te emigreren, maar dit mislukte omdat het me toen nog  aan "rust in m'n reiskont" ontbrak, zoals dat heet.

Helaas kwam aan m'n reisavonturen in een klap een einde, toen ik in 1995 betrokken was bij een zwaar busongeluk in Zuid India met acht dodelijke slachtoffers. Zelf overleefde ik ternauwernood (maakte  een bijna-dood-ervaring door), maar liep fysiek zoveel schade op dat ik m'n bergtrektochten door strandwandelvakanties moest vervangen, en  sindsdien lichamelijk het heel wat rustiger aan moet doen.

Hoewel de TRIS-tijd  in de loop der jaren natuurlijk niet helemaal uit m'n hoofd was verdwenen, raakte dit met  dat gewereldreis  toch wat op de achtergrond, tot bij een verhuizing enkele jaren geleden ik m'n brieven, foto's en souvenirs (hangen nu weer aan de muur) weer  tegenkwam, aan het filosoferen ben geslagen, en tot de konklusie kwam dat zonder het jaar in Suriname m'n leven toch anders zou zijn verlopen, en nu zo ongeveer aan het opa-schap toe zou zijn geweest.

Kortom,  dit gaf me een mooi ekskuus om een reis terug in de tijd naar Suriname te maken en m'n geheugen weer op te frissen (hoe zat dat ook weer met Brownsweg en Brownsberg etc.) Voorjaar 2007 was het zover, een geslaagde soloreis van 3 weken gemaakt en alles weer op 'n rijtje kunnen zetten. Weer lid geworden van de TRIS-klub (helaas de reünie vorig jaar in Ermelo gemist), en het idee opgevat te proberen een pelotonsreünie op zetten.

Al met al is van  een serieuze carrière etc. dankzij m'n tijd bij de Tris, niet veel terecht gekomen, en opa zal ik ook wel niet meer worden, maar van m'n jongensdromen is toch heel wat uitgekomen, en dat is mij toch net zo veel waard.

 

Suriname en TRIS, bedankt !!!!
 
Jan Oprins (2de peloton A-cie lichting 70-5)
tfn. 0161-455893
e-mail:   j.a.m.oprins@home.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onze reis naar Suriname door Grad en Jeanne Melis    2008

 

Onze reis naar Suriname door Grad en Jeanne Melis    2008

Na een lange vlucht vanaf Schiphol naar de luchthaven J.A.Pengel in Suriname werden we per bus naar ons hotel in Paramaribo gebracht.
De eerste dag gingen we van start met een City tour door Paramaribo.
De volgende dag zijn wij na een busreis aangekomen in Albina. Vanaf Albina zijn we verder gereisd via de Marowijnerivier met een korjaal ook wel ‘de auto van de rivier’ genoemd. Na zes dagen reizen met onze korjaal via Galibi, Loka Loka, Stoelmanseiland, Drietabbetje, Apatu (Frans Guyana) en Sella Kreek kwamen we aan in het dorp waar onze reisleider Pieter Nijdam de plaatselijke school steunt op allerlei manier.
De school in Apetina bestaat nu twee jaar. Het leeftijdsverschil in de klas is erg groot doordat sommige leerlingen pas met zestien jaar voor het eerst naar school gingen.

Vanuit Nederland waren diverse schoolspullen opgestuurd voor de school in Apetina. Er wordt voor gekozen om zoveel mogelijk spullen in Suriname zelf te kopen om de economie ter plaatse te steunen.
Het was heel bijzonder hoe hartelijk en warm we door hoofdonderwijzer Arnold Arupa en zijn vier collega’s werden ontvangen.
Alle kinderen kwamen uit de klas en zongen voor ons een mooi welkomstlied onder muzikale begeleiding op gitaar van meester Arnold.

Pieter gaf vervolgens de enveloppen (broodzakken) van de Aktie aan het onderwijzend personeel, die gemaakt waren door de leerlingen van de basisscholen in Boekel en Venhorst.
Deze zakken met daarin brieven, knuffels, viltstiften, puntenslijpers en foto’s maakten enorme indruk op de kinderen.
Daarna werden de badslippers, boeken, schriften, pennen, ballonnen, kleurplaten en een letterbak aangeboden.
Om de aanwezige begroeiing rond de school in bedwang te houden had Pieter in Paramaribo een nieuwe bosmaaier voor de school gekocht.
Het was prachtig om te zien hoe blij en enthousiast de Indiaanse kinderen en het personeel reageerden.

Na het indrukwekkende bezoek aan de school zijn we met de boot verder het tropische regenwoud ingetrokken. Na zes dagen tropisch regenwoud zijn we weer teruggekeerd in het dorpje Apetina (van de Wajana indianen) en werden de volgende dag weer op school verwacht.
Alle 96 leerlingen kwamen weer uit de klas, netjes in de rij en in uniform en de kinderen zongen weer liedjes als dank. Pieter kreeg van enkele leerlingen een halsketting om en twee wandkleedjes voor de school in Boekel en Venhorst. Veel kinderen schrijven met de school in Venhorst. De kinderen van Apetina hadden als dank ook een envelop gemaakt voor de kinderen van de scholen.

Na deze bijeenkomst gingen de kinderen naar huis in Apetina of per schoolboot naar omliggende dorpen. Het was een mooi gezicht en dankbaar gebaar om alle kinderen te zien met nieuwe badslippers en een rugzak die Pieter ze vorig jaar had gegeven.

De volgende dag zijn we met een binnenlandse vlucht van Apetina weer naar Paramaribo gevlogen. In november gaat Pieter weer naar Suriname en bezoekt dan ook weer de scholen in Apetina en Jaw Jaw. Ook de school in Jaw Jaw wordt gesponsord en ondersteund vanuit Nederland.
Mocht er ooit een beroep op u worden gedaan, schroom dan niet om te helpen. Wij hebben met eigen ogen gezien dat uw giften goed gebruikt worden en zeer dankbaar ontvangen worden.
Wij hebben een prachtige reis gehad maar vooral het bezoek in Apetina heeft veel indruk gewekt.

Grad en Jeanne Melis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Suriname, 40 jaar later

 

Suriname, 40 jaar later

 

Verslag Max Wormgoor
Samen met mijn vrouw reisde ik begin augustus dit jaar naar Suriname. Voor mij was dit een weerzien na 41 jaar en voor mijn vrouw de eerste keer. Destijds maakte ik deel uit van het 2e detachement dat in juni 1966 in Suriname aankwam. Ik was ingedeeld in het 3e peloton van de B Cie. In juni jl was er een reünie van dit detachement die zeer goed bezocht was, terwijl wij de reis naar Suriname al gepland hadden. Van maten die recentelijk naar Suriname geweest waren vernam ik dat het land wel erg veranderd was, om maar geen teleurstelling op te lopen. Teleurgesteld zijn wij niet, maar in 40 jaar is  er wel veel veranderd. Niet alleen daar, maar ook hier, alleen ben je je daar niet zo bewust van omdat je onderdeel bent van de ontwikkelingen. Wij hadden een reis geboekt uit de gids van Holland International met de naam Suriname Totaal, een 14 daagse rondreis. Onze voorkeur ging uit naar een rondreis van 21 dagen, inclusief Guyana en Brazilië. Het gebied rond Manous en de Rio Negre in het Amazone gebied had mijn speciale belangstelling. Helaas was deze trip, bij het boeken niet mogelijk. Dit veroorzaakt dat er geen vliegtuigstoelen beschikbaar waren naar en van Paramaribo. Dus bleef de trip Suriname Totaal over, waarbij wij wel na de rondreis naar Aruba moesten reizen om vandaar, pas een week later, naar Nederland terug konden keren. Dit hebben wij niet als straf ervaren. De rondreis betrof het doorkruisen van het land van Nieuw Nickerie tot Albina en bezoeken aan Brownsweg en de Raleigh Vallen in de Coppename rivier. Een en ander in meerdaagse trips, afgewisseld met even bijkomen in Paramaribo in het Eco Resort, gelegen pakweg 600 meter van Hotel Torarica, eveneens aan de Suriname rivier. Het Eco Resort bestaat uit een houten pand uit de koloniale tijd, met veranda´s. Hierin is de keuken, receptie, bar en dergelijke gevestigd, terwijl de 160 hotelkamers in nieuwe gebouwen zijn ondergebracht. Het geheel kwam ons veel plezieriger over dan Torarica, waarvan wij alle faciliteiten konden gebruiken.
 

Albina

De weg naar Albina is geheel geasfalteerd, overigens in een zeer slechte staat, zodat de rit per bus niet sneller ging dan maximaal 60 kmh, op sommige betere stukken, 60 km per uur over een afstand van 175 km. In 1966 was dit nog hoofdzakelijk een zand en bauxietweg en een pont om de Commewijne rivier over te steken. Het kampement in Albina is gerenoveerd, maar behalve een paar man voor de bewaking, maakte het een verlaten indruk. Albina zelf is behoorlijk uitgebreid en op de rivier zie je tientallen korjalen die naar de Franse kant en terug gaan met alle mogelijke handel. Het is duidelijk zichtbaar dat er geen controle is op deze handel. Hier is export van vis en import van o.a. merkkleding. Belangrijkste betaalmiddel is hier de Euro doordat Frans Guyana Frans grondgebied is, dus een Euro land. Van Albina per korjaal richting Galibi om daar op het strand in een zeer eenvoudige lodge aan het strand in het natuurreservaat te verblijven en overnachten. In dit reservaat wonen indianen op en aan het strand. De indianen gaan westers gekleed en beschikken over elektriciteit, dus ook koelkasten, TV, radiostation en supermarkt, scholen, kerk, polikliniek enz. Dus dat deel was totaal anders dan 40 jaar geleden. Wat het gebied zo bijzonder maakt, is dat zeeschildpadden hier hun eieren leggen op het strand boven de vloedlijn. Het is dan ook een groot beschermd natuurgebied. Wij hebben ´s nachts met eigen ogen gezien hoe een groene zeeschildpad van ca. 1.20 mtr lang haar eieren legde, het nest camoufleerde en terug ging naar zee. Een zeer bijzondere ervaring naast het zien van honderden spookkrabben en pootafdrukken van de ocelot. Een vrij groot katachtig roofdier. De hele route van Paramaribo naar Albina kende ik niet terug. Er is veel gebouwd langs de weg. De 85 meter hoge brug over de Suriname rivier zal deze ontwikkeling gestimuleerd hebben. Destijds heb ik in de buurt van de Commewijne een traditionele begrafenis bijgewoond in een bosnegerdorp. De dorpjes bestaande uit hutjes met daken van pina bladeren zijn geheel verdwenen. Tot in het Amazone gebied zijn tegenwoordig de daken van golfplaat. Wat je ziet aan hutjes met daken van pina bladeren is voor de touristen! Moengo bestaat nog en ziet er vervallen uit. Het is ook de woonplaats van Ronny Brunswijk. Zijn woning is strategisch gelegen, geheel ommuurd en voorzien van een verhoogde uitkijkpost.
 
Nieuw Nickerie
Nieuw Nickerie is nu de tweede stad van Suriname. De busreis over een 275 km asvaltweg van behoorlijke kwaliteit neemt toch 5 uur in beslag, inclusief een stop voor de lunch in het Rijks Logementshuis. Onderweg, even buiten Paramaribo nog een oude DAF web gespot, nu niet groen, maar blauw. Kennelijk eigendom van een Hindoestaan. De weg vanaf Paramaribo tot Albina biedt een trieste aanblik van de verloren plantages. Na de coup van Bouterse hebben de meeste Nederlanderse leidinggevenden hun positie op moeten geven. Het gevolg is dat de plantages volledig verloren zijn gegaan. Een trieste aanblik.Alleen bij Nickerie is de rijstbouw weer tot leven geroepen door 2 Surinaamse ondernemers. Ook tref je hier nog   bananencultuur. Inmiddels begrijpen de Surinamers wel dat ze de opbouw van het land zelf moeten doen, zo wordt er nu ook  begonnen met de teelt van citrus vruchten. Bij het verlaten van de stad zag ik nog een oude Daf drietonner in een tuin staan. Deze was al geheel door planten overgroeid. Even ten Oosten van Nieuw Neckerie is een  mangrove gebied, Bigi Pan geheten, groot 165.000 ha. Dit is een indrukwekkend vogel gebied. Op de dag dat wij er rond voeren hebben we 25 vogelsoorten gespot, waaronder de visarend, de grote ijsvogel en vele soorten reigers. Ook de nodige jonge kaaimannen gezien.
 

Raleigh vallen

Per vliegtuig, een 2 motorige Antonov naar de Raleigh vallen in de Coppename rivier gevolgen, waar we een paar dagen gebleven zijn en geslapen hebben in een zeer eenvoudige lodge. De soela´s hier zijn prachtig. Dit verblijf in de bush aan de rivier was voor mij de top van de  reis. Lekker het oerwoud in, de geur opsnuiven en de geluiden horen. Vooral de aanwezigheid van de brulapen. Hier heerlijk verse vis gegeten, zo uit de rivier en soep van versgevangen piranja. Ook kwam hier een koraalslangetje bij me langsschuiven. Deze wordt niet groter dan ca 25 centimeter. Dit exemplaar was zwart, wit en rood. Driekleurig, dus een giftig exemplaar. Ook padden en vogelspinnen waren hier goed vertegenwoordigd. Vanuit dit “resort” werden lange tochten gemaakt en de Voltzberg beklommen. Het was een heldere dag dus een onbegrensd uitzicht Vanaf hier waren de hoge toppen van het Wilhelmina en Bakhuis gebergte te zien. Het verblijf hier kon mij niet lang genoeg duren met behalve wandelen, het vissen, zwemmen en vooral in de Soela liggen. Bij aankomst op vliegveld Zorg en Hoop trof ik 2 mannen in burgerkleding bewapend met oude TRIS karabijnen. Op mijn vraag wat ze zoal deden met deze wapens kreeg ik te horen dat ze een tijdje een airstrip in het binnenland bewaakt hadden, voor een opdrachtgever..
 
Marienburg
Per boot vanaf de stad naar Fort Nieuw Amsterdam, Marienburg en Frederiksoord gevaren. Het Fort is sinds 2 jaar als museum in gebruik. Hier trof ik nog een ten toongestelde Otter aan, In mijn tijd was Marienburg nog een suikerrietplantage met suikerfabriek in volbedrijf. Ook hier is niets meer van over. De bomen groeien inmiddels door het dak van de fabriek. De mensen die hier nog wonen leven nu van de garnalenviserij. Niet ver hiervandaan ligt de oude plantage Frederiksoord, die met hulp van vrijwilligers is omgevormd tot een vakantie resort, gevestigd in de oude houten koloniale gebouwen. Dit ziet er uitnodigend uit.
 

Brownsweg

Enkele jaren nadat de stuwdam gereed was heeft de overheid haar belofte ingelost een migranten dorp op te zetten voor de mensen die weg moesten uit gebied voor het stijgende water van het stuwmeer. De bewoners zijn niet blij met de gekozen locatie en evenmin met de gebouwde woningen. De woningen lijken op kisten van 3x5 meter met een golfplaten punt dak in 3 strakke rijen vlak naast elkaar geplaatst. Van het oude kampement “Fort Wanhoop” zijn alleen de fundamenten terug te vinden. Zelfs de loop van het antieke kanon is gehalveerd. Naar de verhalen is hier tijdens de binnenlandse oorlog zwaar gevochten en zijn veel burgers omgekomen. Ook onze gids heeft toen als 5 jarig knulletje zijn leven moeten redden door het bos in te vluchten. Bovenop de Brownsberg is nu een resort gevestigd voor eco touristen. De omgeving is voor een enorm gebied tot beschermd natuurgebied gepromoveerd. In het verleden werd er in deze omgeving door enkele gelukzoekers naar goud gezocht.Nu heeft de staat 2 concessies uitgegeven aan een Amerikaannse en een Canadese firma om goud te winnen tegen een vergoeding van 5% van de opbrengst. Sinds de binnenlandse oorlog heeft de regering geen controle meer over het binnenland ten zuiden van Zanderij. Het gebied is hier nu vergeven van clandestiene goudwinning, vooral door Brazilianen. Het is hier niet verantwoord de jungle in te gaan, want ongenode kijkers kunnen rekenen in de loop van een AK 47 te kijken, als het daar al bij blijft. Op de terugweg via de bauxietweg Overbridge aangedaan aan de Suriname rivier en enkele dagen verbleven. Dit is nu een zeer modern resort voorzien van alle luxe en gemakken. Hier is een nieuwe brug in aanbouw die nagenoeg voltooid is. Aan de overkant van de rivier ligt de Joden Savannah. Een van de oudste plantages van Joodse immigranten. Het terrein van de Synagoge ruïne is keurig opgeruimd evenals de begraafplaats. Hier wonen nu enkele indianen die het onderhouden en zijn begonnen met de teelt van ananas.
 
Paramaribo
Paramaribo is nu een stad met ca 250.000 inwoners. Het centrum is ongelofelijk druk. Je ziet hier oude koloniale panden, prachtig gerestaureerd met daarnaast een bouwval. Gesloopt wordt in dit land niets. Gewoon iets nieuws er naast bouwen, want ruimte is er genoeg. Je ziet in de binnenstad nu straten, waar alle panden aan een kant zijn gerenoveerd, terwijl de overzijde er haveloos en verveloos bij staat. De binnenlandse oorlog die geduurd heeft van 1986 tot 1992 heeft diepe wonden geslagen in de gemeenschap en binnen families. Ook zijn er veel meer slachtoffers gemaakt door beide partijen onder de burgerbevolking dan bij ons bekend is. Heel veel inlanders zijn gevlucht naar de stad en naar Frans Guyana. Voor mij was het triest vast te moeten stellen dat het binnenland niet onder controle is bij de overheid en dat gelukzoekers in drugshandel en goudzoekers hier zwaar bewapend de dienst uit maken. Ook het voormalige prins Bernhard kampement bood een trieste aanblik en ligt er ogenschijnlijk verlaten bij. Het is ook niet meer populair dienst te nemen in het leger en dat niet alleen vanwege de slechte bezoldiging. Wel zijn er initiatieven de controle te verbeteren en uit te breiden, waarbij de prioriteit bij de politie ligt. Door de nog steeds zwakke economische situatie is de criminaliteit enorm en wordt alles van waarde beveiligd. Zo ook ons hotel. ´s Nachts gaat het hek dicht en zijn er minimaal 4 beveiligingsmensen op het terrein.
 

Voor ons is Suriname een fantastisch land met vriendelijke bewoners, heerlijk klimaat, prachtige natuur en fantastisch eten. De indrukken zijn zo geweldig dat wij nu serieus overwegen om misschien voor de periode van een jaar daar te gaan wonen t.z.t..

De tijd is nu rijp het land te bezoeken, want over 10 jaar het toerisme veel mooie plekken in bezit genomen hebben.

Voor degenen die een reis overwegen kan ik de volgende boeken van harte aanbevelen:

 

1. Dominicus reisgids voor Suriname. Uitgeverij J.H. Gottmer/H.J.W. Becht bv te Haarlem Internet: www.dominicus.info  Dit boek geeft zeer goede en algemene informatie

 

2. De groeten aan de koningin, van Karin Anema. Hierin wordt verslag gedaan van een recente “expeditie” over de Marowijne naar het Amazone gebied. Dit boek is een echte aanrader, vooral voor degenen die op de   Marowijne op vaar patrouille zijn geweest.

 

 www.uitgeverijatlas.nl

 Max Wormgoor

Augustus 2007  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Suriname en daarna

 

Suriname en daarna

 

Door Eduard R. Baaij

Je kunt zondermeer stellen dat een tweetal aspecten van mijn diensttijd bij de TRIS bepalend zijn geweest voor mijn verdere leven, namelijk de bootreizen heen-en-terug en het feit dat ik in Suriname ordonnans/radiotelefonist ben geweest. Beide vond ik zó leuk, dat ik mij tot op de dag van vandaag op zee met radioverbindingen bezighoud.

 
Als jochie was ik al gek van schepen en van de zee. Opgroeiend in Den Helder was de zee altijd dichtbij en na schooltijd was ik meestal langs de kades van de marinehaven of met m’n zeilbootje op het water te vinden. Een beroepskeuze in die richting lag toen echter nog geenszins vast.
 

Net als zovelen van ons moest ik mij op m’n negentiende melden in ‘s-Hertogenbosch voor de militaire dienst. Ik was ingedeeld bij de Suriname Compagnie van Hare Majesteits regiment ‘Oranje-Gelderland’ en na de gebruikelijke basisopleiding in de ons zo welbekende Isabellakazerne volgde uitzending voor een jaar naar Suriname. De uit- en thuisreis gebeurde tot 1972 nog per vracht-passagiersschip van de K.N.S.M.: drie weken uitreis met de Prins der Nederlanden en een jaar later de thuisreis met de Oranje Nassau. Mooie reizen waren dat, op prachtige schepen: juweeltjes van Nederlandse scheepsbouw uit de jaren Vijftig.

Na een paar weken op Zanderij werd ik geselecteerd door onze PC om zijn ordonnans te worden. Daar hing een opleiding(kje…) radiotelefonie aan vast, wat ik heel interessant vond. Graag zat ik op de detacheringen bij de telegrafist en hielp ik die tijdens de bush-patrouilles met het optuigen van zijn radio-apparatuur en het ophangen van de antennes. Dat was echter allemaal ten behoeve van de militaire dienst en heel erg véél verder in de toekomst keek en dacht ik toen nog niet. Een verdere stimulans in de richting van radio en de zee kwam tijdens de thuisreis. Ik kreeg van m’n ouders een telegram om me te laten weten dat ze thuis in spanning op me zaten te wachten en om een telegram terug te sturen meldde ik mij in de radiohut hoog boven in de accommodatie van het schip. Een jonge, vrolijke en praatgrage radio-officier vertelde maar al te graag hoe leuk het varen als marconist was en legde van-alles-en-nog-wat uit. Pas na twee uur stond ik weer buiten. Wát een leuk vak! Thuisgekomen vond ik bij toeval in een beroepengids een uitgebreide beschrijving van de opleiding tot radio-officier ter koopvaardij. Ik herinnerde mij de levendige verhalen van de radio-officier van de Oranje Nassau en de beroepskeuze was gemaakt!

 

Ik wilde naar een echte zeevaartschool en omdat de Hogere Zeevaartschool 'De Ruyter' in Vlissingen een uitstekende reputatie genoot, werd ik in september 1971 aldaar ingeschreven. Twee en een half jaaraterbehaalde ik mijn certificaat Radio-officier 2e klasse en kon ik naar zee. Zestien jaar heb ik in dienst van Radio-Holland bij bijna alle toenmalige Nederlandse rederijen gevaren, op vrijwel alle typen schepen, die mij tot in alle uithoeken van de wereld hebben gebracht.

 
Behalve bij rederijen als de Nedlloyd, Shell Tankers, Smit Internationale, Van Nievelt-Goudriaan en de Holland-Amerika Lijn heb ik ook een term bij de K.N.S.M. gemaakt, op het m.s. Ganymedes. Het vaargebied van dat schip was de westkust van Zuid-Amerika en de Caribbean. In Suriname ben ik echter nooit meer terug geweest.
 
Helaas werd in de jaren Negentig van de vorige eeuw de radio-officier bij de koopvaardij afgeschaft. Ik ben toen overgestapt naar de offshore en werk sindsdien op de Noordzee als radio-operator op booreilanden. Twee weken op, twee weken af. Het werk aan boord van een booreiland is heel anders dan op de schepen, maar ik zit nog steeds in een radiohut op zee en daar heb ik het nog altijd goed naar m’n zin!
 

Door marconist te worden heb ik de best mogelijke beroepskeuze voor mijzelf gemaakt. Het vak was mij op het lijf geschreven. Mijn vader zei eens: "Zoon, als ze voor jou een vak hadden moeten uitvinden, dan was dat het vak van marconist geworden". Dat zegt toch wel iets.

 

Eduard R. Baaij

Dpl. Sld. 1

500601052

70-1 B-Cie 1e Pel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

verslag van de vaarpatrouille

 

verslag van de vaarpatrouille

 

Albina, 5 juni 1974  Suriname

Na zes dagen terug te zijn van de vaarpatrouille en enigszins bekomen te zijn van de opge­lopen verkoudheid hoop ik een beetje inspiratie te krijgen om een beetje een redelijk verslag van de vaarpatrouille in elkaar te kunnen flansen.

 

Het vertrek was natuurlijk enigszins paniekerig omdat de kapitein ook lid was van de vp en dat schijnt nooit zijn uitwerking te missen. Hij stond erop om om 0700 uur te vertrekken, iets wat natuurlijk een nobel streven is maar wat echter bijna nooit gehaald werd om de een of andere reden. De eerste dag echter deed iedereen natuurlijk zijn uiterste best om voor dat tijdstip in de boten te zijn en dat ging redelijk op één man na. Die was zo gehaast dat hij vergat dat de wallenkant, die nogal glad is, glad was met als gevolg dat hij tussen de wal en het schip terechtkwam en zodoende het eerste slachtoffer was geworden van een paar natte voeten, iets wat ons in het begin zorgen baarde, maar waar we later tijdens de vp dusdanig aan zijn gaan wennen dat ons dat niet veel meer schelen kon. Afijn, de hob (hoornblazer) vond toch dat zijn optreden geslaagd kon worden genoemd en als je een beetje een idee hebt hoe hij is, dan kunnen we het daar wel over eens zijn. Al met al vertrokken we dus om 07.10 uur onder begeleiding van een nogal ruwe klankserenade tevoorschijn getoverd uit de hob maar dit kwam wel overeen met de stemming van het ogenblik. Allemaal waren we natuurlijk vol verwachting van wat er zou komen en het meest waren we toch wel bezorgd wat het weer betreft omdat we nu al midden in de regen- tijd, volgens de kalender dan, zitten en dat is helemaal geen prettig idee. Er is op zo'n vp toch al zoveel water te zien dat je helemaal geen behoefte hebt aan enkele hemelse toevoegingen en we zijn wat dat betreft toch wel erg gelukkig geweest. We vertrokken in ieder geval al met stralend weer en nauwelijks waren we uit het gezicht van het kampement of de jasjes, hemden en hoeden werden uitgetrokken c.q. afgezet en na ons behoorlijk te hebben ingevet met Nivea zonnebrandolie probeerden we het ons zo gemakkelijk mogelijk te maken op de harde planken die als bankjes dienstdoen in een korjaal. Over die zonnebrandolie is nog wel het een en ander te vertellen. Op de avond voor het vertrek werd namelijk de vraag gesteld of de zonnebrandolie van dienstwege verstrekt zou worden en deze vraag sloeg in als een bom. Tenminste bij de cdt'n, de gewone sldn vonden dit een zeer terecht gestelde vraag en we verwachten dan ook een positief antwoord omdat ons inziens het niet verbranden van de huid tijdens zo'n vp een gedeeltelijke dienstzaak is, omdat het een dienst vp en geen privé vp is. Echter deze vraag werd op dusdanige wijze beantwoord, een wijze die zich op papier moeilijk laat omschrijven, dat we de indruk kregen dat we toch nog bol zijn wat dienstbegrippen betreft. Niemand had natuurlijk zonnebrandolie gekocht zodat na de bespreking wat betreft de vp iedereen naar de dichtstbijzijnde Chinese winkel stormde om de daar aanwezige voorraad olie op te kopen. We schenen ontzettend geluk te hebben want deze goede chinees had vier flesjes van deze “goddelijke" olie zodat we deze alle vier maar hebben opgekocht en onder de bemanning van de drie korjalen verdeeld. Omdat onze vraag zo negatief beantwoord werd hebben we stiekem besloten om géén van de vp-cdt'n mee te laten genieten van dit vocht iets wat echter niet nodig was omdat ze zich zelf al redelijk hadden voorzien. Genoeg echter over olie en aanverwante artikelen. Albina ligt ongeveer 40 km landinwaarts en zelfs hier is de Marowijne al behoorlijk breed. We kunnen vanuit het kampement de Franse stad Saint-Laurent zien liggen en als je op de kaart kijkt en ziet dat die afstand reeds 2,1 km bedraagt dan besef je pas goed wat een enorme hoeveelheid water door deze rivier wordt afgevoerd. Zoals bekend zijn deze Zuid-Amerikaanse rivieren echter maar voor een zeer kort gedeelte bevaarbaar voor grotere schepen en meeste moeten die ook nog wachten op hoog tij. Op de Marowijne is het verschil tussen eb en vloed tot op zeker 80 km landinwaarts nog zeer duidelijk te merken en dat duidt dus tevens aan hoe vlak de kuststrook is en tevens kan men begrijpen dat het meeste hiervan ook nog moerassen zijn. Looppatrouilles in de omgeving van Albina worden dan ook meestal door de gewone Jan verafschuwd en gelukkig hebben we er geen enkele hier moeten maken. Na ongeveer 2 uur varen bemerk je dat er verschil komt in het landschap. Links oer en rechts woud blijft natuurlijk onveranderlijk hetzelfde maar je begint toch al vrij duidelijk de golvende lijnen van een heuvellandschap te onderscheiden. Misschien kunnen we dit soort terrein het beste vergelijken, als we tenminste alle bomen wegdenken, met centraal Frankrijk. De korjalen varen uitgerust met een 35 pk motor en met een snelheid van dicht bij de 15km/hr schoten we dus over het water. Na ongeveer drie uur zo te hebben gevaren gingen we aan de Franse kant eventjes aan wal om wat gevoel terug te brengen in de zitvlakken en meteen een verfrissing te kopen in een kleine Creoolse nederzetting. De verfrissing viel echter goed tegen want alles was lauw en lauw bier is vies. We hadden zelf een ijskist meegenomen met een behoorlijke voorraad ijs, bier en soft maar dat werd voor later op de reis bewaard.

Na dus zo even een weinig te hebben uitgerust stapten we weer in de korjalen en ging het weer verder stroomopwaarts. Iets dat ik natuurlijk nog even vermelden moet is dat ik in dat kleine nederzettinkje nog eventjes iets van mijn talenkennis heb laten blijken door "Au Revoir" te zeggen toen ik wegging. De man lachte vriendelijk maar die Creolen lachen meestal dus dat betekent op zich eigenlijk niets hoewel het voor mij een aanmoediging was om dit te herhalen wat ik dus meteen ook deed tegen de aan de waterkant zittende vrouw. Weer een lach en ditmaal kon ik niet nalaten te herinneren dat we voor het kleine flesje bier 2 Gyanese francs hadden betaald. Net het schone lied van Willie Alberti, "de glimlach van een kind doet je beseffen dat je leeft” in gedachten neuriënd stapte ik dus ook in de korjaal. Wel, wat doe je eigenlijk aan boord van een korjaal waarin elke beweging noodlottig kan worden, je amper plaats hebt om te zitten en waarin het liggen nou ook niet zo comfortabel blijkt te zijn als je in het begin wel had gedacht simpel en alleen door het feit dat de hoogte van het houten bankje en het plankiertje dat op de bodem van de korjaal ligt niet te overbruggen is door de driedubbel opgevouwen zwemvesten zodat je met je rug, hoe je je ook wendt en keert, altijd op de rand van het bankje komt te rusten. Al spoedig echter leer je te berusten in dit ongemak omdat je ziet dat andere maten in de andere korjalen er meestal slechter aan toe zijn dan je zelf. Zoiets geeft je meer moed om het ongerief  "manmoedig" te dragen en zo zijn we verder gevaren tot aan de eerste soela's. We waren haast ingedommeld toen onze koelaman ons waarschuwde dat er iets stond te gebeuren. Het is natuurlijk verboden om in de korjalen te slapen. De legerleiding is namelijk bang, dat je, als de korjaal door de een of andere reden omslaat, je niet meteen wakker wordt en vergeet te zwemmen of probeert onder de boot uit te komen. Zoiets lijkt mij toch echter wel een eerste vereiste om ook het eind van de vp mee te maken maar in elk geval hebben ze wel ergens een klein beetje gelijk. Bovendien moet je altijd goed opletten op wat de koelamannen doen. Het wil namelijk nogal eens voor komen dat een van die grote koela's (de stokken die de koelamannen dus gebruiken) klem komt te zitten in een gat tussen de onder water verborgen stenen. De koelaman probeert in ieder geval natuurlijk z’n stok te redden en trekt er dus uit alle macht aan. Als we dus even bedenken dat de korjaal nog vaart heeft is wel na te gaan dat in een onderdeel van een seconde de stok helemaal krom staat. Komt zo'n stok nou niet los dan moet de koelaman de stok wel los laten, er bestaat namelijk anders de kans dat hij zelf overboord geslagen wordt (getrokken is natuurlijk een beter woord); dat zo'n koela dus met een rotgang terugzwiept is dus wel te begrijpen. Lig je nu een beetje te doezelen en in het water te koekeloeren of je zoekt een beetje afkoeling door met je arm overboord te hangen en de pirengs te pesten dan komt zo'n stok natuurlijk als een donderslag bij heldere hemel op de onschuld zelf neer en het verleden heeft bewezen dat een flinke hersenschudding of enkele gebroken ledematen dan ook het gevolg van zo'n ontmoeting kan zijn. Wakker geworden door de waarschuwing ‘soela’ gingen we dan ook weer dapper rechtop zitten en zagen op enkele honderden meters afstand de soela. Dit waren de Wilhelminavallen, een naam die me door een speciaal voorval is bijgebleven. Normaliter zou ik de naam vergeten zijn omdat deze soela voor ons, die de korjaaltocht op de Sarramacca rivier in de korjaaltraining tijdens Loksie Hatti hebben meegemaakt eigenlijk een lachertje was. Een zeer klein verval met enkele rotsblokken die nauwelijks boven water uitstaken. De korjaal trok zich van deze soela, laten we het maar stroomversnelling noemen, niets aan en ging er soepeltjes overheen. Wij zaten in de eerste korjaal en hadden altijd een kleine voorsprong op de anderen. Een gepaste voorsprong natuurlijk want in onze korjaal zat de kapitein (niet de kapitein van de korjaal maar de kompies kapitein, met de drie xxx). De Wilhelminavallen bestaan uit drie van deze kleine waterdrempeltjes en toen we de tweede gehad hadden en de derde al in zicht hadden keek onze hoofdkoelaman om (we hebben namelijk twee koelamannen aan boord, dit natuurlijk vanwege de grotere soela's die zich verder stroomopwaarts zullen voordoen) en schreeuwde iets tegen de motorist. Deze keek op zijn beurt om wat ons natuurlijk ook nieuwsgierig maakte en ja hoor, iets wat je helemaal niet verwachtte bij zo'n klein soela’tje gebeurde wel. Een heuse bootramp was zich aan het voltrekken. We zagen net nog hoe de derde en laatste korjaal met z'n neus de golven indook, dieper kwam te liggen en door het voorbij spoedende water nog meer water naar binnen kreeg en weldra aan het zweven was geslagen. Door de stuurmanskunst van de motorist werd een grotere ramp voorkomen omdat hij de korjaal meteen achter enkele rotsen stuurde zodat de stroom geen vat meer had op de boot. Natuurlijk dreven er meteen hoopjes PSU artikelen over het water en onze boot keerde onmiddellijk om de wegdrijvende spullen op te pikken terwijl de tweede boot onmiddellijk langszij de derde ging liggen om assistentie te verlenen. Wij gingen dus de tweede soela weer "af" en voeren rond, pikten enkele jerrycans op met benzine, de kookpannen, enkele zwemvesten (de soela werd namelijk helemaal niet gevaarlijk geacht zodat de zwemvesten niet aangetrokken behoefde te worden) en nog meer drijvend spul. Daarna gingen we weer de soela over om assistentie te verlenen aan de twee korjalen. Een prachtig gezicht voor zolang je er droog bij blijft een zijdelings bij betrokken bent. De gezichten van de rampzaligen spraken echter boekdelen en hopelijk zijn de foto's en dia's die van dit gebeuren gemaakt zijn goed uitgevallen. Het was een erg zielig gezicht de betrokkenen met de fototoestellen omhoog te zien niet wetend wat ze nu moeten doen, staan in de boot, zitten of er uit stappen (bij deze stroomversnelling is het namelijk niet erg diep). Die smoelwerken waren werkelijk onbetaalbaar. Spoedig echter was de spanning gebroken en kon er gelachen worden. De fototoestellen werden overgegeven aan de bemanningen van de andere boten en er werd direct begonnen met het overladen van de korjaal. Toen het al een flink gedeel­te van zijn last kwijt was kwam de boot net boven het water uit en kon men beginnen met hozen. Er werd met alles gehoosd. Het voordeligste ging dit natuurlijk met de grote kookpannen die intussen alweer waren opgepikt en na tien minuten was de boot alweer klaar om geladen te worden. Alles was natuurlijk niet even leuk zoals b.v. de radio. Helemaal ingepakt in plastic, getest op het kampement op waterdichtheid, bleek in een zak vol water te liggen. Door een of andere oorzaak is de zak kapot gescheurd en in plaats van een beschermende waterdichte zak werd het een waterhoudende zak want ondanks het lek in de zak zal je altijd zien dat het water er sneller in komt dan het eruit wil en dus konden we de radio wel afschrijven. Officieel zijn ze natuurlijk wel waterdicht naar dat was toen ze gemaakt werden, heel heel lang geleden. Zakken met rijst die tien kilo wogen, volgens de voedingslijst dan, begonnen open te barsten. De rijst was namelijk een ontzettende hoeveel­heid water aan het opzuigen zodat al spoedig het gewicht van 15 kg te boven werd gekomen. Vele blikken met groente e.d. liggen nu ergens stroomafwaarts de ergernis op te wekken van de pirengs en ander zwemend gebroed, iets waar we voor op moeten passen. Als die beestjes nu eens onverhoeds een geheugen mochten bezitten en we komen terug, je moet na­tuurlijk dezelfde route terug, en ze leggen een hinderlaag dan is het natuurlijk wel van hap hap kauw slik einde. Gelukkig echter zijn alleen Flippers met zoiets uitgerust dus dat was al spoedig een hele opluchting. In de verongelukte boot was ook een reserve buiten­boord motor en deze is met een gedeelte van de andere lading ook op de tweede korjaal neergelegd tijdens het hozen. Zo'n ding is behoorlijk zwaar en werd toen ook door de moto­rist uit het water opgevist. Die koelamannen en motoristen zijn niet zo'n heel klein beetje gespierd hoor. Als je ze zo bezig ziet ga je gauw vermoeden dat die gasten in staat zijn water uit een steen te knijpen. Tja, dat kan ik natuurlijk ook wel naar daarvoor moet ik naar de Dode Zee. De motorist in kwestie staat nu dus in de korjaal en vraagt heel ge­woon aan een van mijn maatjes of hij even zo vriendelijk wil zijn om de motor maar even aan te geven. De natte maat zag dat natuurlijk niet helemaal zitten maar gesterkt door het vertrouwen van zo'n Jeroentje heeft hij zich op de motor geworpen en met het gevoel dat St. Christoforus gehad moet hebben en drie jaar eerder versleten heeft hij de motor drie meter gedragen. God biddend voor herhalingen gespaard te blijven is hij door de andere maten z'n korjaal in gehesen en heeft daar de resterende tijd zich liggen verbazen over het gebeurde met af en toe een vertroebelde blik werpend op de motorist en met de gedachte aan komende soela's hebben we hem de hele dag niet meer gehoord. Na dit gebeurde werd de reis niet onmiddellijk voortgezet want de motor wou na al die nattigheid natuurlijk niet gelijk aanslaan, tot grote ergernis van de kapitein die nu ook al zijn vaarschema in het water zag vallen. In de tussentijd werd er natuurlijk druk in het Takkie Takkie gediscus­sieerd over de oorzaken die dit alles hadden veroorzaakt en van wat ik eruit heb kunnen begrijpen, niet door mijn kennis van Takkie Takkie naar door herhaalde malen vragen om vertalingen van enkele gedeelten, heeft de motorist van de derde korjaal niet genoeg afstand gehouden van de tweede zodat de boeggolf van nr. 2 nr 3 noodlottig is geworden. Nr. 1 was nu de lachende derde en die positie bevalt me best. Eindelijk kwam er weer wat lawaai uit de motor en verder ging het waar we omstreeks 1300 uur bij Langatabbetje aankwamen. Dit dorp is vernoemd naar een eilandje in de Marowijne (eilandje = tabbetje) dat zoals de prefix al doet vermoeden nogal lang van vorm is. Dat klopt ook wel. Je vaart minstens 20 minuten van de ene kant naar de andere kant. In Langatabbetje moesten enkele ceremoniële plichtplegingen worden verricht zoals het officieel begroeten van de dorpskapitein. O, deze was niet aanwezig zodat dit de plaatsvervangend dorpskapitein werd. Er werden enkele geschenken gegeven zoals flessen rum, wat blikken bier e.d. en na een half uurtje ging het richting Loka Loka waar we ongeveer 1630 aankwamen. We waren erg blij dat we er waren want op de zitvlakken had zich reeds pijnlijk gevoel geopenbaard. Ook krijg je van dat lange en harde zitten de wiebelziekte zodat we wel kunnen spreken van een swingende aan­komst. Moet best wel een leuk gezicht zijn geweest maar dat hebben we niet kunnen controle­ren want als je zelf slachtoffer bent interesseert de ellende van een ander je naar matig. De stemming bleef echter uitstekend en na de hangmatten te hebben opgehangen hebben we enkele van de nat geworden zakken rijst in de zon te drogen gelegd wat echter naar de kwa­liteit van het eten van de volgende dag te merken tevergeefs was geweest. De hangmatten hingen niet in de open lucht want de kapitein, als je dat tenminste nog kapitein kan noemen van zo’n klein dorpje, had ons het gastenverblijf afgestaan. Zo’n gastenverblijf is niets anders dan enkele verticale palen met een dak erboven. Aan die palen konden we dus de hangmatten vastmaken en indien de hangmatten eventueel lek zouden zijn, zouden we er tenminste vanavond geen last van hebben. De radio was ook snel gereed zodat we al spoedig helemaal geïnstalleerd waren en we ons nog bij daglicht in de rivier konden wassen en scheren. Terwijl dit allemaal gedaan werd zorgde de kok ervoor dat het eten gereed kwam en vlak nadat de duisternis ingetreden was zaten we al aan een maaltijd die ons overheerlijk smaakte. Op zo’n patrouille heb je eigenlijk maar één hoofd maaltijd en dat is het warme eten tegen het eind van de middag. ‘s-Morgens eet je meestal een mok havermoutpap en voor in de boot neem je een pak cakes mee. Niet de luxe cakes maar meer die keiharde koeken die toch wel erg voedzaam zijn maar erg vervelend om te eten. Dan krijg je er een blikje met kaas of een blik vleeswaren bij, enkele sinaasappelen gevitaminiseerde zuurtjes en dat is het wel zo’n beetje. Logisch dus dat je na een hele dag op het water behoorlijk honger gekregen hebt en je laat je dan ook door de kok, die erg goed is geweest tijdens de hele reis, verwennen. Het moreel was hoog en dat bleek overduidelijk aan de stemming die er die avond heerste. We probeerden op allerlei manieren wat bier van de kapitein (xxx) af te troggelen en dat ging als volgt. We zaten allemaal zo'n beetje bij elkaar en een van de jongens begon heel zachtjes iets te zeggen. Enkele woorden zei hij iets harder en die zal ik met hoofdletters typen. "Zeg, heb jij ook zo'n trek in een BIERTJE?" "Weet je dat we heel wat BLIKJES hebben meegenomen?" Zo'n BLIKJE zit natuurlijk helemaal vol lekker HEINEKEN". "Nou, PARBO (bier) is ook lekker hoor en dat zit toch ook in de IJSKIST!". "Ik wil eigenlijk ook wel iets DRINKEN'” en zo ging dat enige tijd door hoewel de kap. en de luit. helemaal niet reageerden. Toen hebben we het maar openlijk gevraagd en als antwoord kregen we dat we iets moesten bewaren voor onderweg. Wij op onze beurt gingen daarop door, door te menen dat er onderweg wel weer iets zou kunnen gebeuren, enz. enz. maar dat mocht niet baten. Daarna werd het gauw een beetje slap en begonnen we allerlei oude verhalen te vertellen. Zo hebben we een keer enkele sergeanten het probleem voorgelegd van een Jumbojet met allemaal vogeltjes erin. Als die vogeltjes nu eens allemaal plotseling gingen vliegen, zou dan het totaal gewicht van de Jumbojet verminderen? Dit leverde toentertijd zoveel stof ter discussie op dat we er nu nog de grootste lol om hebben. De luit. plaatste echter de opmerking dat als die vogeltjes eens allemaal zouden gaan poepen dat de Jumbo dan neer zou storten. Een maatje van mij, die vliegtuigmonteur bij de KLM is zei toen dat er dus een reglement opgesteld diende te worden. Ik haakte daarop in en zei dat dat dan moest luidden: 'Verboden te poepen voor vogeltjes’ en we heb ben elkaar zou goed aangevoeld dat we 5 minuten met buikkrampen hebben gesnikt van het lachen. De luit. die echter tussentijds iets uit z'n commandotijd aan het vertellen was had echter het laatste niet gehoord en midden in z'n verhaal dus die lachsalvo en dat vond ie niet zo geslaagd zodat we opnieuw blauw lagen van het lachen. Afijn, weinig bier dus die avond en om het geheel af te sluiten maakte de luit bekend dat er van 2200 tot 0600 uur wacht gelopen moest worden bij de korjalen i.v.m. het risico van afdrijven. Ik reageerde met de vraag of korjalen alleen maar afdrijven tussen 2200 en 0600 uur en dat was weer een giller. Echter de koelamannen hielden de wacht tot 2200 uur zodat het installeren van de wacht op dat late tijdstip wel gefundeerd was maar we hebben toch weer even kunnen lachen en daar ging het eigenlijk alleen maar om. Iets over Loka Loka. Een voor Europese ethische begrippen zeer moeilijk dorp. Er woonden nog maar enkele vrouwen met kinderen en verder waren er nog drie mannen. De rest was verhuisd of weet ik wat aan het doen ergens ver weg. Op z'n Nederlands gezegd zou dit dus een hoerendorp zijn, maar als je een beetje gewend bent aan de manier waarop de Creolen leven dan vind je zoiets al spoedig heel gewoon. We hebben die avond nog zoiets als een dansi dansi gehad maar dat was niet zo'n succes alhoewel gezegd moet worden dat de mensen er wel hun best voor deden. Hun capaciteiten lagen nu eenmaal niet hoger. Later hebben we betere dansi dansi’s in andere dorpen gehad en het lijkt me het beste als ik dat dus maar bij de desbetreffende dorpen beschrijf. Dit dorp was trouwens het eerste Creoolse dorp dat we zagen waar de voorgevel en deurstijlen fantastisch mooi beschilderd waren met het oog op de boze geesten. Elke hut is anders en de kleuren combineren wel mooi. Het is echter verboden om van deze dingen een foto te maken. We hebben het dus ook maar niet gedaan want wie weet wat voor last je daar mee kan krijgen daar hadden we die avond nou niet bepaald zin in. De hoofdkleuren die ze voor deze beschilderingen gebruiken zijn rood, wit, blauw en zwart. Ondanks alle beschilderingen van en tegen boze geesten die wij niet boven de hangmatten hadden hebben we toch vrij ongestoord geslapen behalve dan op die twee uur na dat we wacht moesten lopen.

 

Woensdag, de tweede dag van de vaarpatrouille zijn we om 0530 uur opgestaan. Na wat havermoutpap te hebben genuttigd hebben we snel alle spullen ingepakt en bij de korjalen neergelegd. Het inladen van de korjalen geschiedt namelijk alleen door de koelamannen en motoristen, omdat zij nu eenmaal na jarenlange ervaring het beste weten waar alles moet liggen in verband met het gewicht verdelen van de korjalen. Dit luistert nogal nauw en dat is ook best te begrijpen als je ziet hoe smal zo'n korjaal eigenlijk is. Je kunt op zo'n plankje net naast elkaar zitten en dan nog hopen dat je medepassagier niet al te dik is uitgevallen. Ik zat naast de hob en dat is gelukkig geen dikkerd, ikzelf ook niet zodat dat geen problemen opleverde. Erg lastig is de enorme hoeveelheid bagage die meegenomen moet worden. Doordat er elke dag uitgeladen moet worden komt het elke dag voor dat je weer iets rotter komt te zitten dan de dag daarvoor. Het meeste last hebben wij wel gehad van de blikken groente en fruit die in een plastic zak waren verpakt en die boven op de jerrycans lagen. Er ligt over dit geheel een groot dekzeil zodat het onmogelijk is gebleken om deze blikken tijdens de tocht te verplaatsen iets wat ons mateloos ergerde. Echter met de wetenschap dat elke avond enkele van deze blikken het moesten ontgelden was het toch wel uit te houden en na verloop van tijd hadden we toch de dingen zo weten te manoeuvreren dat we een redelijke ruggesteun hadden. Andere jongens zaten op de bankjes zonder ruggesteun en dat is nog erger dan een harde ruggesteun. Onder begeleiding van de klanken uit de oude trompet getoverd door de hob begonnen we dus aan de tweede ruk. De eerste twee dagen zouden we het langste in de boten moeten doorbrengen. De rivier is op deze twee lange trajecten niet zo erg moeilijk bevaarbaar alhoewel we ons vandaag toch wel hebben verbaasd over de moeilijkheden die het varen op deze rivieren kenmerken. Volgens het officiële rapport hebben we geen soela's van belang gepasseerd maar daar ben ik het toch niet helemaal mee eens. Tot ongeveer 1100 uur gebeurde er niets spectaculairs wat de soela's betreft maar dit werd goedgemaakt door de schoonheid van de rivier en de aangren­zende oevers. Het was duidelijk dat we steeds meer het binnenland ingingen want het terrein werd langzamerhand steeds heuvelachtiger en zo tegen een uur of tien kwamen we langs het Nassau gebergte. Het samenvloeien van de kleuren groen en blauw is hier werkelijk iets fantastisch. Het vormde één prachtig geheel. Het blauw van de rivier en het diepe blauw met enkele witte volken van de hemel en daartussen het prachtige groen van de heuvels. Er zijn op dit stuk dan ook heel wat foto's en dia’s genomen en nu maar afwachten of we er in zijn geslaagd de schoonheid van dit tafereel op de gevoelige plaat vast te leggen. Het meeste van de tijd voeren we dicht onder de franse kust omdat daar het water dieper is dan in het midden of aan de Surinaamse kant. Echter de koelamannen bleven goed uitkijken en zo nu en dan kwam onze hoofdkoelaman overeind om het water voor ons te bestuderen. Deze kerels zijn werkelijk fantastisch wat het onderscheidingsvermogen betreft. Door bepaalde stromingen kunnen zij gevaarlijke plaatsen al reeds van verre zien aankomen. Natuurlijk zijn zij hier op de rivier thuis en kennen zij deze dan ook als hun broekzak maar toch blijft het een prestatie. Ze kijken zonder problemen 2 meter diep in het water en dat is gewoon ongelofelijk. Wij hebben het zelf ook wel eens geprobeerd maar voor ons is dat niet haalbaar. Het meest ongelofelijke is echter dat zij dit ook kunnen als de zon pas opkomt of aan het ondergaan is. De weerkaatsing van het zonlicht is dan dusdanig fel datje gewoon met je ogen zit te knipperen en je gegarandeerd na enkele minuten reeds koppijn krijgt De koelamannen echter staan daar maar gewoon te kijken alsof er niets aan de hand is. Hier blijkt wel hoeveel onze capaciteiten wat betreft kijken, ruiken en horen achteruit gegaan is sinds de mens in de steden is gaan leven. Die gasten kunnen midden op het water een varken ruiken dat ergens langs de oever aan het scharrelen is. We hebben enkele apen gezien tijdens deze dag maar dat moeten we maar geloven. De koelaman wees ons naar de compleet dichtgegroeide oever en zei dat daar en daar apen in de bomen zaten. Wij kijken en kijken maar we konden niets ontdekken. Daar werd van gebaald want eindelijk is er een aap te zien of iets anders wat de sleur breekt en dan blijkt dat je nog niets kan ontdekken. Trouwens als je die koelamannen zo bezig ziet begin je al gauw het een en ander aan ze op te vallen iets wat de scherpe reukzin van deze mensen totaal niet onderstreept. Ze zijn namelijk net zo als wij verzot op tabak maar je zal ze nooit zien roken. Ze hebben altijd een klein potje bij hun met een dekseltje erop. In dat potje doen ze een beetje tabak, liefst zware tabak, en dan vullen ze het potje voor driekwart met water. Dan duwen ze met hun vinger enkele malen op de tabak en zetten het vervolgens afgesloten ergens onder de bank. Enkele minuten later halen ze het weer tevoorschijn, gieten wat van dit ontzettend sterke spul op hun hand, en snuiven het vocht dan door hun neus naar binnen; daarna blazen ze het weer naar buiten en aan hun gezichten te merken moet dat erg prettig wezen. Dat sap ziet er ontzettend bruin uit en moet volgens mij vloeibaar nicotine zijn. Onbegrijpelijk dat die mensen dat uithouden en het vreemdste is nog dat ze hun reuk niet schijnen te verliezen. Een zeer vreemde manier van tabak gebruiken en geen van ons allen voelt zich dan ook geroepen om dit eens te proberen. We weten namelijk niet of we hiertegen verzekerd zijn. Dat je neus van binnen in de brand vliegt hebben we zo wie zo al bepaald en dus hielden we ons alleen maar bezig met het griezelen bij het zien gebruiken van deze methode. Zo tegen een uur of 11 kwamen we in de buurt van Stoelmanseiland en voordat we daar even een rustpauze gingen houden moesten we nog drie behoorlijke soela’s over waarvan de tweede wel de meest woeste was. Er werd in het begin heftig gediscussieerd door de koelamannen hoe we deze hindernis zouden nemen het is wel begrijpelijk dat met elke waterstand er anders gevaren kan of moet worden. Ze waren het echter vrij snel eens met elkaar en nu werd de afstand tussen de korjalen aanmerkelijk vergroot. Het risico dat een korjaal de soela niet kan nemen is natuurlijk niet ondenkbaar en je kan je wel voorstellen wat er gebeurt als de korjaal moet terugkeren en er is net een andere korjaal bezig de soela op te komen. Botsingen, omslaan, zwemmen en al dergelijke dingen liggen dan in het vooruitzicht en dat is geen prettig vooruitzicht. De soela's waren van een dergelijk kaliber dat de zwemvesten omgedaan moesten worden en we verwachtten dan ook alvast het ergste. Het moeilijkste van deze vaarpatrouille is het behandelen van de fototoestellen geweest. Water en fotospul verdragen elkaar niet erg dus je deed je uiterste best om deze dingen droog te houden. Aan de andere kant wilde je natuurlijk foto's maken van dat prachtig opspringende water, de stampende korjalen en de zwoegende koelamannen zodat het soms erg lastig werd om te bepalen wat je nou moest gaan doen. Het toestel opbergen in een plastic zak en onder je jasje vasthouden of in een oud .50 kistje doen wat gegarandeerd waterdicht is of gereed houden om foto's te maken. De jongens met de meest eenvoudige toestellen van richt en knip zonder te hoeven draaien aan afstandringen, diafragmaringen en tijdringen waren natuurlijk het beste af. Simpel de kamera pakken, doordraaien richten en knippen en snel weer wegstoppen bleek goed te gaan. Heb je nu een kamera die je moet focussen dan stel je het toestel natuurlijk veel langer bloot aan het gevaar van opspattend water. Bovendien ben je meestal zolang bezig dat je geen goed overzicht meer hebt op wat er aan het komen is zodat de bezitters van deze kamera's vele malen totaal verrast door een plotselinge beweging van de korjaal of een overspoelende golf zich met alle verbetenheid over de kamera buigt om het te beschermen. Goed, de afstand tussen de korjalen werd dus vergroot en de eerste boot ging over de eerste soela. Er werd hard geschreeuwd en waarschijnlijk ook wel gevloekt en met veel duwen met de koelastokken en soms ineens overschakelend op de peddel wisten de koelamannen en de motorist deze eerste hindernis zonder schade te nemen. Dit alles is natuurlijk nogal vlug verteld maar in feite duurde dit ongeveer tien minuten. De soela bestaat namelijk meestal uit een vrij uitgestrekt gebied waar het verval plaatsvindt en je ziet al gauw dat een rechte lijn varen absoluut onmogelijk is. Er wordt tijdens zo’n soela'tje nemen dan ook herhaalde malen van koers gewisseld zodat je de ene keer tegen de stroom ingaat tot je voorbij een stuk rots bent, dan gaat het ineens dwars op de stroomrichting wat natuurlijk weer heel andere handelingen vereist en dan een stukje met de stroom mee, gevolgd door allerlei rare bewegingen weer tegen de stroom in en zo duurt het gevecht voor wat betreft de eerste soela zeker wel tien minuten. Het water komt van alle kanten op je af omdat de rotsachtige bodem het nou eenmaal niet toestaat dat er één stroomrichting is. Grote draaikolken, opwellend water, opspattend water en water in allerlei vormen van bewegingen kom je dan tegen en je komt gewoon ogen tekort om van dit prachtige schouwspel te genieten laat staan dat je in staat bent om er sfeervolle foto's van te maken. Als alle drie de korjalen de eerste soela hebben overwonnen wordt er meestal weer even overlegd en dan gaat het naar de tweede toe. De rivier maakt hier een totaal verwarrend beeld omdat er overal eilandjes in liggen die een goed overzicht van de situatie belemmeren. Als je hier dus voor de eerste keer komt is het wel zeker dat je gegarandeerd de verkeerde kant op gaat want sommige doorgangen lijken geheel makkelijk te nemen alhoewel dit puur een trucje is van moeder natuur. We hebben ons vaak verwonderd over het feit dat we altijd naar de kleinste en moeilijkste gaatjes gingen die er waren maar we hebben gemerkt dat dit ook inderdaad de enige plekken waren waar doorgang mogelijk was. De tweede soela deed ons wel even bibberen want deze was wel iets heel aparts. Over een breed front stortte het water zich hier trapsgewijs naar beneden en hier was zo op het eerste gezicht helemaal geen doorgang te zien. Dat klopte ook want we gingen zigzaggend langs dit stuk en verdwenen ten slotte achter een eilandje. Hier kregen we hetzelfde beeld maar op één plaats was dit anders, veel enger. Natuurlijk moesten we hier doorheen en we hielden onze adem in toen we het zagen. Een grote kolkende massa water perste zich hier tussen twee rotsen door wat een donderend lawaai maakte en ons bij voorbaat al nattigheid beloofde. Met behulp van de koelastokken naast de boot en de motor af en toe op volle kracht schuin op de richting van de boot gelukte het ons dicht bij deze opening te komen en er aan de andere kant van te komen. We hadden nu dus een stuk rustig water bereikt want waar we dus vandaan kwamen was het nogal wild met allerlei vreemde stromingen die de boot letterlijk alle kanten opgooide. We waren nu dus vlak bij dat gat aangekomen, ongeveer drie meter van die rotsen af, en de boot werd 180° gedraaid. Langzaam slopen we voorwaarts totdat de punt van de korjaal zich bijna in de kolkende stroom bevond. Daarna, plotseling begon de motor op volle toeren te draaien en sprongen we schuin de waterval in waardoor behoorlijk wat water naar binnen kwam. Door de enorme stroom werd de boot echter direct recht op de stroomrichting gezet en voor enkele seconden stonden we geheel stil. Het water stroomde brullend langs de boot en de motor brulde zo mogelijk nog harder. De twee koelamannen zetten hun stokken aan weerszijden van de boot in het water en heel langzaam ging het, stroomopwaarts. Toen een geweldige schreeuw van de hoofdkoelaman en weer schoot de boot met een ruk verder. Op een gegeven moment kwam de boot echter zo scheef te liggen dat er ge­vaar voor omslaan inzat maar met enkele krachtige bewegingen wist de koelaman dit te voorkomen. Het verschil tussen de voorkant van de korjaal en de achterkant was nu opgelopen tot zeker één meter en dat is behoorlijk ook voor zulke lange korjalen als wij hadden. We kropen als het ware steeds verder de soela op en het onvermijdelijke moest gebeuren. De motor kwam uit het water omhoog doordat nu het grootste gedeelte van de korjaal al dusdanig ver de soela op was dat de punt droog bleef, enkele meters naar achteren het contact met het snelstromende water werd gemaakt en helemaal achterin moest het erg onplezierig zijn op dit moment. Het moment dat de achterkant van de boor omhoof kwam en de schroef dus in de lucht maalde waren we helemaal afhankelijk van de koelamannen en het vreemde was dat dit helemaal geen verschil maakte. Nog steeds erg langzaam kropen we verder totdat de schroef het water weer raakte. Daarna een flinke ruk naar voren en de korjaal lag weer horizontaal. Echter een zeer gevaarlijk gedeelte lag vlak achter dit stuk waar het water zich met grote kracht tegen de oevers wierp en vandaar de soela in. Boot werd dan ook onmiddellijk in die richting gegooid maar de koelamannen waren hierop voorbereid. Ze zetten zich schrap met de koela’s tegen de oever aan en je kon zien dat er enorm hard gewerkt werd. De spieren van deze koelamannen stonden strak als kabeltouwen; de motor loeide op z'n hardst en met gweldige schreeuwen wisten ze de boot van de kant af te houden, de kop van de korjaal in de nieuwe stroomrichting te plaatsen en toen was het over. We waren goed nat geworden want er was zo stiekemweg toch wel een behoorlijke hoeveelheid water naar binnen gekomen. De koelamannen maakten een klein dansje van plezier dat het ze gelukt was deze soela (de naam weet ik niet maar dat doet er niet veel toe) te nemen. Er scheen echter nog een andere weg te zijn want zo gauw we een rustig stukje water hadden gevonden begon de hoofdkoelaman allerlei dingen te schreeuwen die op wonderlijke wijze boven het enorme lawaai van de soela uitkwam. Het resultaat was dat de andere twee korjalen aan de andere kant van de oever bleven en daar de soela opkwamen. Wij konden zien dat het veel gemakkelijker was dan de route die wij genomen hadden. Toen ging het richting soela nummer drie. Onderweg kwamen we nog een bootje tegen met enkele toeristen erin die druk aan het fotograferen geslagen waren op de soela. Ze liepen door het water en klauterden over rotsblokken en wij zijn ook nog gefilmd. Uiteraard zie je hiervan niets terug en dat is wel jammer want deze toeristen hebben mooi de gelegenheid gehad om het hele zootje tegelijk te fotograferen. De derde soela was nu geen probleem meer voor ons '.ouwe stomp’ en het ging dan ook vrij gemakkelijk en daar is verder weinig over te zeggen, alhoewel we bij deze soela natter zijn geworden dan bij die vorige twee. Het blijkt namelijk dat niet de hoogte van de soela naar de stromingen voor het binnenstronende water zorgt. Als je met de korjaal zo tussen die rotsen door aan het laveren bent komt het vaak voor dat de boot alle kanten tegelijk opgestuurd wordt. Op stukken waar het erg rustig lijkt, blijkt de stroming het verraderlijkst te zijn en hier gebeurde het dan ook dat geheel onverwachts grote golven de korjaal binnenkwamen. Je voelt je dan wel helemaal machteloos want er absoluut niets wat je er tegen kan doen. Het enige waar je echter in geïnteresseerd bent is het droog houden van je kanera en dat is vrijwel de gehele reis iedereen behoorlijk gelukt. Nadat alle drie de korjalen veilig en wel de soela's genomen had­den hielden we op een rustig plekje even halt om van een biertje te genieten. We hebben tevens wat worstjes gegeten en vat cakes en na een half uurtje ging het verder. De Marowijne hadden we nu achter de rug, de Lawa lieten we links liggen en nu zaten we dus echt op de Tapanahony. De rivieren verschillen in niets van elkaar, tenminste voor ons leken dan, en voorlopig zouden we ook geen soela's krijgen. Om ongeveer twee uur kwamen we bij een geheel ander soort soela aan. Ik noem dit soort soela's damsoela's en wel om de vol­gende reden. Op de plaatsen waar deze soela's voorkomen zijn er geen eilandjes in de ri­vier en over de gehele breedte van de rivier valt het water ineens ongeveer 1 tot 1½ m. Deze soort soela's worden net zo genomen als vroeger de steekspelen bij de ridders werden uitgevoerd. Je mindert vaart tot op enkele tientallen meters voor de dam, dan plotseling storm je vooruit met de motor op volle snelheid en het grootste gedeelte van de korjaal verdwijnt bijna helemaal onder water. Door de opwaartse kracht van het water komt het voorste stuk met een ruk omhoog en het achterste stuk gaat dan mee. Door de koelamannen voorin wordt dan druk gepeddeld terwijl het achterste stuk als het ware geheel vrij komt te hangen. De motor is dan natuurlijk niet meer in staat om de korjaal voort te bewegen en nog gebruik makend van de snelheid die de korjaal had, peddelen de koelamannen verwoed door totdat de motor weer "grip" krijgt en dan zijn we erover. We zagen in dit soort soela's helemaal geen gevaar naar onze tweede koelaman vertelde ons dat dit soort stroomversnellingen toch nog wel tot de gevaarlijkste gerekend moeten worden. Omdat over de gehele breedte van de rivier hetzelfde gebeurd schijnt dat, vlak voor de soela, aan de lage kant, gevaarlijke draaikolken ontstaan. Hij vertelde ons dat in deze soela zijn broer, die als motorist werkte bij een binnenlandse vervoermaatschappij, met korjaal en al ver­gaan is. Het vreemdste is echter dat ze hem en z’n spullen nooit meer hebben teruggevonden en zo'n verhaal dat ongetwijfeld waar zal zijn, zet je toch wel aan het denken. Afijn, bij ons was er niets gebeurd en dat is naar gelukkig ook want voor geen geld zouden we de vol­gende dagen hebben willen missen. Na nog een uur kwamen we weer zo'n dam tegen en hier ging alles net zo als bij de eerste. Deze dam was echter niet zo groot als de eerste. Tegen drie uur kwamen we aan bij de Gran Holo vallen en dat is, zoals we op de terugweg hebben gemerkt, een prachtig gezicht. Nu moesten we echter Drietabbetje bereiken en daar het al vrij laat was hadden we geen tijd om deze te gaan bezichtigen. Het enige stukje van deze Gran Holo vallen, de Wowatra abravallen, waar de boten over konden, is in het verleden altijd het grote struikelblok van de Tapanahony rivier geweest. Deze Wowatra abravallen zijn in het geheel ongeveer vijftien meter lang met in die vijftien meter een verval van zeker 4 tot 5 meter, Hier moest men in het verleden altijd de korjalen uitladen en de korjalen leeg over de vallen trekken. De lading werd dan over een stuk land vervoerd tot aan de andere kant van deze vallen, hier weer ingeladen en je begrijpt dat dat een ontzettend tijdverlies opleverde. Sinds twee jaar echter heeft men een klein spoorbaantje naast deze vallen aangelegd. Een klein karretje met vier wielen wordt nu onder de korjaal geduwd en met z'n allen wordt dan dit geheel de spoorlijn opgetrokken wat een heidens werk is. Als zo'n grote korjaal op zo'n karretje het water uit wordt getrokken dan besef je pas hoe afgrijselijk groot die kleine bootjes toch nog zijn. Er moest wel gewerkt worden om dit gevaarte de heuvel op te krijgen. We waren met z’n twintigen aan het trekken en duwen en nog ging het maar heel langzaam. Als je zo loopt te zwoegen naast zo’n boot begin je pas goed in te zien wat die koelamannen voor ’n werk verzetten. Tjonge, wat is zo’n korjaal akelig zwaar. Het vervelendste was echter dat de rails overal niet even wijd was zodat het karretje diverse malen van de rails afliep. Dan komt iedereen er aan te pas om de korjaal omhoog te trekken zodat de krachten op het karretje minder worden en de “operators” in staat zijn om alle vier de wielen weer op de rails te zetten. Gelukkig gebeurde dit alleen bij de eerste korjaal Bij de andere twee korjalen hadden we al gauw in de gaten dat je aan beide kanten even hard moet duwen en trekken. Dit alles bij elkaar duurde ongeveer een uur en het zweet gutste van ons af. Het was die middag dan ook erg warm en vrijwel geen bewolking. We waren echter nog niet helemaal klaar. Toen wij zo bezig waren met onze eigen korjalen kwam er ook nog een grote korjaal bij die een inlandse priester vervoerde. Dit kon je zien, zo vertelde men later, aan de grote witte vlag die die boot droeg. Die vlaggen doen qua afmetingen denken  aan Chinese vlaggen: langer dan onze vlaggen en minder breed, of breder en minder lang, 't is maar hoe je het bekijkt. Toen ons dit was verteld hebben we onderweg hoopjes van die vlaggen langs de rivier gezien. Voor ons was dit altijd moeilijk te ontdekken maar als je even oplet heb je het echter gauw in de gaten. Minstens elk uur kwamen we er wel enkele tegen. Het kan natuurlijk ook zijn dat die vlaggen langs de oever heilige plaatsen aanduiden. Dit soort vlaggen hebben we vooral in de heidense dorpen veel gezien. B.v. in Poeketi, het dorpje dat tegenover de Wowatra abravallen ligt, was er mee vergeven. Je kon daar geen meter lopen of je kwam zo’n vlaggenmast tegen met allemaal lange, eens wit geweeste lappen eraan. Bovendien was in Poeketi de beschildering van de huizen wel erg opvallend. In geen enkel ander dorp waren de huizen zo druk beschilderd als daar. Ook was het hier dat we voor 't eerst lege flesjes met een dop erop tegenkwamen. Die stonden meestal op de deurpost of hingen naast de beschilderingen aan de muur. Dit is natuurlijk ook iets tegen de boze geesten maar ondanks herhaalde malen vragen aan de koelamannen werd ons dit niet geheel duidelijk uitgelegd. Terug bij het sleepwerk. De boot die die priester vervoerde was bijna net zo groot als onze eigen korjalen maar gelukkig niet zo zwaar beladen. Het duurde dan ook niet lang of we hadden ook deze boot over de rails naar de andere kant gebracht. Dit werd natuurlijk zeer op prijs gesteld. Het komt niet veel voor dat er mankrachten genoeg aanwezig zijn om kor­jalen van die afmetingen zo gemakkelijk naar de andere kant te brengen. We moesten eerst even bijkomen van al dat gesjouw en zijn naar een kleine uitspanning gegaan die halverwege de rails was opgetrokken. Hier namen de meeste van ons een lekker koud flesje soft en na  15 minuten was het weer instappen geblazen en gingen we verder. Het was inmiddels al tegen drie uur en we begonnen het al akelig zat te worden. Totaal zaten we dan ook al 7 uur op die harde planken en je wist van narigheid gewoon niet hoe je moest gaan zitten. Ook hier kon je duidelijk merken hoe de Europeaan al verpest is door al die luxe. De koelamannen en de motoristen staan en zitten de hele dag en je merkt helemaal niet aan ze dat ze moe worden of pijn in hun rug krijgen. Ja, we hebben deze mensen wel leren waarderen zo gedurende de trip. Maar met nog ongeveer 1½  uur te gaan zou het allemaal nogal meevallen. Na ongeveer een half uurtje kwamen we bij een nieuw soort soela en wel een van de allermoeilijkste. Geen groot verval doch veel stenen en hier en daar erg ondiep. Vlak voordat we bij deze soela aankwamen gingen we ineens de bossen in, tenminste, zo leek het dan. Een kleine opening die bijna helemaal dichtgegroeid was en voor ons leken op het eerste gezicht niet veel ruimte gaf. Een vreemde gewaarwording zo'n nauwe doorgang. Misschien kan je het vergelijken met zeilen op de Kaager plassen. Daar heb je ook zo ineens van die doorgangen waar je met je handen uitgespreid beide oevers kan bereiken. We moesten hier ook diep bukken om niet door de overhangende takken van onze hoofddeksels beroofd te worden. Die doorgangen leveren echter dankbare shots op om gefotografeerd te worden. Het zonlicht wordt hier prachtig "gefilterd" en het was daar erg mooi zo, met dat water, bos en zon. De soela. Een grote wirwar van stenen en we zagen nauwelijks een behoorlijk plekje om te varen. Na een tijdje zigzaggen, duwen en trekken kwamen we dan ook typisch vast te zitten maar daar waren de koelamannen helemaal niet van onder de indruk. Ze sprongen uit de boot en tilden de korjaal gewoon over de rotsen. We kwamen soms wel akelig schuin te hangen maar daar de stroming hier niet snel was leverde dat geen bezwaar op. We werden ingehaald door een kleine korjaal “bemand” met twee vrouwen. Omdat deze korjaal leeg was en stukken kleiner hadden ze natuurlijk haast geen last van het lage water. Eventjes verderop lieten deze vrouwen hun korjaal achter enkele rotsblokken vastliggen en kwamen zwemmend en lopend en kruipend naar ons toe om de koelamannen een handje te helpen. Wij echter mochten niet uit de boot en moesten blijven zitten. Je voelt je dan ongelofelijk lullig. Gewoon maar blijven zitten terwijl er wildvreemde vrouwen komen helpen slepen. Dit is echter ook zo'n vreemde legerorder. Militairen mogen echter dan pas helpen als er werkelijk gevaar voor de korjalen en de inzittenden bestaat. Dat bestond echter niet, dus niet helpen. Je schaamt je echter rot en je weet gewoon niet welke kant je op moet kijken. De vrouwen waren uit een naburig dorpje en toen we allemaal eenmaal de soela over waren hebben we daar even gestopt en de dames enkele dingen als dank aangeboden. Daarna ging de boot met de luit vooruit om onze komst te Drietabbetje te melden. Met militaire patrouilles moet dit allemaal officieel gebeuren. Het duurde niet lang voordat ze terugkamen en nu met de boot van de kap. voorop gingen we Drietabbetje aanvallen. Met de hob heb in volle actie stormden we op het dorp af en vlak voor het dorp werden er saluutschoten afgevuurd. Tot grote ontsteltenis van de hob moeten we voor de show echter drie rondjes draaien voor het dorp voordat we gingen aanleggen en al gauw zag hij dan ook helemaal paars van de inspanning. Het werd echter zeer gewaardeerd, dit optreden van hem, en onder luid gejuich legden we aan. Vanaf de kant begroette men ons ook met saluutschoten en dat was erg leuk. Minder leuk was natuurlijk het feit dat zij geen losse flodders hadden maar gelukkig richtten ze op het water en dat was voor ons een hele geruststelling. We werden ontvangen door verschillende basja’s en onderkapiteins en in processie ging het dwars door het dorp naar de woonplaats van de Granman. Toevallig waren er in het dorp enkele Indianen aanwezig die ook tot de Wajana’s behoorden. Reeds toen maakten ze op ons indruk door hun manier van voorkomen en waardigheid maar we hadden geen tijd om ze verder ‘aan te gapen’ want eerst moest het ceremonieel bij de Granman  verder voltrokken worden. Voor de poort van zijn huis kwam de hob weer in actie en dit werd door de omstanders en door de Granman zelf zeer gewaardeerd. We werden allemaal uitgenodigd om naar binnen te gaan. Hier werden we officieel toegesproken en gelukkig dat we gebruik konden maken van de kwaliteiten van Hr. Libretto die nu als tolk dienst deed. De plaatselijke bevolking had het hele gebouw omsingeld en overal keken ze door naar binnen. Dit duurde zo ongeveer een kwartier en toen kregen we een geleide mee die ons naar het gastenverblijf escorteerde. Dit gastenverblijf is een van de weinige gebouwen in het toch wel grote dorp dat er Europees uitzag. Gebouwd op neuten van beton (grote palen zodat de wind onder het huis kan om zodoende voor meer afkoeling te zorgen; vergelijk de wijze van bouwen in Queensland). De officieren en de twee SMA werden naar boven gebracht en kregen ieder een kamer toegewezen. Wij konden onze hangmatten spannen tussen de neuten en zo was het nachtleger al spoedig gereed. De koks zorgden weer voor een voortreffelijke maaltijd. Hier in Drietabbetje werd besloten de grote ijskist uit te laden omdat deze nu zo goed als leeg was. Leeg is eigenlijk niet het juiste woord. Er was namelijk nog bier genoeg voor de komende dagen maar het ijs was intussen gesmolten en het nut van de kist was er dus niet meer. Met zes man hebben we die kist de oever opgebracht en dat was een hels karwei. Die kist is ongelofelijk zwaar iets wat de luit wel beamen kon. We moesten namelijk met die kist door een klein poortje en dat was net breed genoeg om de kist door te laten. Een enorm klooien was dus het gevolg. Op een gegeven moment moesten we de kist neerzetten en dat ging zo snel dat de luit z'n voet niet op tijd weg kon halen met als gevolg dat zijn tenen beklemd raakten tussen een van de kleine pootjes en de harde grond. Er werd echter niet gevloekt maar dat het prettig was kon je ook zo wel zien. Hij leek er echter niet al te veel hinder van te hebben want de volgende dag was er niets neer van te merken. We hadden die avond wel allemaal pijn in onze rug. Je moet je voorstellen dat je de hele dag in een schier onmogelijke positie doorbrengt en als dan ineens zo’n zware kist versjouwd moet worden dan is dat wel te merken. Die avond zouden we een dansi dansi hebben maar het begon erg hard te regenen en dat ging dus ook niet door. Enkele van de jongens konden wegens plaatsgebrek hun hangmat niet onder het huis aan de neuten bevestigen en die moesten buiten hangen aan de watertoren en het hek. Hier kwamen we gauw achter de slechte kwaliteit van de hangmatten want in no time kwamen ze naar degenen toe die wel onder het huis lagen en de stemming van die jongens was niet mis te verstaan. Een had nog het geluk dat hij aan de schijterij was geraakt en die was dus helemaal niet te genieten. We hebben het echter weer erg soepel opgelost en zo was er dus weer een dag voorbij. Nog wel leuk om te vermelden is de belangstelling van de jeugd voor het radiowerk. Zo gauw ze je in de gaten hebben komen ze werkelijk overal vandaan en je struikelt gewoon over ze. Ik was met een van de maten bezig de antenne te stellen en op een gegeven moment was zelfs de radio helemaal zoek. Het hele veldje stond vol met kinderen en ze kunnen werkelijk nergens vanaf blijven. Je kan natuurlijk wel tegen ze schreeuwen dat ze weg moeten maar je moet altijd voor ogen houden dat je te gast bent in het dorp alhoewel dat af en toe niet makkelijk is. Snel het bericht verzonden dat we zo en zo laat aange-komen waren (1700 uur) te Drietabbetje, dat het weer goed was en dat er geen bijzonderheden waren te vermelden. Daarna de radio van de antenne losgekoppeld en onder het huis gezet want ik moest rekening houden met eventuele regen en we hadden al een radio die niet meer te gebruiken was. Bij alles wat je doet word je gadegeslagen. Het is dan ook niet dikwijls dat een militaire patrouille daar komt dus dat is wel te begrijpen. Bovendien hebben ze ervaring opgedaan dat er altijd wel wat te halen is. De wacht werd weer ingedeeld en we gingen gauw slapen want we waren dood- en doodmoe geworden en ondanks het noodweer hebben we toch lekker geslapen.

 

Donderdag, de derde dag van de vp zijn we weer om 0530 uur opgestaan en alles in gereedheid gebracht om te vertrekken. Een mok havermout, wat brood en thee waren zo genuttigd. Gelijktijdig werden de rantsoenen verdeeld voor tijdens het varen en met de hob in volle glorie vertrokken we ongeveer 0645 richting Granboridorp. Omdat we nogal vroeg opstaan maken we elke morgen de zonsopgang mee en dat is werkelijk een prachtig gezicht. De nevelsluiers die over de rivier hangen geven aan alles nog een extra romantisch tintje waar we allemaal van genoten, behalve dan onze zieke maat. Vanmorgen heeft hij wel gegeten maar hij kon niets binnen houden. Hij zag gewoon groen van ellende en dat zou zo nog enkele dagen blijven. Reeds één uur na ons vertrek kwamen we al de eerste soela van betekenis tegen. De Koemaroe Tabbetje soela. Dit is weer een geheel andere soela als de andere hiervoor beschrevene. Bij de vorige soela was altijd sprake van een grote verdeling van het water door allerlei kleine eilandjes en rotsformaties. Deze keer echter stortte het water van de Tapanahony zich in een machtige plons ongeveer 1 meter naar beneden. Een machtig gezicht en het geluid was er dan ook naar. Hier moesten we uitstappen want de koelamannen vonden het niet verantwoord om met lading deze soela te nemen. Gelukkig hoefden we niet uit te laden alhoewel dat. wel gepland schijnt te zijn. We stapten dus uit op een plaats waar er al velen voor ons zijn geweest en er was dan ook duidelijk een pad te zien dat naar de andere kant leidde. We bleven uiteraard staan kijken hoe de korjalen het zouden doen en dat ging allemaal naar wens. De koelamannen met peddels gewapend zaten voorin en op ongeveer 20 meter van de soela ging de motorist over op topsnelheid. We zagen een geweldige hoop schuin hoog opspatten en de korjaal verscheen midden op de soela en lag ogenschijnlijk stil. De koelamannen peddelden als gekken en ondanks het hier zeer snel stromende water kwam de korjaal toch vooruit. Toen kreeg de motor weer grip en hup, ze hadden het gehaald. De eersten die erover waren schreeuwden iets tegen de andere twee boten, maar wat er nou precies geschreeuwd werd konden we door het lawaai van het water niet verstaan. De koelamannen en de motorist van de volgende boot staken hun hand op ten teken dat ze het hadden verstaan en ook zij kwamen zonder problemen naar de andere kant waar we verrast werden door een grote kolonie agressieve rode mieren die akelig gemeen konden bijten. We trokken ons dus even iets terug in het bos en wachtten op de komst van de koralen. Dat duurde echter langer dan we dachten want vlak achter de soela bleek het niet bevaarbaar te zijn zodat ze een omweg moesten maken om bij ons te kunnen komen. Het gehele oponthoud duurde een klein half uurtje en we stapten snel in om verder te gaan. Ondertussen werd het echter erg warm en we hebben ons dus om alle ellende te voorkomen maar weer eens ingesmeerd met zonneolie. Een ding heb ik niet vermeld en dat is eigenlijk heus wel het vermelden waard. Voordat we op weg gingen hebben we met TNT nog wat vis geschoten. Tenminste dat was de bedoeling. Het resultaat was echter gering tot grote teleurstelling van de bevolking die in alles wat maar kon varen klaar lag om na de explosie de rivier op te gaan. De explosie was enorm. Je voelde de aarde gewoon trillen en met luid gejuich snelde de bevolking de rivier op maar, zoals reeds gezegd, was het resultaat magertjes. De hele rivier lag vol met allerlei korjalen en ze waren voor het grootste gedeelte bemand door vrouwen met grote visharpoenen. Enkelen had­den het geluk enkele pirengs te pakken te krijgen Maar voor het metendeel staarde men triest in het rond. De Indianen die ook daarbij aanwezig waren en die klaar waren om verder stroomopwaarts te gaan namen niet eens de moeite om te gaan zoeken. Ze bleven gedurende het hele “feest” op een afstand staan kijken en toen ze zagen dat het resultaat niet noemenswaardig was zijn ze meteen vertrokken. Zulke dingen vallen je natuurlijk wel op als je zo als toeschouwer het gehele tafereel overziet. Het geeft een prachtig voorbeeld van de geweldige verschillen van karakter tussen de Indianen enerzijds en de Boslandcreolen anderzijds. De eigenlijke vertrektijd was dus niet 0645 maar pas 0745. Dit oponthoud kwam niet alleen door het vis schieten maar ook omdat onze hospik nog even ter assistentie opgeroepen werd bij de verpleegpost aan de overkant van de rivier. Het is verbazend te merken hoeveel vertrouwen de mensen uit het binnenland hebben in een militaire gewondenverzorger. Ook als er een medische post is, komen de mensen liever naar de hospik dan dat ie naar de medische post gaan. De medische post kan echter uitgebreide hulp verlenen, meer dan wij dat kunnen en toch.... Wel, verder is er op onze tocht naar Granboridorp niet veel gebeurd. Wel is het ons opgevallen dat er steeds minder dorpen langs de oever zijn en ook worden ze steeds kleiner. De mensen zijn echter bijzonder uitgelaten als we langskomen, uiteraard wordt hier dan op de hob geblazen, en je kan aan dit soort kleine dingen merken dat de bevolking niet veel van dit soort militaire patrouilles tegenkomt. De meeste patrouilles gaan dan ook tot aan Drietabbetje en wij waren hier de eerste soldaten in tien jaar. Een heel voorrecht om daarbij te mogen zijn natuurlijk en dat beseften we ons ook wel terdege. Tevens is dit de laatste patrouille die de TRIS organiseert en dit dan in verband net de komende onafhankelijkheidsdatum van Suriname. Om ongeveer kwart over twee kwamen we in Granboridorp aan en werden ook daar zeer hartelijk ontvangen. Alvorens we aan konden leg gen moesten we langs een soela en dit is weer een geheel ander type als degenen die we reeds gehad hadden. Het water kwam ook hier over een breed front naar benden stormen maar omdat vlak onder het grootste stuk verval in die soela nogal wat grote rotsen lagen wer­den hierdoor vlak na de soela hele grote draaikolken veroorzaakt. Toen we hier langs voeren en dus door de draaikolken, was dit wel goed te merken. Je kon heel goed voelen hoe het water de korjaal eerst naar rechts slingerde en daarna naar links. De motorist moest vol gas bijsturen om moeilijkheden te voorkomen. Eenmaal voorbij de draaikolken was het water erg rustig en het "landen" was dan ook geen probleem. We werden door bijna de gehele bevolking opgewacht inclusief de kapitein. Hij wist reeds van onze komst en dat is voor ons iets vreemds. Je denkt dat je op het water de snelste bent maar dat blijkt dan niet zo te zijn. Blijkbaar worden zulke berichten als voorrangberichten door de inlanders be­handeld en zo zie je maar dat zelfs in het midden van de jungle je altijd in de gaten wordt gehouden en elke beweging wordt gerapporteerd. Er werden natuurlijk weer de nodigs saluut­schoten afgevuurd die de gids, een basja uit Drietabbetje die door de Granman van Drietab­betje aan ons werd meegegeven omdat deze man de rivier boven zijn dorp tot aan Apetina beter kende dan onze koelamannen en motoristen, de stuipen op het lijf joeg. Al bij het spannen van de geweren dook hij helemaal in elkaar en durfde niet eens achterom te kijken. Later legde Hr. Libretto hen uit dat we alleen maar losse flodders gebruikten maar dat scheen hij niet helemaal te snappen. We moesten tenminste bij de volgende keer dat we zouden schieten hem op tijd waarschuwen. Ik denk dat hij dan de tijd wilde hebben om zijn bouwvakkershelm op te zetten. Je ziet de mensen in het binnenland en ook wel in de stad met voor ons de meest vreemde hoofddeksels op lopen, of het nou nodig is of niet. Keer op keer is ons dat opgevallen. Je zou toch wel denken dat iemand blij zou zijn om zo'n helm na de hele dag zo’n ding op je kop gehad te hebben, af te zetten maar het tegendeel is hier het geval. Ik geloof zelfs dat ze met dat ding op hun kop naar bed gaan. Meestal betekent zo'n hoofddeksel voor hun iets heel anders dan waar wij hem voor gebruiken. Iemand met een bouwvakkershelm is duidelijk een heel belangrijk figuur. Telkens als we dan ook langs een dorpje kwamen ging de helm op en dan zag je de man helemaal glimmen van trots. Die helm werd dan ook met de grootste voorzichtigheid behandeld. De kapitein van het dorp liet ons weten dat het een grote eer was voor hem en de dorpelingen dat de militairen hun dorp aandeden en hij vond tevens dat als blijk van zijn grote waardering alle korjalen door de dorpelingen ontladen moesten worden. We mochten niets zelf slepen. Hij vond dat als zeer beleefd en wij hadden daar natuurlijk niets op tegen. Wel krijg je ook hier weer zo’n raar gevoel als de zware dingen zoals een gasstel, radio’s, hangmatten en bepakkingen gedragen werden maar dat schijnt hier nou eenmaal gebruikelijk te zijn en dus moest het maar zo. De vrouwen vonden het zelfs leuk om extra zware dingen uit te zoeken om te dragen en alles op het hoofd natuurlijk. Het is ons opgevallen dat de mensen hier altijd rechtop lopen, dit in tegenstelling tot in de Europese steden waar je de meeste mensen voorovergebogen ziet lopen. Het bukken gaat dan ook hier heel anders als bij ons. Als ze zich bukken, gebeurt dit altijd vanuit de heupen, zodat de rug altijd recht blijft. Afijn, op de blikjes bier en voedingspakketten die we niet nodig hadden na, was alles in een mum van tijd boven en konden we in het daarvoor aangewezen gastenverblijf ons bivak gaan opbouwen. Je merkt aan alles dat we steeds geraffineerder worden in het opzetten van een bivak en binnen het half uur was alles gereed. De hangmatten hingen, de kok was haast klaar met het eten en de radioverbinding van ook reeds tot stand gekomen. Omdat wij vrij vroeg aangekomen waren hadden we nu tijd genoeg om aan ons zelf te denken, iets wat de afgelopen twee dagen door tijdgebrek e.d. niet of niet in voldoende mate mogelijk was gebleken. Het werd hoog tijd om de geweren te onderhouden en dat werd dus ook gedaan. Door al dat in- en uitladen blijft echter niets op dezelfde plaats liggen en dus konden we het busje wapenolie dan ook niet vinden. Later bleek dat het zich in de korjaal van de luit. bevond maar die was die middag met de kapitein en enkele gasten uit het dorp aan het vis schieten dus die waren niet bereikbaar. Omdat we al zo'n tijd naar die olie hebben lopen zoeken en er nog meer dingen waren die op onverklaarbare wijze niet te vinden waren kregen we ineens allemaal goed de PE in. We besloten om de wapens dan maar met spijsolie in 'te vetten zodat er toch nog wat vet opzat. We zijn toen gauw met z'n allen gaan zwemmen op een plaats die daar uitermate geschikt voor was. Even iets verderop, boven de soela met de grote draaikolken was weer zoiets als een soela, een kleintje. Hier hebben we uitermate lekker gezwommen en ook hebben we nog enkele uurtjes lekker bloot in de zon gelegen. Ja, we zijn tenslotte midden in de jungle en iedereen zwemt daar bloot dus wij ook maar. Het enige vervelende was natuurlijk dat je niet zeker wist of daar pirengs waren maar dat hebben we even aan de plaatselijke bevolking gevraagd en die hebben ons uitgelegd dat bij soela's, tenminste niet aan de bovenkant daarvan, nooit pirengs voorkwamen en dat hebben we dan maar aangenomen temeer omdat ze zelf ook altijd daar gingen zwemmen. Je kon daar uren zwemmen zonder ook maar één meter vooruit te komen en dat is best leuk om eens mee te maken. Er zijn zelfs enkelen geweest die zich met de stroom mee hebben laten drijven de soela af maar dat heb ikzelf maar niet gedaan. De maat die nog steeds goed ziek was (op één avond heeft hij er een hele rol WC-papier doorgedraaid) had nogal last van de warmte en vond in het water gelukkig de nodige afkoeling. De plaats was ook, zoals reeds gezegd, uitermate geschikt om te zonnebaden. De rotsen waren hier vrij plat en we hebben daar dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Na dus enkele uurtjes op zeer prettige wijze te hebben doorgebracht kwam de sergeant ons er aan herinneren dat we in militaire dienst waren en dat we de wapens moesten onderhouden. De luit. had namelijk gehoord dat we de wapens maar ingeolied hadden met spijsolie en dat beviel hem helemaal niet. We baalden daar dus van, zoals dat heet, maar hebben toch maar gauw gedaan wat er gezegd was anders zou de stemming, die toch al niet plezierig was op dat moment, nog verder verergeren en dat was ook niet nodig. Iemand moest enkele geschenken gaan halen die ergens in de korjalen lagen en kwam m een half uur terug met de mededeling dat het niet aanwezig was. De luit. kwaad en die ging zelf kijken en kwam natuurlijk reeds na enkele minuten al met het gevraagde naar boven. Hij was nogal opgewonden daarover en we kregen dan ook een kleine speech te horen dat we ons wat meer moesten inspannen om het geheel plezierig te houden en meer van dergelijke uitspraken.  We waren het hier natuurlijk niet mee eens want volgens ons deden we dat al, maar we hebben het maar ter kennisgeving aangenomen. Tijdens het opzetten van het bivak werden we natuurlijk weer van alle kanten met open mond gadegeslagen. Zelf hadden we ook iets om gade te slaan en dat was het maken van Creoolse kapsels zoals ik dat maar zal noemen. Vlak naast onze gastenverblijven waren namelijk enkele meisjes' bezig het haar op deze typische wijze te behandelen en dat had natuurlijk onze belangstelling. Niet alleen het haar natuurlijk want er was nog wel wat meer te zien aan dit viertal en je begrijpt natuurlijk wel wat dat was. Er werd bekend gemaakt dat er die avond ter ere van ons een ‘dansi’ zou worden georganiseerd. We waren daar echter nog niet van overtuigd gezien onze ervaringen van de twee vorige avonden. Deze avond bleef het echter droog en zo rond 8 uur hoorden we reeds de eerste apinties (tam-tam) en de gezangen. De wacht werd geregeld en we zijn natuurlijk gaan kijken. Ten eerste zou dit een echt dansi dansi worden omdat dit nog voor het grootste gedeelte een heidens dorp was. De invloed van het christendom op de dansi dansi heeft zich wel heel duidelijk doen gelden en dat hebben we op deze avond wel gemerkt. Het dansen was erg fanatiek en zeer op de seks ingesteld. Het laat zich moeilijk omschrijven maar gelukkig mochten we foto's maken en dat hebben we dan ook driftig gedaan. Ook worden er politieke zaken tijdens zo'n dansi in zang uitgedrukt en het is wel duidelijk dat de Hindoestaanse partij er hier niet al te gunstig vanaf kwam alhoewel ik de indruk heb dat ze zo ver in het binnenland niet erg veel voordeel hebben van een Creoolse regering. Ik kan dit mis hebben maar volgens mij liggen deze dorpen teveel afgelegen om ook maar het kleinste voordeel te hebben van het overschakelen van regering. Wel zie je hier en daar grote aanplakbiljetten van verschillende partijen (hier natuurlijk van de Creoolse) maar die hingen ook boven de deuren van de huizen. Je krijgt dan al gauw de indruk dat ze deze aanplakbiljetten ook als geestenverjagers behandelen. Wat er verder tijdens zo'n dansi dansi gezongen wordt is onbekend omdat je niemand tegenkomt die het voor je vertalen wil. We hebben enkele keren aan de koelamannen gevraagd wat er nu precies gedaan werd maar ze waren niet al te gul met hun antwoorden. Opgevallen is ook dat er ook hier bijna alleen vrouwen waren die aan het dansen waren en teksten zoals “Mijn kutje is op slot want mijn man is niet thuis” en Mijn kutje brandt” waren dan ook regelmatig onderwerp van gezang. We wisten in het begin niet wat er gezongen werd dus deden we dapper mee met zingen en gooiden er enkele moeilijke jodelkreten doorheen maar dit werd niet gewaardeerd. We werden er door de kapitein van het dorp op attent gemaakt en de kreten hielden we dus maar voor ons alhoewel we fanatiek meededen met het dansen en daar was geen bezwaar tegen. Alles danst, van 2 jaar tot volwassen vrouw en je kan zien dat ze aan hun uiterlijk de meeste aandacht hebben besteed. Elk kapsel was anders en zo te zien lag dat aan de leeftijd. Het haar wordt als het ware In vierkantjes verdeeld en daarna wordt het zo in elkaar gedraaid dat in het midden van het vierkant er een klein torentje ontstaat. Er blijken verschillende manieren te bestaan om zo'n torentje te maken en het was voor mij wel duidelijk te zien dat zoiets of met de lengte van het haar of met de leeftijd iets van doen had. Hopelijk zijn de foto's en dia's van dit dansi dansi genomen goed geslaagd want zoiets maak je nooit meer mee. We zouden vooral later inzien dat een dansi dansi uit een Christendorp zoals Drietabbetje heel wat anders is dan wat we hier meemaakten. Er werd wat rum uitgedeeld, een onderdeel van de geschenken, en het feest werd steeds fanatieker. De apinties begonnen steeds langer hetzelfde ritme te slaan en de rum had hier wel een zeer merkbare invloed. Die rum overigens is erg sterk en ontzettend vies. Het is een van de slechtste kwaliteiten rum die je kan kopen maar blijkbaar prefereren ze dit soort boven de andere. Zelfs kleine kinderen van 2 jaar kregen een beetje uit de fles en ieder Europees kind zou meteen tegen de grond slaan van dat branderige spul, naar deze kinderen schijnen zo nog wel het een en ander gewend te zijn. Bepaald eenkennig zijn de mensen hier ook niet want als je maar even aan de kant ging staan om een beetje uit te rusten dan kwam er gelijk iemand naar je toe die je weer in de kring trok. Men danst hier zoals we dat van de Noord-Amerikaanse Indianen kennen. In een kring tegen de klok in. Twisten doen ze ook met de meest fantastische variaties erin. Ze zijn schier onuitputtelijk in het bedenken van allerlei nieuwe bewegingen en wij vielen dan ook wel op door onze 'houterigheid’. De verlichting van het dansi dansi bestond uit twee oliepitjes die toch voor een ongelofelijke hoeveelheid licht zorgden. De beschaving is ook doorgedrongen wat betreft het elektrische licht alleen dan in de vorm van zaklantaarns. Ik heb daar zaklantaarns gezien waar wel minstens tien batterijen in kunnen; ontzettende joekels van dingen en ze zijn erg lastig. Als je door dat stikdonkere dorp loopt dan doe je dat voor het grootste gedeelte op je geheugen alhoewel op sommige tijdstippen de maan ook wel welkom was. Zijn je ogen eenmaal gewend aan de duisternis dan heb je geen moeite in het onderscheiden van de huisjes en de weg; schijnt nu iemand tijdens je overtocht van het bivak naar het dansi dansi plaatsje in je gezicht dan ben je minstens vijf minuten geheel hulpeloos want je ziet totaal niets meer. Erg vervelend maar je bent gewoon gedwongen om stil te blijven staan totdat je weer iets kunt onderscheiden. Wat ook opvallend was en wat we hier voor de eerste keer zagen is de geestenafrastering die om het hele dorp was opgericht. Deze afrastering bestaat uit twee verticale stokken die langs de weg zijn opgesteld met daaroverheen een dwarslat op ongeveer twee meter hoogte. Aan die dwarslat hangen gedroogde bladeren van het een of andere soort die ieder aan die dwarslat zijn vastgebonden en ongeveer 40 cm lang zijn. Kom je nu langs de weg het dorp binnen dan ben je verplicht te bukken. Dit bukken nu is iets wat de boze geesten niet kunnen en zo zijn ze dus gedwongen om buiten het dorp te wachten. Dit is zuiver en alleen bedoeld voor de privé boze geesten. De geesten die je dus zelf bij je hebt. Voor dat andere soort zorgen de beschilderingen op de huizen langs de deur en ook hier troffen we weer overal flesjes aan. De motoristen en koelamannen zijn wat betreft die bosgeesten erg zwijgzaam en we zijn dan ook niets wijzer geworden wat die flesjes betreft en de verschillende soorten beschilderingen. Eén ding is ons helemaal niet bevallen in dat dorp en dat was het gastenverblijf. Het zat hem namelijk in de afstand van de dakpalen. Deze ston­den erg dicht bij elkaar zodat het strak spannen van de hangmat onmogelijk bleek. Het resultaat was dan ook dat je in zo'n hangmat hangt als een tros appels en dat is helemaal niet zo prettig. Je ligt dan met je benen haast tegen je hoofd en je krijgt er nogal een pijnlijke rug van. Op je zij liggen gaat ook zo moeilijk want dan lig je helemaal in de kronkels en hoe je je ook wendt en keert, altijd hou je er een pijnlijke rug van over. De meeste hebben dan ook haast niet geslapen en de volgende morgen waren we dan ook ze duf als een konijn maar zijn kan.

 

Vrijdag, de vierde dag zijn we zoals normaal om 0530 opgestaan, hebben ontbeten en het bivak afgebroken. Alles wat voor de gastvrijheid naar boven werd gedragen moest ook nu weer naar beneden maar nu was er geen hulp van de dorpelingen met als gevolg dat je je eigen het klapzuur liep te slepen. Gelukkig was het zwaarste stuk bergafwaarts naar de rivier toe want anders hadden we het nooit op tijd gehaald. Toen we wilden vertrekken ontbraken er nog enkele koelamannen en dat was natuurlijk logisch. Die waren nog bij de vrouwtjes die ze de vorige avond hadden versierd. De kap. ging hiervan een klein beetje over de rooie maar 0710 uur konden we toch vertrekken. Het laatste stukje dus naar Apetina. De meeste dorpelingen waren ook al vroeg op en er waren al meisjes de borden en bestek zoals lepels in de rivier aan het afwassen en die werden stiekem op de foto genomen. Het is tegenwoordig de gewoonte dat je de mensen moet betalen voor een foto die je maakt en dat is ergens wel logisch. In het verleden zijn er namelijk fotografen geweest die er maar op los fotografeerden en die de foto's op ansichtkaartformaat hebben laten drukken en die werden natuurlijk grif verkocht. Logisch dus dat deze mensen ook een deel hiervan wilden hebben maar dat is bij ons niet gelukt. We dachten er niet over om een foto te ma­ken van personen die daarvoor betaald wilden worden. We waren eigenlijk heel gemeen. We wachtten met het foto’s maken totdat we een eindje de rivier op waren zodat ze niet meer naar ons toe konden komen om geld op te eisen. Ook zijn e natuurlijk mensen die godsdienstige bezwaren hebben tegen fotograferen en daar moest je mee oppassen. Afijn, al spoedig zaten we weer midden op de rivier en de eerste soela van belang die we tegen zouden komen was de Grienkasabaval. Wel hierover valt niet veel te vertellen evenals de volgende soela, de Adoemasingie soela. We hadden nu wel zo’n beetje alle soorten soela’s gehad en dus is het eigenlijk een herhaling van de vorige dagen. Het blijft echter altijd spannend om zo’n soela te nemen en het is werkelijk een lust voor het oog om te zien met wat voor gemak het allemaal ging en vooral de samenwerking tussen koelamannen motoristen was bewonderenswaardig. Tegen 1100 uur kwamen we bij de grootste soela die we op onze reis zouden tegen komen en tevens de laatste. We konden niet achter de naam van deze soela komen omdat het in strijd is met de gewoonten om de naam van de soela uit te spreken voordat je er overheen bent. Je loopt dan namelijk kans om de watergeesten boos te maken en als je iets niet kan hebben dan is het wel mot met de watergeesten. Tot nu toe hebben we maar één keer last gehad van deze jongens en dat was bij de Wilhelminavallen waar dus de derde korjaal door hun onder water werd getrokken. Later op de kaart hebben we gezien dat het eigenlijk helemaal de Wilhelminavallen niet zijn. Het zijn de Arminavallen. Niet erg belangrijk natuurlijk maar voor de accuratesse van het verhaal wel belangrijk om even te vermelden. Goed we stevenden recht op de onbekende soela af en zelfs wij zagen dat dit werkelijk een soela was van ongehoorde grootte. De gehele rivier gaat hier als een vertraagde waterval over de rotsen heen en het verschil tussen boven de soela en beneden de soela was toch wel minstens 6 meter terwijl de soela zelf ongeveer 80 meter breed was. Het was de mooiste soela die we tot nu toe gezien hadden en we hoopten maar dat we niet hoefden uit te laden alhoewel we er wel al rekening mee hielden. Gelukkig bleek na onderzoek van de koelamannen dat dit niet nodig bleek te zijn en dat was voor ons al een hele opluchting. We stapten uit bij een rustig gedeelte en klommen over de rotsen naar boven waar we een mooi overzicht zouden hebben op het doen en laten van koelamannen en motoristen. Elke boot werd afzonderlijk behandeld en hier moest echt hard gewerkt worden dat konden we ondanks de toch nog vrij grote afstand duidelijk zien. De koelamannen de twee motoristen stelden zich ongeveer op een derde van de totale breedte van de soela op en de overgebleven motorist begon net zijn aanloop. Het water hier was erg wild maar scheen diep genoeg te zijn om er te kunnen varen. Met een rotgang kwam de korjaal op de soela af en werd aan het einde van het diepe gedeelte onmiddellijk door de daar aanwezigen gegrepen en gedeeltelijk de vaart benuttend schoot de korjaal over de eerste rotsdrempel heen. Dat zoiets niet erg bevorderlijk is voor de boot hebben we later gemerkt maar laten we bij de soela blijven. De korjaal werd enkele meters verder gesleept en toen kwam reeds de tweede hindernis. Met trekken, duwen en gedeeltelijk tillen werd ook deze hindernis genomen maar door de sterke stroming ging de boot weer achteruit. De eerste korjaal was duidelijk het zwaarste en het gelukte ze ook niet om de boot daar te krijgen waar ze hem hebben wilden. Gelukkig voor ons, we zagen ons al uitladen, kwamen er een stel Indianen langs die ook naar Apetina gingen en deze hebben ons met de eerste boot geholpen. Slechts twee Indianen waren nodig om de tweede hindernis te nemen en dat pleit natuurlijk voor de enorme kracht die deze mensen hebben. Ze lopen ook door de soela en over de rotsen alsof er helemaal geen stroming bestaat en je kon duidelijk merken dat zij met deze soela meer vertrouwd waren dan onze koelamannen en motoristen. Goed de tweede rotspartij was dus genomen maar we waren er nog niet. De derde hindernis was ook van behoorlijk kaliber en hier kwam nog een gemenigheidje bij. Vlak achter deze rotsen was het zo diep en de stroming blijkbaar zo sterk dat er niemand kon staan zodat nu gebruik gemaakt moest worden van touwen. Op de voorplecht van de boot was een tame­lijk lang stuk touw vastgemaakt en de vier sterkste mannen gingen met het uiteinde daarvan aan de andere kant staan van dat diepe gedeelte en zo te zien was dat niet gemakkelijk. Door middel van zingen werd het trek- en duwritme aangegeven en na ongeveer tien minuten van uitermate zware inspanning was de boot, voor het grootste gedeelte zover over de rot­sen dat de motorist alvast de boot inging en de motor startte. Nog enkele geweldige schreeuwen en plotseling lag de korjaal weer helemaal in het water en werd door de stroom alle kanten opgeslingerd. De motor wilde in het begin niet starten en dat veroorzaakte nogal wat paniek want het werd voor de vier aan de andere kant van het touw haast onmogelijk om de korjaal onder controle te houden. Als de nood het hoogst is is de redding nabij zegt men wel eens en dat bleek ook hier van toepassing. Net op het moment dat de korjaal dwars op de stroom kwam te liggen sloeg de motor aan en met volle kracht, wist de motorist de boot bij te sturen en langzaam ging het verder stroomopwaarts. Wat er verder gebeurde konden, we niet zien omdat enkele bomen die op de soela groeiden ons daarvoor het uitzicht ontnam maar we, konden wel raden dat één van de koelamannen erin zou springen en de boot verder zou sturen naar een rustige plaats waar we weer in konden stappen. De rest van hen liet zich door het water de soela afdrijven en bleven op dezelfde plaats als voorheen staan wachten op de volgende. De Indianen werden bedankt en nu konden we de Indianen aan het werk zien. In minder dan vijf minuten waren ze op een geheel andere plaats de soela overgestoken en ze waren weg voor je het in de gaten had. Het is natuurlijk logisch dat ze het vlugger zouden doen als het bij ons mogelijk was vooral omdat onze korjalen uitermate zwaar beladen waren. Ik schat toch wel dat het gewicht van de eerste korjaal zo tegen de 1½ ton aankwam, zonder opvarenden dan en de tweede iets minder 1,3 en de derde, de kleinste was toch ook wel ruim 1 ton. Met de ervaring opgedaan met de eerste korjaal ging de tweede er sneller overheen alhoewel je toch nog duidelijk kon zien dat er moeite genoeg voor gedaan moest worden. De derde korjaal idem dito en we verzamelden ons bij de korjalen en maakten ons gereed om in te stappen. Zover was het echter nog niet want de kapitein maakte bekend dat ze door deze prachtprestatie, we hadden niets moeten ontladen e.d., ieder twee biertjes hadden verdiend en dat werd natuurlijk met gejuich ontvangen. Hier zagen we pas voor het eerst dat het zgn. plengoffer nog wel degelijk in gebruik is. Als ze zo’n blikje bier open gemaakt hadden gooiden ze eerst wat op de grond en je zag dat ze wat prevelden. Iedereen deed dit en ook bij het tweede blikje was dit het geval. We hadden ze het wel eerder zoen doen, ook de mensen uit Granboridorp, maar we beseften toen nog niet wat het eigenlijk betekende. Dit gehele proces van slepen e.d. had ons een oponthoud van ruim een uur bezorgd en dat viel erg mee. Dit soort oponthoud is natuurlijk in de totale reisduur ingecalculeerd en de motoristen zelf waren ook erg tevreden over het vlotte verloop van de reis in het algemeen. De koelamannen en motorist die verantwoordelijk waren voor de 'Poseidon Adventure' van de derde korjaal op de eerste dag werden hier natuurlijk herhaalde malen mee gepest en dit alles zorgde toch voor een geheel prettige stemming die zich gedurende de gehele reis heeft gemanifesteerd. Na dus zo met z'n allen een half uurtje bij elkaar gezeten te hebben genietend van een biertje en ook wat te eten gingen we verder naar Apetina dat nu binnen 15 minuten in het gezicht moest komen. Vijf minuten voordat we Apetina binnen zouden komen varen ging de boot van de luitenant weer voorop om onze komst te melden en de twee andere korjalen gingen in de schaduw liggen van een klein tabbetje. Op dit kleine tabbetje (eilandje) groeide een vreemd soort struik met typisch gekleurde besjes eraan. De koelaman legde ons uit dat deze besjes door de Indianen werden gebruikt om er kettingen van te maken. We hebben er dan ook enkele van geplukt en het zijn inderdaad mooie bessen. Misschien zijn het wel helemaal geen bessen maar ik weet niet hoe ik het anders noemen moet. Ze zijn hard en overwegend rood/oranje tot geel van kleur. Op de plaats waar ze aan de tak vastgegroeid zitten zijn ze diep zwart. O, ik ben een heel belangrijk gebeuren vergeten te vertellen en de tijd die de korjaal van de luit. nodig heeft om onze komst te melden zal ik dan maar gauw gebruiken. We hebben namelijk een brulaap geschoten en deze keer was het zelfs voor ons niet moeilijk om de apen te ontdekken. Ze zaten in een vrijwel kale boom die duidelijk afstak tegen de rest van de oeverbegroeiing. Er waren er drie en ze zaten, zoals hun naam al aanduidt, lekker in het topje van de boom tegen ons te brullen. Wat ze brulden was niet te verstaan maar we namen zonder meer aan dat het niet al te vlijend voor ons was en daar we jachtgeweren bij ons hadden namen we meteen maatregelen om dit onbehoorlijke gedrag af te straffen. Eén van de motoristen, die waarschijnlijk bekend staat dat hij zo goed met een jachtgeweer om kon gaan, kreeg het geweer en enkele patronen, legde aan, schoot en mistte. Een geweldig gebrul was natuurlijk het gevolg en hals over kop probeerde de apen op de vlucht te gaan. Een tweede schot echter vlak onder de apen gericht joeg ze echter weer naar boven alhoewel er twee wisten te ontsnappen. De derde ging uitdagend op een hoge tak zitten, waarschijnlijk gekke gezichten trekken maar dat konden we niet zien omdat de boom zeker 12 meter hoog was. De motorist ging gauw aan land en we hoorden een derde schot. We zagen de aap uit de boom vallen maar was blijkbaar niet helemaal goed geraakt want halverwege wist hij zich nog vast te klemmen. Een vierde schot maakte daar al gauw een einde aan en even later kwam de motorist met de dode aap uit het oerwoud tevoorschijn. Er ging onder de koelamannen een gejuich op maar de militairen bleven vrij stil. 'T is toch niet leuk als je zo een van je voorvaderen ziet neerschieten en we vonden het allemaal toch wel een beetje zielig. De aap werd in triomf aan iedereen getoond en al spoedig voeren we weer verder. Zo, de korjaal van de luit. is terug en we kunnen nu dus aan de laatste vijf minuten van de reis beginnen. De geweren werden gespannen, wat de gids weer de doodschrik bezorgde, de hob pakte de hoorn en zo gingen we naar Apetina. Toen we het dorp in zicht kregen begon de hob te blazen en dat klinkt over het water erg ver en al spoedig zagen we dan ook enkele Indianen verschijnen die ons met de armen over elkaar geslagen gadesloegen. We konden al van verre het Groot-Opperhoofd onderscheiden van de anderen. Ze droegen allemaal de bekende lendedoek behalve het Groot-Opperhoofd. Deze was van top tot teen in een rood pak gestoken en hij had zijn pet op. Deze petten, met het wapen van Suriname erop, zijn een teken van hun Granman, kapitein of Opperhoofd zijn en worden dan ook altijd gedragen. Alleen het Opperhoofd droeg dit ding alleen bij officiële gelegenheden zoals nu terwijl de Boslandcreolen dat ding dag en nacht op hebben. Vlak naast het Opperhoofd stond een Amerikaanse zendeling met z'n vrouw en verder nog een Hollandse verpleegster. De begroetingen met schoten werden stilzwijgend in ontvangst genomen en ook het begroeten van de kapitein werd zeer sober, dit dan, in vergelijking met de Boslandcreolen, gehouden. We werden allemaal uitgenodigd om boven te komen naar de woonplaats van het Opperhoofd en daar vond het verdere ceremonieel plaats. Er werd gesproken over de geschenken en wat het doel was van onze patrouille. De bevolking hield zich hierbij op eerbiedwaardige afstand en dit ceremonieel gedoe maakte op ons heel wat meer indruk dan de voorgaande keren. Je kon echt zien dat, het allemaal veel stijlvoller en beheerster ging en dat beviel ons best. Het gehele dorp maakte, voor zover we dat reeds konden zien, een zeer verzorgde indruk en Indianen die ergens mee bezig waren lieten zich door ons dan ook helemaal niet van hun apropos afbrengen maar gingen gewoon door. Wat er allemaal gezegd werd konden we zelf ook niet goed verstaan, want de afstand tussen het Opperhoofd, de kapitein, de luit. en Hr. Libretto die weer als tolk dienst deed en de soldaten was behoorlijk groot. Wel konden we duidelijk merken dat we zeer welkom waren en het duurde dan ook niet lang of er werd ons een plaats aangewezen waar we ons bivak konden opslaan en waar we de keuken konden inrichten. De officieren en Hr. Libretto moesten in het huis van het Opperhoofd hun hangmat spannen en al gauw was iedereen druk in de weer. Gelukkig stonden de palen die het dak droegen hier verder van elkaar dan in Granboridorp het geval was zodat we ons bij voorbaat al van een goede nachtrust verzekerd zagen. De keuken werd in een hele grote ronde hut ondergebracht en daar sliepen tevens de twee sergeant majoors en de kok en er was nog plaats genoeg om onze voedselpakketten neer te zetten. Enkele Indianen gingen het gastenverblijf na om te kijken of de palen en dwarsbalken voldoende stevig in elkaar zaten om de hangmatten te kunnen dragen en waar enige twijfel omtrent de stevigheid hiervan was werd dit onmiddellijk met gespleten riet extra stevig bevestigd. Het bivak was nu ook in record tempo klaar en de radio opzetten ging helemaal gemakkelijk. Normaal moet je eerst met een kompas de richting bepalen waar het commandostation Albina ligt en dan moet je nog stokken of iets dergelijks vinden om de draadantenne hoog genoeg op te hangen. Het is duidelijk dat de draad minstens twee meter boven de grond komt te hangen om ongelukken te voorkomen. Ook voor de verbinding zelf is dit natuurlijk het beste. Hoe hoger hoe beter de verbinding maar we zijn er wel achter gekomen dat twee meter ruim voldoende is. Het vinden van plaatsen die precies ver genoeg uit elkaar liggen om de antenne strak te hangen is meestal het moeilijkste. Hier was het helemaal geen probleem want ik kon ten dele gebruik maken van de zendmast die de Missionaris hier had geïnstalleerd. Ook werd ik hier niet lastig gevallen door de jeugd en alles ging dus ongelofelijk vlot. Alleen het vreemde was dat ik geen verbinding kreeg met Albina naar met Zanderij dat toch veel verder weg ligt en ook wel de andere richting uit. Maar goed, het maakt in feite niets uit. De berichten wissel je dan gewoon uit via Zanderij en het enige wat Zanderij moet doen is contact maken met Albina. Albina zorgt op zijn beurt er dan weer voor dat het bericht in Paramaribo komt bij de S3 die volledig op de hoogte gehouden moest worden van ons wel en wee. Een goede verbinding dus met Zan­derij dus geen problemen. Voordat we het dorp in gingen om eens wat rond te kijken hebben we eerst gegeten. We waren ons aan het verfrissen bij de soela die daar prachtige gele­genheid voor geeft toen de kok langskwam met een stuk aap. We waren met z'n drieën en we kregen een stuk arm waar het handje nog aan zat. Je moet je eigen wel overwinnen hoor om wat van het vlees te proeven. Vooral dat handje deed het hem natuurlijk. Akelig gezicht en je voelt je net een kannibaal. Het vlees overigens is erg lekker maar ook vrij zoet. Het was door de koelamannen klaargemaakt en het was goed klaargemaakt, toch zal ik niet juichen; geef mij maar gewoon een biefstukje of een karbonade maar ja, je moet het ook eens geproefd hebben en het hoort bij het ‘jungle-leven’ zullen we maar zeggen. Na dus dat stukje vlees te hebben geproefd moesten we naar boven, het dorp ligt vrij hoog boven de rivier, om te eten. Het vlees bij het eten was pingo en dat werd ons afgestaan door de Indianen die de vorige week de vangst van hun leven hadden gedaan. 81 Pingo's (bosvarken) oftewel everzwijn, als we denken aan Asterix en Obelix, kwamen door het dorp rennen en die werden natuurlijk allemaal gevangen, doodgeschoten of geknuppeld en enkele minuten nadat deze grandioze slachtpartij achter de rug was kwamen er nog eens 10 het dorp binnen en die werden ook gepakt. Niet slecht dus, 91 pingo's, en het dorp heeft nu voor vele weken vlees in huis. Het gebeurt niet dagelijks dat zoiets zich voordoet en de Indianen hadden die avond dan ook een groot feest. De pingobout smaakte overheerlijk alhoewel het vlees voor onze smaak wat aan de droge kant was. Dit is uiteraard logisch omdat al die pingo's voorgebakken en gebraden zijn omdat het vlees anders niet goed te houden is. Een welkome afwisseling dus en we hebben er dan ook goed van gegeten. De maat die de afgelopen dagen zo ziek was, was ondertussen al behoorlijk opgeknapt en deed zich behoorlijk tegoed aan de bout. Ik geloof dat hij twee van die grote bouten heeft gegeten en dat is een vrij aanzienlijke hoeveelheid. Maar ja, hij had dan ook nog wel het een en ander in te halen omdat hij de twee afgelopen dagen dus niet gegeten had. Na het eten hebben we de koks even geholpen met afwassen, water halen en meer van die kleine karweitjes die toch gedaan moeten worden en daarna zijn we gaan zwemen bij de soela. Ook hier kon je zwemmen zonder dat je vooruitkwam maar je moest hier wel een goede zwemmer zijn. Het water stroomde hier ongelofelijk snel en we bleven dan ook maar heel dicht bij de kant wat ook nog moeilijk genoeg bleek te zijn. Meer naar de oever was de stroom gering en daar was het zwemmen dus wel wat gemakkelijker en stukken veiliger. Als je van de oever naar de soela toe zwom had je de ongeveer 30 meter in minder dan 6 seconden afgelegd. In tegenovergestelde richting zwemmen zou zeker meer dan drie minuten hebben geduurd. We hebben het geprobeerd en inderdaad, als je het kleine stukje bij de soela gehad had dan was het ergste achter de rug maar voor je zover was had je minstens driehonderd slagen gedaan en dan nog heel vlug achter elkaar ook. Het is buitengewoon leuk om zo in de vrije natuur met de stroming te kunnen spelen en daar ging dan ook het grootste deel van de resterende tijd van onze middag mee verloren. Tegen de avond gold de malaria discipline en dat be­tekende lang groen aantrekken. In deze gebieden schijnt nogal wat malaria voor te komen dus we hadden al gauw het lang groen aan. We hebben echter de twee dagen dat we daar geweest zijn maar af en toe een verdwaalde mug gezien en dat is niet meer als prettig te noemen. Na de avond broodmaaltijd gingen we naar het huis van de zendeling want hij had ons uitgenodigd om enkele dia's en films te komen bekijken, tezamen met de Indianen. Dit werd natuurlijk niet afgeslagen en zo zaten we dan gezamenlijk te kijken naar Amerikaanse filmpjes over safari's in Zuid-Afrika, Disneyland en een natuurfilm genomen in Zuid-Amerika. De dia's interesseerden ons het meest want daar waren enkele prachtige bij van de Indianen van de Wajana-stam, deze Indianen dus, en enkele zeer mooie van de Trio-Indi­anen. Hij gaf er tekst en uitleg bij. Ook waren er enkele dia's bij van zichzelf, z'n vrouw en z’n dochter die op het ogenblik in Paramaribo op school zit. Ze zijn afkomstig uit Miami, Florida en dat is wel duidelijk aan z'n spraak te horen. Hij vertelde ons dat hij nu reeds bijna 7 jaar bij deze Indianen was en dat hij hoopte de andere 5 jaar van zijn “contract" met het zendelingengenootschap vol te kunnen maken. Deze man presteert ongelofelijke dingen. Hij zet het werk voort van zijn voorgangers die zich voornamelijk bezig hebben gehouden met het op schrift brengen van de taal. Hij vertelde veel van de Indianen zelf en het gaat te ver om alles op schrift te zetten; we zouden alles de volgende dag zelf mee kunnen maken en dat was een prettig vooruitzicht. Later zijn we terug gegaan naar de keuken waar we onder het genot van een kopje koffie nog enkele uren hebben zitten praten over de Indianen. We zaten er echter nauwelijks enkele minuten of de zendeling kwam ons weer halen met de mededeling dat er enkele Indianen waren die ons wel sommige dingen wouden verkopen, iets wat we eerder op de avond aan hem hadden gevraagd. De mooiste dingen kwamen tevoorschijn zoals mooi bewerkte kralen armbanden, buikriemen, nekhangers, pijl en bogen, witchfluitjes van hertebeen en er waren zelfs twee Trio hoofdtooien bij die zeer zeldzaam zijn en zeker in de stad voor geen goud te koop zijn. Ik was blij dat ik nogal wat geld meegenomen had zodat ik er een kon kopen en is wel het mooiste souvenir wat ik behalve de herinneringen aan de reis heb overgehouden. Het heeft wel enkele hoofdbrekens gekost om die tooi zo onbeschadigd mogelijk in Albina te krijgen maar het is me toch gelukt. De armbanden zijn in drie kleuren uitgevoerd, net zoals al het andere Indiaans kraalwerk met als hoofdkleuren blauw, wit en geel en af en toe ook nog wat rood erbij. Zo op het eerste gezicht lijkt het nogal eenvoudig werk maar als je het eens nader gaat bekijken dan kom je er al vrij snel achter dat het toch niet zo heel erg eenvoudig is. Ten eerste  is elk kraaltje “gezekerd” door middel van allerlei ingewikkelde knopen; ten tweede is elk beestje hetzelfde van vorm en van hoofdkleuren, maar b.v. ogen zijn geel en bij het andere rood en zo zitten deze armbanden, halskettingen en buikriemen vol met hele kleine verassingen die pas bij een nader onderzoek aan het licht treden. Enkele van de versierselen lijken wat op de Maya tekens en we hebben ook gevraagd of hier enig verband mee was. Dat was er niet en de zendeling zei dat hij vermoedde dat de een of andere toerist de Maya tekens aan deze Indianen hebben laten zien en dat ze die later hebben proberen na te maken. De gelijkenis is echter bij sommige tekens frappant zodat dit antwoord ons toch niet geheel tevreden stemde. Tussen die buikriemen en armbandjes zit een groot verschil. Niet onderling maar als geheel. Tegenwoordig, nu bijna het halve dorp Christen is, dankzij het werk van de zendelingen, zijn de versieringsmotieven duidelijk anders dan de buikriemen en armbandjes die een aantal jaren geleden gemaakt zijn. Op die oude armbandjes kom je nog tekens tegen die de watergeesten, bosgeesten en nog, ander onduidelijk gespuis uitbeelden. De tegenwoordige armbanden zijn meestal versierd ziet diermotieven en toch wel enigszins in het abstracte uitgevoerd. De pijl en boog was natuurlijk ook iets wat de meeste van ons kochten en er waren prachtige exemplaren bij. Vooral de pijlen zijn erg mooi. Ze verschillen eigenlijk in niets met de pijlen die je van de “souvenir-Indianen” te Albina kan kopen maar hier heb je zekerheid dat het 100% echt is en bovendien waren de meeste pijlen nog gebruikt ook. Het is altijd leuker als je later kan zeggen van kijk, dit is nu een echte pijl en die heb ik daar en daar gekocht en we waren de laatste Nederlanders die daar kwamen enz. enz.. Dat doet het altijd beter en daar we nu eenmaal tot de gelukkigen behoorden die daarbij aanwezig mochten zijn mogen we daar ook gerust wel een beetje over opscheppen, vind ik. Toen de meeste zo'n beetje door hun geld heen waren gingen we weer terug, allemaal blij met de behaalde successen, als je de prijzen vergelijkt met die in de stad of op Albina dan scheelde dat nogal wat, verder praten over de Indianen en alvast plannen maken voor de volgende dag. De wacht werd weer bekend gemaakt maar volgens ons was dit hier totaal overbodig. Het blijkt dat dit in de Creolendorpen niet overbodig was want gisteravond, tijdens het dansi dansi liepen enkele jongens ineens allerlei snoepjes uit te delen die helemaal niet tot het geschenkenpakket voor Granboridorp behoorden en dat gaf eventjes de nodige deining. De dorpskapitein was natuurlijk vreselijk kwaad en het gevolg van dat we daar de wacht moesten verdelen over het bivak en de korjalen, wat ettelijke keren heen en weer lopen betekende. We hadden het idee dat dit hier helemaal niet nodig was omdat we al gauw in de gaten hadden hoe anders de Indianen zijn. Maar "Befehl ist Befehl" en daar was dus niet onderuit te komen. Wat is nu het grootste verschil tussen een Boslandcreolendorp en een Indianendorp. Ik dacht zelf dat dit het soort behuizing was. In de Boslandcreolendorpen zijn het echt huisjes zoals wij die kennen. Vier muren en een dak, met als gevolg natuurlijk dat het in die hutten ontzettend benauwd en donker is. In deze dorpen waren alleen de gastenverblijven zonder muren. Een Indianenhuis is eigenlijk niets anders dan een stel palen met een dak erop. Een soort hooischelf dus. Het grote voordeel hier­van is dat het natuurlijk stukken koeler is en ook dat het licht veel beter gebruikt wordt. Het is er ook veel  minder warm omdat de daken in een punt toelopen en reeds bij de uiterste rand van het dak 1.70 meter hoog is. Overal kan je dus met gemak rechtop staan ter­wijl in de Bosland-creolenhutten je maar voor de helft rechtop kan staan. De Indianen  gebruiken natuurlijk hout als voornaamste energiebron en dit hout kappen ze enkele weken van tevoren. Ze stapelen het dan rondom hun huis neer, nog wel onder het dak, zodat het in de wind goed kan drogen. Als, je ziet wat voor handigheid deze mensen hebben in het sto­ken met hout dan begrijp je pas wat voor een klunzen wij nog zijn. Wij hebben meestal de grootste moeite om iets aan de kook te krijgen op zo’n houtvuurtje terwijl zij met minimaal vuur enorme hoeveelheden cassiri klaar kunnen maken. Deze avond heb ik zo’n Indiaanse vrouw bezig gezien met het bereiden van cassiri. Het hoofdproduct is natuurlijk de cassave. Verder strooide ze er allerlei dingen bij. Het een leek een beetje op fijn gemalen vlees, het andere op fijngemalen boombast en ook gingen er nogal wat groene planten in. Dit zul­len wel allemaal kruiden zijn neem ik aan en dit geheel stond lustig te pruttelen en te koken. De hitte die van dit naar verhouding kleine vuurtje afkwam was tot op 10 meter buiten de hut te voelen en ik vermoed zo dat ze daar toch wel een speciale houtsoort voor gebruiken.

 

Zaterdag, de vijfde dag was tevens onze rustdag maar niemand bleef erg lang liggen. De meeste waren al om 0530 uur wakker en zo bleek dat de Indianen al veel langer op waren. Volgens de wacht staan zij al op als de zon ook maar het kleinste stukje van de oostelijke hemel verlicht en dat moet ook wel want zelfs om 0530 uur is het nog vrij donker. Het is gewoonweg fantastisch om de zon te zien opkomen terwijl jezelf aan de soela zit. Je kan dan pas werkelijk genieten van de natuur. Geen motoren en andere herriemachines storen je dan. Hier en daar zie je een Indiaan rondlopen en dit alles maakte deze zaterdagmorgen toch wel tot iets heel speciaals. We genoten er dan ook met volle teugen van, wetende dat dit misschien wel een van de laatste keren in je leven kan zijn dat je zoiets meemaakt. Rondom Apetina is behoorlijk wat wild aanwezig en we konden de apen in de bomen horen lawaaien terwijl de vogels hun best deden de mooiste wijsjes tevoorschijn te fluiten. Er is ook meer dan genoeg vis en menig keer zagen we een vis boven het water uitspringen en daarbij een fontein van waterdruppels omhoog werpend die het nog prille zonlicht in wel duizenden kleuren reflecteerden. Werkelijk, zo ’s-morgens vroeg is de natuur werkelijk een schatkamer waar je altijd weer iets nieuws en moois in ontdekt en wat toch altijd elke dag anders is. Al gauw hoorden we de kok roepen dat het ontbijt klaar was en we gingen maar vlug naar boven want we rammelden ondertussen van de honger. Cakes met pingo-bout; wat wil je nog meer. Een kopje koffie was ook aanwezig dus we waanden onszelf al spoedig in het paradijs. Omdat "vuurwater" hele Indianenstammen vernietigd had heeft de kapitein bevolen dat we geen bier konden drinken tijdens deze twee dagen, maar daar hadden we ook helemaal geen behoefte aan. We hadden genoeg impressies te verwerken en het bier zou daarin alleen maar een storende factor zijn. Al gauw gingen groepjes het dorp in, gewapend met kamera’s want we hadden van het Opperhoofd toestemming gehad om vrij te mogen fotograferen naar we moesten eerst wel toestemming vragen aan het object. Er waren inderdaad nog Indianen die bezwaar maakten om gefotografeerd te worden en we namen aan dat dit de nog niet gekerstende Indianen waren. Het christendom heeft deze Indianen veel goed gedaan en we kregen eindelijk eens een duidelijk beeld hoe belangrijk zendingswerk is. Het Opperhoofd heeft in het verleden op niet mis te verstane wijze aan de zendeling duidelijk gemaakt hoe blij hij was dat de zendelingen onder zijn volk werkten. Hij heeft zelfs eens een keer gevraagd waarom we niet veel eerder gekomen zijn. Het christendom heeft de Indiaan innerlijk totaal veranderd. Vroeger waren ze overal bang voor omdat ze, zoals de zendeling dit uitdrukte, geloofden in "subspirits". Dit is te vertalen door "minderwaardige geesten". Hiermee worden bedoeld de watergeesten, bosgees­ten, geesten van bepaalde dieren en planten. De Indianen durfden dus niet bepaalde dieren te schieten, bepaalde planten te gebruiken of zelfs maar op te staan, ze durfden zich zonder amuletten e.d. niet in het bos te begeven en Indianen die nog geloven in deze "subspirits" zag je dan ook nooit zwemmen of zich wassen. Altijd was er wel iets waar je bang voor moest wezen. De zendeling vertelde dat de Indiaan in principe niet bang is voor de blanke maar waar meestal de moeilijkheden beginnen is op het gebied van de "subspirits”. Had de blanke het ongeluk om op een bepaalde plant te trappen, of tijdens het jagen een dier te schieten wat taboe was, dan werd hij op staande voet gedood om de eventuele wraak van de bijbehorende geesten te ontlopen. Dit alles maakte het leven van de Indianen niet tot een pretje zoals wel begrijpelijk is en zo kont zo'n Indianenopperhoofd tot de overtuiging dat christendom goed is. Zonder de goedkeuring van het Opperhoofd gebeurt er totaal niets en dat is nu nog zo. Ze hebben dus dictatoriale macht en het bestuur is geheel autonoom. Toen het Opperhoofd deze uitspraak deed dacht hij daarbij aan de vele Indianen die hun hele leven in grote angst hebben doorgebracht en nooit iets anders hebben gekend dan angst. Geld voor foto's vroegen ze echter nooit en we hebben dan ook heel wat interes­sante foto's kunnen maken. Wat ons tijdens onze tocht door het dorp het meeste opviel is dat ze heel veel liggend in hun hangmat doen. Zo hebben we bijvoorbeeld Indiaanse mannen kralen zien rijgen terwijl ze voor ons op een onmogelijke manier in die hangmat lagen. Ze spelen het klaar om in een slap gespannen hangmat toch geheel gestrekt en languit te liggen. Die hangmatten zijn overigens aardig sterk want een pas getrouwd stel sliep in één hangmat. Samen zullen ze zo ongeveer 160 kg gewogen hebben en dat is toch een heel behoorlijk gewicht. Ik denk dat onze hangmatten dat geen 7 jaar uithouden zoals deze hangmatten dat wel doen. Hierbij komt ook dat deze hangmatten dag en nacht gebruikt wor­den terwijl de onze het grootste gedeelte van hun tijd in opgerolde staat doorbrengen. Natuurlijk moeten we wel eventjes het verschil in materiaal en het doel waarvoor ze gebruikt worden in ogenschouw houden. (Geen mooi Nederlands, maar we gaan gewoon verder.) De onze zijn vergeleken met die van de Indianen akelig ingewikkeld. Grondzeil, klamboe en tentdak, terwijl de Indiaanse hangmatten alleen maar uit een hoop bij elkaar gevloch­ten touwtjes bestaan. De Indianen zijn ook altijd in de open natuur en zijn uiteraard lang niet zo gevoelig geworden voor muskietenbeten dan wij en dus is het verschil van type hangmat wel duidelijk te verklaren. Op onze tocht door het dorp kwamen we de Hollandse verpleegster tegen en deze bleek bereid om ons het een en ander van het dorp te laten zien. In het tweede dorp, het dorp was namelijk duidelijk gesplitst in een hoger en lager gelegen gedeelte en dus noem ik het lager 'gelegen gedeelte maar dorp no. 2, bleek ook een Creools gezin te wonen. Zij was ook bezig met cassiri te maken en met een grote soort hark op een stalen plaat maïs of iets wat daar op leek te verhitten zodat het langzaam bruin begon te worden. Wij vroegen haar, via de verpleegster, of we van deze werkzaamheden een foto mochten maken wat niet toegestaan werd. Het mocht wel als we Sf  5,-- zou­den betalen naar daar voelden we niets voor. Bovendien hadden we geen geld meer omdat we alles reeds besteed hadden aan souvenirs. Eventjes verderop in het dorp zagen we hoe zo'n hut gebouwd werd. Het dak was pas voor een klein gedeelte klaar. Als je dit zo van nabij kan zien besef je pas hoeveel bladeren er nodig zijn om een goed waterdicht dak te krijgen. Toch hebben de Indianen zo'n dak binnen een week af en dat is iets onbegrijpelijks. We kwamen onderweg een klein Indiaans jongetje tegen, amper 2 jaar, en via de verpleegster vroegen we of hij ons iets van de tuinen wilde laten zien. De tuinen zijn de aanplantingen waar ze hun groente e.d. vandaan krijgen. Dit bleek geen probleem te zijn en vol ijver begon hij ons van alles te tonen. Hij wist precies hoe alles heette, wat je kon eten en wat niet. Hij wees ons de curarewortel en ook nog een soort boom die de Indianen bij het vissen gebruiken. Ze hakken deze boom dan in kleine stukken en slaan vervolgens de vezels tot pulp. Daarna worden er grote riten manden omheen gevochten en het geheel wordt per korjaal naar de verder op gelegen soela getransporteerd. Daar aangekomen dompelen ze de manden met deze vezels onder water en het sap dat in het water oplost heeft tot gevolg dat alle vissen die met dit sap in aanraking komen een vergiftigingsdood sterven. Stroomopwaarts wachtten dan de Indianen in korjalen de bovendrijvende vissen op en ze hebben ze maar voor het opscheppen. Dit vergift heeft blijkbaar geen nadelig effect op de mens en dat is dus helemaal makkelijk. Tegenwoordig gebruiken de Indianen de curare niet meer. De zendeling vertelde ons het volgende verhaal. De curare kwam in gebruik toen bij het schieten van apen er zich enkele ongelukken hadden voorgedaan. Een aap heeft namelijk de eigenschap, om als hij dodelijk getroffen is, zich toch nog met zijn staart aan de boom vast te houden. Ook als de aap dood was bleef hij daar hangen en de begroeiing van de boom is meestal van dien mate dat erin klimmen tot de onmogelijkheden behoort, De curare zorgde er nu voor dat de aap dit niet meer kon doen en zo was dus dit probleem opgelost. Een andere oorzaak van het curaregebruik werd als volgt uitgelegd. Indien dieren, en dit geldt voornamelijk voor apen, niet dodelijk getroffen waren, konden ze altijd nog gewoon ontsnappen. De aap echter gooide in de meeste gevallen dan de pijl terug en er moeten zo nogal wat Indianen gewond zijn geraakt. De curare voorkwam ook dit. Waarom gebruiken ze nu geen curare meer? Wel, ook deze curarepijlen had zijn gevaren. Als je je eigen eraan schramde ging je natuurlijk zelf de pijp uit, maar de meeste ongelukken zijn echter gebeurd door terug ketsende pijlen. De Indianen hebben dus zelf besloten om geen vergiftigde pijlen meer te gebruiken. De zendeling vertelde ons ook dat algemeen bekend was dat er geen tegengif voor curare bestond, maar dat is niet waar. Er bestaat wel degelijk zoiets maar het schijnt niet al te gemakkelijk te bereiden te zijn en de planten die daarvoor nodig zijn schijnen ook niet het gehele jaar door voorradig te zijn. Zo zie je maar weer, overal waar je komt leer je weer iets. Trouwens, de bereiding van die curare schijnt ook nogal geheimzinnig te gaan want de zendeling heeft herhaalde malen aan de Indianen gevraagd om het bereiden ervan eens voor te doen, maar daar beginnen de Indianen niet aan. Er schijnen nogal wat heidense gebruiken bij te pas te komen en de nu Christe­lijke Indianen schamen zich ervoor om weer tot die praktijken over te gaan. De heidense Indianen zijn daar helemaal niet voor te vinden want de aanwezigheid van een blanke bij die rituelen is taboe. Het Indiaanse jongetje liep maar door en bleef maar dingen aanwijzen en vertellen. Hij wist er letterlijk alles van. Het gedrag van de oudere Indianen was al duidelijk te merken in al z'n bewegingen en gezichtsuitdrukkingen. We kwamen op een gegeven moment bij een stukje moeras en dat moesten we oversteken. Mijn maatje, de hob, had toevallig zijn hoge schoenen aan en had niet veel zin om die nat te laten worden. Het moeras maakte op ons een vrij diepe indruk. Ik zei, wel klim maar gewoon op mijn rug dan draag ik je wel naar de overkant. Dit moet een erg grappig gezicht zijn geweest. De ver­pleegster had tenminste lol voor 10 maar aan het gezicht van de jongen kon je niets mer­ken. Wel kon je zien dat hij het ook leuk vond omdat hij echt van die pretoogjes had. Met zijn armen over elkaar stond hij gewoon aan de andere kant van het moerassige stuk te wachten tot wij eindelijk ook eens aan de overkant zouden komen. Het is erg leuk om zo'n jongetje zo jong al alle Indiaanse gebruiken en gedragspatronen te zien volgen. We hebben zo zo'n beetje de hele tuinen gezien en ze zijn toch behoorlijk uitgebreid en zien er erg goed onderhouden uit. Zelfs de stukken grond die braak lagen waren niet overwoe­kerd door onkruid en dat is toch een hele prestatie als je weet hoe snel alles hier groeit. Op de terugweg deed zich een ander leuk voorval voor. De verpleegster die vlak achter het jongetje liep wist niet precies hoe ze het moerassig stukje moest oversteken. Het jongetje kwam terug, greep haar bij de hand, vertelde dat ze niet bang behoefde te zijn en trok haar met zich mee. Zo klein en al zo zelfstandig. Dat maak je alleen maar mee met de mensen die echt nog dag en nacht in de natuur doorbrengen. Toen we weer terug waren In het dorp hebben we hem meegenomen naar ons bivak, We hebben hem eerst een schaaltje laten halen en dat hebben we dan vol gedaan met snoep. Verder hebben we hem een kam in het haar gestoken en een spiegeltje gegeven. Hij was er erg blij mee alhoewel hij zijn best deed dit niet al te zeer te laten blijken. Je kon echter aan zijn manier van weglo­pen duidelijk merken dat hij er best tevreden mee was en het eerste dat hij deed was naar een tante (dachten we tenminste) van hem gaan om alles te laten zien. Fantastisch leuk kereltje en we hebben met hem een paar leuke uurtjes doorgebracht. Hij gaf ook blijk over een fantastisch richtinggevoel te bezitten. Hij vertelde onderweg dat z'n vader bezig was een kano te maken uit een boomstam en dat wilde we natuurlijk graag zien. We vroegen waar dat was en hij wees recht het oerwoud in. Er liep geen pad of niets maar we zijn die richting maar uitgegaan, hij telkens voorop. Het werd een echte doorsteek want het bos was hier op sommige plaatsen hartstikke dichtgegroeid. Hij liet zich niet van de wijs brengen en na een stief kwartiertje kwamen we op de plaats aan. Er werd jammer genoeg niet aan gewerkt en de korjaal was zo goed als klaar. Het enige wat er nog aan gedaan moest worden was het dichtmaken van de zijschotten. We gingen terug naar het dorp en onze verbazing was groot toen we bemerkten dat we reeds na één minuut een pad gevolgd te hebben haast midden in het dorp uitkwamen. Als wij zoiets moeten doen moeten we kaarten hebben, kompassen en wat al meer. Het tweede gedeelte van het dagprogramma was een gesprek met de zendeling over z'n werk en natuurlijk om nog meer dingen over de Indianen te weten te komen. Mr. Johner, de zendeling, was echter met de radio bezig en we moesten alvast naar het schooltje gaan waar hij ons zou komen opzoeken. Wij zaten daar al geruime tijd en nog geen spoor van Mr. Johner. Ik ben toen even gaan kijken en onder het voorwendsel dat ik wel eens zijn radio zou willen zien omdat ik ook radiotelefonist was, was dit natuurlijk een goed excuse, ben ik zijn huis binnengegaan. Hij was toevallig met de hoofdpost aan het praten. Een Hollandse verpleegster op Stoelmanseiland bediende daar de radio. Hij nodigde mij uit om een praatje via de radio met haar te maken en dat heb ik natuurlijk graag gedaan. We hebben wat over koetjes en kalfjes gepraat zoals wat doet het leger daar, hoe lang blijven jullie daar en hoe vinden jullie het en meer van dat soort dingen. Even later kwam een missionaris op de lijn en met hem heb ik in het Engels ook nog even gesproken. Het is wel erg vreemd om zo maar te kunnen praten zonder je aan bepaalde regels te hoeven houden. De reglementen betreffende de radioprocedure in militaire dienst zijn nogal streng en laten weinig variatie toe. Elke keer als het mijn beurt was om weer wat te zeggen zat ik daar met mijn mond vol tanden omdat je gewend bent te zeggen: “Hier P 3” of zoiets en dat hoefde nu niet. Zo zie je maar hoe gauw je aan bepaalde dingen went en ergens is dat wel goed want tijdens oefeningen moeten deze reglementen natuurlijk geen belemmering meer zijn en moet je je volledig kunnen concentreren op hetgeen je door moet geven. Dat was dus leuk en nu bleek ook dat Johner klaar was met de radio en in plaats dat we naar het schooltje gingen, moesten we meteen naar zijn kantoortje dat onder zijn huis was gelegen en daar zou hij dan het een en ander uit leggen. Hij begon met de taal. Omdat deze Indianen helemaal niets op schrift hebben maar alles mondeling overbrachten bestonden er dus ook geen bepaalde tekens voor bepaalde klanken. Met de gedachte dat ze eens nog andere talen zullen gaan leren heeft een zekere Mr. Thomas, als ik het goed onthouden heb tenminste, een systeem ontworpen om dit te kunnen verwezenlijken. Hij begon eerst met alle klanken die hij hoorde op schrift te stellen. Dat waren natuurlijk de gewone a, o, i, u, klanken maar daarbij nog de ë die als eu uitgesproken moet worden en de ü die als eeeu klinkt. We moeten wel bedenken dat deze zendelingen Amerikanen zijn en de Engelse taal kent nu eenmaal geen samengevoegde klinkers zoals e-u, o-e en a-u en dus is het logisch dat ze de eu-klank als ë weergegeven hebben. Daarna begon hij met alle medeklinkers op te schrijven en dat waren de t. d, k, l, enz,., voor het meeste gewone klanken die wij ook kennen met als extra de ch, kj, en tl. Daarna begon hij woorden te verzamelen en hij toonde ons aan dat dat nog geweldige problemen gaf. Hij wees naar een boom en de Indiaan zei: “wewe”. Okay, hij gaat een kaartje maken met aan de ene kant dus ‘tree’ en aan de andere kant ‘wewe’ en stopt dat in een kaartsysteem onder de t van tree. Om zeker te zijn vroeg hij een tweede Indiaan hetzelfde en deze zei: “onot”. Nieuw kaartje maken met ‘tree’ en ‘onot’. Er is dus kortsluiting ergens en dus werd een derde Indiaan geraadpleegd en deze zei: “pakilu”. Nog een kaartje met ‘tree’ en ‘pakilu’. Drie namen dus voor een en dezelfde boom en dat is dus een beetje vreemd. De volgende Indiaan die hij tegen kwam zei “wewe” en zo ook nog een heel rijtje andere Indianen. Op het laatst kwam hij er dus achter dat boom in het algemeen ‘wewe’ is. De tweede naam was de soortnaam van de boom. De derde bleek later vlinder te betekenen. De Indiaan aan wie hij dit gevraagd had bleek dus niet de boom te zien die hij aanwees maar dacht dat het insect bedoeld werd. Het volgende probleem dat hij op te lossen had was zoals wij dat noemen het taalidioom. De Indianen kennen geen zinnen zoals wij dat kennen maar vervoegen het belangrijkste werkwoord en zo kan het dus voorkomen, dat je van een werkwoord 2.000 variaties krijgt. Erg moeilijk maar als je eenmaal het systeem door hebt schijnt het toch wel te leren te zijn. Het moeilijkste is natuurlijk al, die vervoegingen uit het hoofd te leren. Ze zijn verder natuurlijk voor ieder werkwoord hetzelfde maar 2.000 variaties is een hele hoop. Ontzettend interessant hè, hoe zo'n taal vanaf het be­gin opgebouwd wordt en het lijkt me ook prachtig maar tevens ook erg veeleisend werk. Hij liet ons de nieuwe woorden zien die zijn hulpen in het binnenland verzameld had en dat was een pak kaarten van minstens honderd stuks. Die gaan allemaal in het kaartsysteem en de missionarissen hopen na verloop van tijd de taal zo geheel onder de knie te krijgen., Hij vertelde ons onder meer dat hij zich alleen bezig hield met het vertalen van de bijbel en we vroegen of de regering al iets met de taal deed of ook zo'n programma hadden. Dat bleek niet zo te zijn en deze missionarissen doen dus baanbrekend werk. Hij vond het erg jammer dat ze niet meer personeel hadden want graag zou hij ook boeken vertalen over motoren en allerlei andere voor de Indianen op het ogenblik belangrijke zaken maar hijzelf had daar geen tijd voor. Hij vond dat het vertalen van Gods woord in de Wajana-taal het belangrijkste was en tenslotte is hij daar ook voor uitgezonden. Hij vertelde ons o.a. ook hoe het kwam dat hij missionaris is geworden en dat is ook wel leuk en interessant genoeg om even te vermelden. Hij was zelf een "professional fighter". Een bokser van be­roep en verdiende zijn geld met trainen van boksers die beter waren. Daarna is hij ser­geant geweest in het Amerikaanse Leger voor drie jaar. Ook dit werk bevredigde hem niet en toen is hij in de ‘business’ gegaan, maar nog steeds voelde hij in zich, zoals hij dat uitdrukte, een grote leegte, een honger naar iets. Een vriend vertelde hem dat hij moest gaan drinken en dat deed hij dan. Spoedig echter kwam hij er achter dat dat ook niet za­ligmakend is omdat je alleen ’s-avonds dan gelukkig bent maar de volgende morgen heb je een vreselijke kater; dus dat was ook niets. Hij moest gaan trouwen. Okay, hij trouwde maar ook dat veranderde niet veel. Nog steeds voelde hij die leegte in zich en zo kwam hij op een dag iemand tegen die zei: "Ik ben Christen, en als je me nodig hebt dan kom je maar". Dit zette hem aan het denken en via deze man is hij langs allerlei wegen zover gekomen dat hij het missionariswerk heeft opgenomen. Een schoolvoorbeeld van missionaris worden dus en dat verhaal maakte op ons toch wel de nodige indruk. Zo hebben we nog wel enkele uren met hem doorgebracht en we hebben in die paar uur ontzettend veel geleerd. Het gaat te ver om alles te vertellen wat er zoal behandeld is dus, gaan we maar gewoon verder met het verslag. Een beetje beduusd van wat w allemaal te horen hebben gekregen besloten we maar om wat te gaan zwemmen. Enkele andere jongens waren ondertussen naar het dichtbij gelegen vliegveld gegaan, onder leiding van een Indiaanse jongen van 15 jaar en zij hebben ervaren hoe goed de Indianen met pijl en boog kunnen omgaan. De Indianen lopen in het bos altijd met de boog gespannen in één hand en als je zo’n boog in handen krijgt bemerk je reeds gauw dat hiervoor wel de nodige kracht vereist is. Plotseling liet hij de boog ontspannen en de pijl vloog tussen de bladeren in. Na enig graafwerk haalde hij een hagedis tevoorschijn die precies door midden geschoten was. De totale lengte van het beestje was niet meer dan 12 cm en de afstand vanwaar hij geschoten had was ongeveer 8 meter. Een buitengewone prestatie aangezien je die hagedissen haast niet zien kunt omdat ze ten eerste nogal klein zijn en ten tweede ze een buitengewoon goede schutkleur hebben en ten derde razend snel zijn. De jongens hadden het hele beestje niet eens gezien. Gevaarlijke jongens hè, die Indianen. Men had ons verteld dat het vliegveld verboden was voor privé vliegtuigen en toen ze daar kwamen kon je duidelijk zien waarom. Dwars over het landingsterrein liep een akelige bult en die was met gewone man­kracht niet weg te werken. Eén klein foutje van de piloot en het vliegtuig zou over de kop slaan. Vijf trieste wrakken bewezen dat dit fataal kan zijn. Het vliegveld wordt dan ook alleen door de missionarissen gebruikt in de hoogste nood. Al het verkeer komt via een hoger gelegen Indianendorp Palomew dat wel een goed vliegveld bezit. Men zakt dan van daaruit de Tapanahony af tot aan Apetina. Wel krijg je dan nog 5 van die grote soela's te verwerken zoals wij die hebben gehad vlak vóór Apetina. De vorige dag heb ik vergeten te vermelden hoe die soela heette. Dat was de Poensoela. Tijdens een interview wat we later op de dag nog gehad hebben met Mr. Johner en de verpleegster hebben we gevraagd of de TRIS enkele nuttige dingen voor Apetina kon doen. Eén daarvan noemde hij het egaliseren van het vliegveldje met TNT met medewerking van de Genie en de Technische Dienst. Deze vraag werd toen gesteld omdat we de TRIS aan het vergelijken waren met onze Franse collega's, die wel ingezet worden bij projecten zoals wegenbouw terwijl de TRIS daar helemaal niets aan doet. Van de kapitein kregen we te horen dat de TRIS dit soort dingen reeds verscheidene malen in het verleden naar voren had gebracht maar dat van regerings­wege dit niet nodig werd geacht. Leve de Surinaamse Regering!! Andere jongens zijn aanwe­zig geweest bij het maken van pijl en boog, en weer anderen zijn met een Indiaan mee geweest vis schieten, maar dan met pijl en boog. Zo hebben we onze dag zeer nuttig besteed en een veel beter inzicht gekregen van wat er in het binnenland allemaal gaande is. Het is voor allemaal een zeer interessante dag geweest en het bezoek aan Apetina heeft toch wel onze stoutste verwachtingen overtroffen. Na de warme maaltijd zijn we hoofdzakelijk bij het bivak gebleven omdat we langzamerhand het idee kregen dat we geweldige indringers waren in het privé leven van deze Indianen, alhoewel de Indianen helemaal geen aanleiding hebben gegeven om zo te denken. 's-Avonds werden we weer uitgenodigd om enkele films te komen bekijken en later op de avond konden we aan de Indianen enkele vragen stellen De film die we te zien kregen had Johner zelf gemaakt en ging over het vissen met hia hia; het vissenvergift. Erg mooie kleuren en we kregen een heel duidelijk beeld hoe dat allemaal in z'n werk ging. Het interview was het klapstuk van de avond en er werden wel dui­zend-en-één vragen gesteld. Ook van de kant van de Indianen kwamen bijzonder goede vragen en het was al vrij laat toen we naar bed gingen. Als je zo 's-avonds in bed ligt denk je nog wel eens na over de dingen die je die dag hebt meegemaakt. Wat was nu het leukste geweest? Eigenlijk onze show voor het Opperhoofd. Hij vond namelijk dat we niet militair genoeg waren, want bij militairen horen driloefeningen, commando's en exercitie. We hebben dan ook op zijn speciaal verzoek wat exercitie gedaan en de belangstelling van de zijde van de Indianen was groot. We sprongen dus in de houding, presenteerden het geweer, deden het geweer over de schouder, draaiden links om, liepen in een z.g. colonne en de keuken heen om vlak voor het Opperhoofd weer tot halt te komen. Enz. Alles wat we zo'n beetje hadden geleerd hebben we gedaan. Het ging niet al te goed maar het Opperhoofd was zeer tevreden en aan de gezichten van de andere Indianen te zien hadden die ook wel genoten. Grappig hè, zo'n beetje exerceren midden in de jungle. Dit is misschien de enige keer geweest dat we met plezier wat exercitie deden, maar het was dan ook voor een speciale gelegenheid.

 

Zondag, de zesde dag, de eerste dag van de terugreis was het weer gewoon om 0530 uur opstaan geblazen. Ik zeg express blazen want het was de taak van de hob om elke morgen reveille te blazen, iets wat bij de bevolking altijd erg in de smaak is gevallen. Iedere morgen leek het wel of die trompet verstopt was, maar daar vielen we niet over omdat we zelf ook nog niet goed wakker waren. De bekende havermoutpap werd verorberd en de lunchpakketjes voor onderweg werden uitgereikt. Het bivak was snel afgebroken en om 0630 waren we al gereed om te vertrekken. Een heel belangrijk ding moesten we echter nog doen en dat was het uitdelen van enkele van de geschenken. Geschenken zoals rode lappen (in de kleur die, ze gebruiken om lendendoeken van te maken) pukkels met draagriemen, kralen en khaki-pakken waren de dag van aankomst reeds aangeboden. Die khaki-pakken waren niet zo'n succes vonden we. We hebben een Indiaan gezien die een khaki-pak had aangetrokken maar dat, is geen gezicht. We hebben later ook aan Mr. Johner gevraagd of hij het niet gek vond die khaki-pakken. Hij vond van niet. Hij vertelde ons dat de Indianen toch wel graag iets langs aan hadden als ze in de bush waren en vooral op het water, want ook Indianen verbranden in de zon als ze er te lang aan blootgesteld worden. Dit was voor ons weer iets heel nieuws maar tijdens de terugreis hebben we gemerkt dat de negers ook kunnen verbran­den. Eén van de motoristen, die toch erg zwart is, had last van een verbrande rug. Toch typisch hè, zoiets verwacht je niet gauw. Vlak voor het instappen hebben we dus vooral aan de kinderen onze voorraad snoep, kammen en spiegeltjes uitgedeeld en ze waren er wel mee in hun schik. Om eerlijk te zijn vonden we het vreselijk om dit soort dingen te moeten weggeven. Toen we aankwamen en in de hut van het Opperhoofd werden ontvangen zagen we daar een spiegel hangen van 1 bij 2 meter. Iedere Indiaan die we tegenkwamen had zo’n grote kam in het haar en kinderen van 2 en 3 jaar liepen met bossen kralen om hun nek daar werd je gewoon koud van. Als je dan bedenkt dat wij dingen komen geven waar ze allemaal al in voorzien waren dan is het toch wel een beetje vreemd. Vooral die spiegeltjes. Wij hadden van die hele kleine spiegeltjes, rond met een diameter van misschien 6 cm. We hebben dit ook verteld aan Mr. Johner maar die vond dit helemaal niet vreemd. Hij vertelde ons dat we ons daar helemaal niet voor behoefte te schamen. Hij zei zelfs dat de Indianen deze geschenken zeer op prijs stelden. We hebben dit later in het interview zelf aan de betrokkenen gevraagd en dat bleek inderdaad zo te wezen. Als je zo al dat soort kleine dingen weggeeft voel je je net zo’n rijke Amerikaan die ook wat doen wil voor die zielige arme mensen en dat is nou net een gevoel dat me helemaal niet aanstaat. Trouwens, die kralen waren uiermate welkom. De Indianen gebruiken de kralen als een soort geld en er moet gezegd worden dat het wel erg waardevat is. 1 kg kralen kostten vijf jaar geleden nog Sf 6,50 en nu kost 1 kg al tegen de Sf 22. Wel een goede geldbelegging dus. Ze rijgen die kralen aan een draad en ze zijn erg goed in het schatten van het aantal kralen over een zekere lengte draad. Mr. Johner vertelde ook dat er Indianen zijn die kisten vol met die kralen hebben en dat in dus een aardig fortuin. Langzamerhand komt echter ook het gewone geld steeds meer in maar dat wordt nu alleen nog hoofdzakelijk gebruikt voor de handel met Boslandcreolen. Onderling echter is de kraal nog het belangrijkste, en meest voorkomende betaalmiddel. Tijdens het uitdelen van de kleinere geschenken hebben we nog iets meegemaakt wat ook wel het vermelden waard is. Een van mijn maten bood een kleine Indiaanse jongen een kam, spiegeltje en wat snoep aan. Hij was echter bezig zijn tanden te poetsen en zonder iets te zeggen of om te kijken wees hij met zijn vinger naast zich. De maat moest het daar maar neerleggen. Een voorbeeld van hoe trots ze zijn. Wel eindelijk was dus alles achter de rug en konden we wegvaren. Het Opperhoofd was ondanks zijn al vrij hoge ouderdom ook naar beneden gekomen om persoonlijk afscheid te kunnen nemen en na nog wat beleefdheidsfrasen heen en weer gewisseld te hebben steeg ook de kapitein in en gingen we weg. De hob deed zijn best en over het water klonk het erg goed. Wij zwaaiden fanatiek maar er waren maar een paar Indianen die hun hand opstaken. De rest bleef gewoon met de armen over elkaar staan kijken en ik ben er van overtuigd dat dit geen bewuste onbeleefdheid is. We kunnen eigenlijk helemaal niet over onbeleefdheid praten maar meer van een bepaalde houding. De zendeling, zijn vrouw en de Hollandse verpleegeter Klazien zwaaiden natuurlijk wel en na reeds twee minuten was het dorp uit het zicht verdwenen, We hadden het gevoel alsof we een goede familie verlieten en er werd dan ook niet veel gezegd. De stemming was een beetje “down”, maar al gauw werden we weer geboeid door het natuurschoon en ook waren we al spoedig bij de Poensoela aangekomen. Zo'n soela ziet er van de andere kant heel anders uit. Je ziet het water ineens verdwijnen een nu zie je duidelijk het hoogteverschil tussen de “boven-“ en “benedenloop”. Op de plaats waar we twee dagen geleden zijn ingestapt, stapten we nu weer uit en konden we het gehele duw- en trekwerk andersom bekijken. Het is wel duidelijk dat het nu wel heel wat sneller ging met zo'n sterke stroom in de rug maar het was zeker niet minder gevaarlijk. De koelamannen en motoristen dansten dan ook elke keer van plezier als er weer een korjaal heelhuids was afgeleverd en dat was een grappig gezicht. Die gasten kunnen echt goed gek doen als ze willen. Reeds na 20 minuten zaten we weer in de boten en geholpen door de sterke stroom in de rug vlogen werkelijk over het water. We zaten eigenlijk goed in ons rats want de missionaris had ons verzekerd dat vandaag de grote regentijd definitief zou beginnen en in de verte zagen we grote zwarte wolken aan de horizon. De grondzeiltjes en regenjassen werden dan ook alvast tevoorschijn gehaald en we hoopten maar dat het nog even zou wachten met regenen. Voorlopig werden we al nat genoeg want een straffe wind zorgde ervoor dat het boegwater in ruime mate naar binnen werd geblazen en dat was heus niet zo plezierig. De hob die naast me zat ergerde zich dood aan de stok van de koelaman. Als hij geen last van het binnengeblazen boegwater had dan kwam het water wel binnen via het opspatten tegen de koela en daar was niets tegen te doen. Tenslotte moet zo'n koelaman ook z'n geld verdienen. Het werken met de koela. Iets heel aparts. Zo'n stok dient namelijk niet alleen om de boot van rotsen af te duwen maar meer als peilstok. Als het spannend wordt dan gaat de koelaman staan en peilt met de stok de diepte. Omdat de boot nogal snel gaat moet de stok ook snel worden verplaatst en er is dan ook geen onder en bovenkant aan de koela. Beide kanten worden afwisselend gebruikt en hij laat de koela dan ook als het ware ronddraaien zodat afwisselend de ene en dan de andere kant het water in verdwijnt. Dat ronddraaien gebeurt dan in de lengte van de korjaal en elke keer bij het bovenkomen van de stok sloeg er dus een lading water over de hob, die zoals reeds gezegd zich daar mateloos aan ergeren kon. En toen gebeurde het. We lagen allemaal zo'n beetje te slapen toen onze koelaman ineens een geweldige natte kreet slaakte en we allemaal overeind vlogen. We dachten minstens dat er een aanvaring zou gebeuren maar we zagen al gauw dat voor ons alleen maar water was. Alleen maar water?? Welnee, er zwom een hert. Al spoedig had ook de tweede korjaal het beest in de gaten en met z'n tweeën begonnen we een omtrekkende beweging te maken. De bedoeling was duidelijk het beest de weg naar de oever af te snijden. Ook de derde korjaal kwam te hulp maar deze bleef meer in het midden maar dat was erg goed bekeken want zodra het hert zag dat z'n weg naar de oever geblokkeerd was maakte het rechtsomkeer. Na enkele meters kreeg het de derde korjaal in de gaten en maakte weer rechtsomkeer. Tenslotte was de oever waar hij naar toe wilde dichterbij dan de oever waar hij vandaan kwam en je zag duidelijk dat het hert in paniek kwam. Er werd erg snel gezwommen maar tegen motorkorjalen kan je nou eenmaal niet op. Het leek wel alsof onze motoristen bij de marine in opleiding waren geweest. De meest ingewikkelde manouvers werden uitgevoerd maar steeds wist het hert te ontsnappen en dit veroorzaakte paniek bij ons. De korjalen voeren zo hard langs elkaar heen dat een botsing onvermijdelijk leek en ja hoor, bij een ingewikkelde draaibeweging kwamen we nogal hard met elkaar in botsing. Gelukkig was het niet midscheeps of loodrecht op elkaar maar aan de voorkant terwijl ieder een tegengestelde draai maakte. De korjalen helden gevaarlijk over en de hele boot schudde van de klap. Het hert was ondertussen al aardig dicht bij de oever gekomen en toen kwam korjaal 3 ons te hulp. 1 ging eerst nog achter het hert aan en de motorist kreeg het dier te pakken maar ontglipte hem weer wat bijna een ramp werd want op het laatste nippertje wist hij zich nog binnen boord te houden. De hoofdkoelaman van 1 kreeg nu de kans maar lazerde ook haast in het water. Snel kwam nu de 2 de 3 te hulp en eindelijk wisten de 2 en de 3 het hert klem te varen. De motorist van de 3 greep naar het hert maar weer wist het radeloze dier te ontsnappen, tenminste dat had ie gedacht. Hij had buiten de snelheid en de kracht van de motorist van de 2 gerekend. Deze dook naar het beest en had eindelijk zijn achterpoten te pakken. Hij verdween wel eerst bijna helemaal onder water maar werd gelukkig vastgehouden door een koelaman van de 2 die naar achteren was gegaan om assistentie te verlenen en hij was net op tijd om de benen van de motorist de grijpen. Nu had iedereen dus iedereen bij de benen en hoewel hij bijna verzopen moest zijn liet de motorist van de 2 het dier toch niet los en wist zich weer boven water uit te werken. Luctor et Emergo gold dus voor de motorist maar niet voor het hert. Samen met de motorist van de 3 hielden ze het beest aan zijn achterpoten omhoog en hoewel het dier als een bezetene tekeer ging lukte het hem niet zich aan de beroemde Zeeuwse spreuk te houden en verdronk. Terwijl de motoristen met het hert bezig waren werkten de koelamannen van de 2 en de 3 uit alle macht om de twee korjalen bij elkaar te houden. Met peddels en met stokken zodat de twee korjalen ondanks het spektakel dat zich op het achterdek afspeelde redelijk onder controle gehouden werden. Toen het hert eindelijk dood was werd het met vereende krachten aan boord gehesen en de motoristen dansten van plezier. Dit is trouwens de enige keer dat we onze Indiaanse motorist, van de 1, zijn stoïcijnse grimas zagen veranderen. Afijn, we hadden weer vlees voor de komende dagen en we hadden nu wel een heleboel zo bij elkaar. We waren door de Indianen ook nog behoorlijk voorzien dus daar was helemaal geen gebrek aan. Ik ben iets vergeten. Ja, voordat deze “zeeslag” plaatsvond hadden we nog een bezoek gebracht aan een ander klein Indianendorp en dat noem ik maar klein-Apetina. Het bleek namelijk dat de enkele inwoners uit Apetina afkomstig waren; zij hadden in het verleden ruzie gehad met het Groot-Opperhoofd Apetina en zijn toen maar ergens anders gaan wonen. Een goede beslissing want beter iets uit elkaar gaan wonen als je kwaad bent dan in hetzelfde dorp want daar komt toch alleen maar narigheid van. Van deze Indianen hebben we ook nog een hele stoot vis gehad, zij kregen natuurlijk ook hun deel van de lappen, kralen en kammen. We waren werkelijk overladen met vis en vlees en toen we tegen 1100 uur in Granboridorp aankwamen hebben we ook van deze “levende” waar veel weggegeven. Het hert hebben we voor de helft zelf gehouden. Het werd door de koelamannen geslacht en 's-avonds hadden we dan ook lekker een groot stuk hertebout en dat smaakt prima. Met de hob in actie kwamen we Granboridorp binnenzeilen maar deze keer werd er niet geschoten en daar kon onze gids niet rouwig om zijn want ondanks dat we hem de losse flodders hebben laten zien vertrouwde hij het zaakje toch niet. Het gehele welkomstcomité stond weer aan de kant en we werden zo mogelijk nog hartelijker ontvangen dan de vorige keer. Gelukkig werd nu van de beleefdheid niet geëist dat we alle korjalen moesten leeghalen en dat vonden we natuurlijk al lang best. Wel moest alles uit korjaal 2 gehaald worden want deze maakte behoorlijk wat water; dit tot groot ongerief van de luit. want die zat te hozen tot ie er een lamme arm van kreeg. Waarschijnlijk is de korjaal tijdens het slepen in de Poensoela beschadigd. Er zat een behoorlijke scheur in en de motoristen gingen na het slachten van het hert dan ook dadelijk beginnen met de reparatiewerkzaamheden. Intussen maakten wij het bivak gereed en we waren nog niet onder dak of de lang verwachte bui  barstte los. Het was een echte tropische regenbui en deze keer was er ook heel wat bliksem en donder bij. We waren dolgelukkig dat we net op tijd binnen waren en we waren ook erg verbaasd dat de missionaris dit zo precies wist te voorspellen. Misschien had hij wel stiekem ergens een 'hot-line’ met boven, wie zal het zeggen. Het eten was vlug klaar. Deze keer was het goulash en nog wat spinazie, appelmoes en ingeblikt fruit na en natuurlijk het nodige pingo-vlees. Verder is die middag niet veel gebeurd. De meeste jongens zijn gaan slapen omdat daar de vorige nacht niet veel van terecht was gekomen. Bovendien zou er die avond weer een dansi dansi zijn en enkele hadden zich vast voorgenomen om iets te gaan versieren en daarvoor moet je natuurlijk goed uitgerust zijn. Behalve de hospik. Hem werd geen rust gegund want nauwelijks had hij voet aan wal gezet of hij werd overstroomd met klachten. De meesten ech­ter klein zoals maagpijn, hoofdpijn en als ik het zo eens bekijk denk ik wel dat 90% van al die zieken het alleen maar erg interessant vonden om ziek te worden genoemd. De hospik had dit ook wel in de gaten en degenen waarvan hij overtuigd was dat die simuleerden die gaf hij in alle ernst gewoon zouttabletjes. De ernst waarmee hij dit deed was gewoonweg fenomenaal en we moesten er allemaal wel om lachen alhoewel we dat natuurlijk niet lieten blijken anders zou zijn spel geen effect hebben. Hij gaf het voorbeeld van genezen door psychologie. Er waren natuurlijk ook gegronde klachten en het was opvallend hoeveel oogziekten er vooral onder de kleine kinderen heersten en het kostte nogal moeite om die kinderen te behandelen. De moeders waren erg dankbaar en zo werd de hospik het voornaamste mannetje van de militairen. Wel in de loop van de middag zagen we weer hetzelfde gebeuren als de vorige keer; alle dames weer naar de kapper en het is een reusachtig werk om van die kroeskoppetjes nog iets behoorlijks te maken. Tegen zessen zijn we nog even wezen zwemmen en de zon kwam ook nog even terug maar helaas niet voor lang. Vlak na zonsondergang kwam er weer een tropische bui en deze was veel heviger dan die we die middag gehad hadden en we zagen daarmee ook ons dansi dansi in het water vallen. Hier in het dorp zat men daar helemaal niet mee want ze hadden de beschikking over een grote overdekte ruimte onder een huis op neuten met muren rondom zodat de wind de regen er niet in kon blazen. We zijn er die avond uiteraard naartoe gegaan en de herrie daar was oorverdovend en je kon je haast niet bewegen zo vol als het was. De reuk was daar ook afgrijselijk. Knoflook en zweet en nog honderden andere luchtjes door elkaar heen. Hoe ze dat zo’n hele tijd hebben uitgehouden daar is mij een raadsel. Ik ben na verloop van een uurtje weggegaan omdat ik het wel voor gezien hield en bovendien barstte ik van de slaap en na vijf minuten lag ik te bed. Deze keer niet als een zak appels maar lekker strak en dientengevolge ook erg hoog. Ik had een stoel nodig om mijn hangmat in te komen. We hebben de vorige keer ervaren dat de hangmatten absoluut strak moeten hangen om een goede nachtrust te garanderen. De vorige keer hadden we ze aan de staande palen vastgemaakt maar dat was dus goed waardeloos. Deze keer hadden we ze aan de hoger gelegen dwarsbalken vastgemaakt en het geheel goed aangetrokken met als gevolg dat de meeste hangmatten dan ook op1.80 meter hingen. Beter zo dan anders maar het was wel erg hoog hoor. Zo gauw je echter ligt en je hebt je ritssluiting van de klamboe dichtgetrokken dan is er niets meer aan de hand en met de wetenschap dat we de volgende morgen pas om 0630 uur gewekt zouden worden heerlijk geslapen.

 

Maandag, de zevende dag lekker uit kunnen slapen tot 0630 en daarna ging alles weer z'n gewone gangetje. Alles was erg gauw weg zelfs zo gauw dat ik niet eens de gelegenheid heb gekregen om mijn mok havermout te bemachtigen dus moest ik met een lege maag op weg. Ook geen ramp want ik ben maar meteen begonnen aan de cakes met kaas en dat kon natuurlijk zonder moeilijkheden op te leveren want ook vandaag zouden we erg vroeg aankomen. Het was gelukkig droog en de zon deed reeds z'n uiterste best om ook de nog laag hangende wolken te verdrijven. We konden aan de nevels die over de rivier hingen goed merken dat de regentijd was gekomen. De stemming was nu weer stukken beter en de hob vertelde me hoe het gisteravond allemaal gegaan is. Het dansi dansi is tot 12 uur aan de gang geweest en het is twee man van ons gelukt om een meid te versieren en om er mee op “de krik” te gaan. Weliswaar geen buitengewone prestatie omdat de Boslandcreolen hele andere zeden en gewoonten hebben dan wij maar het is gebeurd tijdens de vaarpatrouille en dus behoort het ook in het verslag vermeld te worden. We hebben het ook nog een tijdje gehad over bakroes en aanverwante geesten en dat kwam ter sprake omdat dit 's-nachts toch wel tot ieders probleem werd. Ondanks onze Christelijke opvoeding hebben we toch duidelijk het gevoel dat er iets in bossen rondspookt dat er helemaal niet thuis hoort. We moesten deze keer namelijk ook weer wachtlopen bij de korjalen om een herhaling van diefstal, zoals dat dus de vorige keer is voorgevallen te voorkomen. De kapitein had ons toen wel verzekerd dat de daders opvoedkundig gestraft zouden worden maar je moet nu eenmaal altijd het zekere voor het onzekere nemen. Om de tien minuten moest je dus naar beneden om te kijken of alles bij de korjalen nog wel in orde was en dat klooien met zo'n olielamp in het donker is ook niks. De zak­lantaarnbatterijen waren door het vele wachtlopen allang op dus moest je je behelpen met een olielamp en dat betekent echt behelpen. Ten eerste heb je aan zo'n lamp helemaal niets want het enige dat verlicht wordt ben jezelf en dat is uiteraard helemaal niet de bedoeling. De lamp hoger draaien gaf erg weinig en je moest je maar tevreden stellen met een maximaal zicht van 3 meter in de omtrek. Ben je eenmaal veilig bij de korjalen aangekomen dan is de eventuele dief natuurlijk allang niet meer aanwezig want om de beklemming een beetje van je af te zetten heb je natuurlijk lopen fluiten in de hoop dat geesten helemaal niet van fluiten houden. Nu denk je erg slim te zijn. Je gaat in één van de korjalen zitten en doet de olielamp uit en blijft heel stil zitten wachten en luistert scherp of er dieven naderen. Je zit dan reeds vijf minuten geconcentreerd te luisteren en dan hoor je ineens een of ander moeilijk bosbeest een natte gil slaken, en je hart is de komende minuut helemaal van streek. Je ademhaling lijkt wel op een blaasbalg en je probeert nog stiller te zijn en zo min mogelijk in de gaten te lopen mochten er toch wezens in het rond spoken. Het geklots van het water gaat echter op je zenuwen werken en na totaal tien minuten in het stikke donker te hebben doorgebracht (het leken wel uren) besluit je maar om de olielamp weer aan te doen en nou blijkt dat dat niet lukken wil. Je bibbert en je beeft als een rietje en om het maar populair uit te drukken: je schijt peuken. Uiteindelijk lukt het dan toch en als de sodemieterei maak je dat je naar boven komt, onderweg natuurlijk hardop praten en het dansende licht van de lamp zorgt er wel voor dat je niet al te lang op een en dezelfde plaats blijft. Hèhè, eindelijk boven. Gauw even wat koffie maken en zo ben je de eerste paar minuten druk bezig je zenuwen onder controle te brengen. In en rond het bivak is alles rustig en om af en toe iemand in zijn slaap te horen praten is een hele geruststelling. Ook zijn er altijd wel een paar houthakkers tussen en al deze geluiden brengen je weer langzaam terug naar de werkelijkheid. Dan begin je je af te vragen waarom je eigenlijk zo bang was daar in die boot. Je begrijpt er niets van, vind je eigen maar een zak en besluit even later om toch maar weer eens bij de korjalen te gaan kijken; al is het alleen maar om te bewijzen dat het allemaal maar flauwekul is. Je steekt eerst nog een saffie op, grijpt de olielamp en je begeeft je op weg naar beneden. Halverwege word je ineens bij je haren gegrepen en je krijgt haast een hartverlamming van de schrik. Razendsnel ga je door je knieën en plotseling is die greep er niet meer. Je kijkt om je heen en naar boven en dan kom je tot de ontdekking dat je vergeten bent om te bukken voor de geestenafrastering. Je lacht een beetje om je eigen stommiteit en gaat moedig verder ondertussen jezelf en die stomme geestenafrasteringen hartgrondig vervloekend. Gelukkig, alles is rustig en er is geen spoor van dieven te zien. Stom toch dat wacht lopen. Zo, nu gaan we maar eens in de derde korjaal zitten. Als ik de lamp nu op de tweede korjaal zet dan heb ik een mooi overzicht en zelf zit ik dan ook buiten schot. Zo gezegd zo gedaan en even later zit je dan lekker op je gemak een nieuw saffie te roken. Dat andere heb je zo-even laten vallen en is nat geworden. Geeft niets, we hebben nog shag genoeg om nog tien dagen op vp te gaan. Alleen vervelend dat die vloetjes zo plakken. Gelukkig heb ik een aansteker want die Surinaamse lucifers zijn ook waardeloos. Hé, wat is dat wat bewoog daar? O, gelukkig niets het was de schaduw van de lamp; en daar dan, nee dat komt door de wind; daar ja daar is iets kijk, het komt dichterbij of niet, wat gebeurt er nu eigenlijk? Nee, nu is er niets meer te zien. Heel langzaam verdwijnt de maan achter de wolken en de wind wordt sterker. De korjalen dansen op het water en al gauw heb je toch wel last van allerlei soorten “hallucinaties” en als de nu vraagt: “Geloof je in geesten” dan is het antwoord nee, maar toch daar bij die korjalen? Eén ding is zeker. Je voelde je helmaal niet op je gemak. We hebben er met z'n tweeën zo een tijdje over zitten te praten en al spoedig kwam de Koemaroe Tabbetje Soela weer in zicht en we maakten ons vast gereed om uit te stappen. De wapens konden we in de boot achterlaten maar ze moesten wel goed worden vastgebonden. We liepen snel naar de andere kant van de soela want de mieren waren aan deze kant nog steeds actief en bovendien wilden we zien hoe de korjalen over de soela kwamen. Het duurde toch nog wel 20 minuten voordat we de eerste korjaal zagen verschijnen en dus moeten we hieruit concluderen dat, voordat ze de soela konden bereiken, er toch nog wel enkele andere hindernissen te overwinnen waren. Wij konden dit niet zien omdat de korjalen eerst helemaal terug moesten naar de overkant en daar werd ons het zicht belemmerd door bomen en dicht struikgewas. Het was werkelijk spectaculair om te zien hoe de korjalen deze soela overvlogen. De vorige keer moesten de koelamannen hard peddelen om er overheen te komen maar deze keer moesten ze zich alleen maar goed vasthouden. We zagen de eerste korjaal plotseling verschijnen tussen de bomen en met een bloedgang ging het de soela af. Je zag ze gewoon vliegen, tenminste die indruk kreeg je. Het hoogteverschil was ongeveer 1½ m en je kon duidelijk zien hoe de korjaal naar beneden plofte. Daarna zag je niets meer. Geweldige hoeveelheden schuimend water spatte hoog op wat wel een bewijs was hoe hard de boot weer in het water terechtkwam. We konden nog tweemaal van dit schouwspel genieten en daarna zagen we hoe heel in de verte de koelamannen een klein dansje in de korjalen uitvoerden om te tonen hoe blij ze waren het ook deze keer weer goed er van afgebracht te hebben. Voordat we instegen kregen we eerst nog een blikje juice en een sinaasappel uitgereikt van de koks en dat was echt nodig want het was ondertussen flink warm, ja heet geworden. Verder ging het weer richting Poeketi en voordat we aan onze sinaasappels konden beginnen moest er eerst nog flink gehoosd worden want er was veel water binnengekomen. Hierdoor kunnen we wel merken dat soela's af gaan veel riskanter is dan erop want de vorige keer lag er lang zo veel water niet in de boot dan nu terwijl de korjalen nu toch heel wat lichter zijn dan 4 dagen geleden. Onderweg hebben we nog een paar keer bij dorpjes aangelegd om de Hr. Libretto de kans te geven enkele familieleden te bezoeken. We baalden daar op het laatst wel van want het werd steeds warmer en daar heb je als je vaart geen last van; de wind zorgt dan voor de nodige afkoeling. Tegen 1200 uur kwamen we weer in Drietabbetje aan. De kapitein, luitenant en Hr. Libretto zijn afscheid gaan nemen en wij zijn naar het gastenverblijf gegaan en hebben daar wat in de schaduw gezeten omdat het oponthoud deze keer langer zou duren dan bij de vorige dorpen. We moesten de lege ijskist weer inladen en bovendien moesten de benzinevoorraden worden aangevuld. Op de heenweg hadden we hier namelijk een drum achtergelaten en ook lagen er nog drums die door een zgn. bevoorradingspatrouille ten behoeve van onze patrouille waren achtergelaten. Terwijl dit gebeurde hebben we dus in de schaduw gezeten want de koelamannen waren mans genoeg om dit te regelen en bovendien zijn wij voor hen toch maar een sta-in-de-weg wat in- en uitladen betreft. Om 0130 ‘s-middags vertrokken we weer en nu was het nog maar een klein stukje naar de Gran Holo vallen waar de Wowatra abravallen een stukje van is en waar dat spoorrailsje was. Deze keer duurde het overslepen van de korjalen veel langer omdat het van deze kant af veel moeilijker was om de korjalen goed op het karretje te krijgen. We zijn er een dik uur mee bezig geweest. Ik heb deze keer niet meegeholpen omdat ik veel last kreeg van enkele opgezette klieren in m'n nek. Ik werd er erg chagrijnig van en keek in het rond zoals een uil dat doet. 't Leek net of alle nekspieren door die klieren vastgezet werden en dat was toch wel erg lastig. Toen alle korjalen veilig en wel weer in het water lagen hebben we op ons gemak een half uurtje bij zitten komen van de inspanning want het was nu toch wel erg heet geworden en de winkel die halverwege het spoorbaantje was gelegen kreeg het druk met soft verkopen. Lekker koude soft en overal werd geld vandaan getoverd want officieel waren we helemaal blut maar je staat er toch versteld van hoeveel geld er uit verborgen hoekjes en broeknaden tevoorschijn komt. Genoeg ten minste om voor allemaal een flesje soft te kopen. De prijzen waren dubbel zo hoog als in de stad en dat komt natuurlijk door de vervoerskosten. Poeketi, dat hier tegenover ligt, is altijd nog 15 uur varen van Albina en dat is nog een behoorlijke afstand vooral als je bedenkt dat je alleen overdag kan va­ren. Vanwege de vele voorkomende rotsen is varen in het donker natuurlijk uit den boze. Na goed te zijn uitgerust stapten we weer in om één minuut later weer uit te stappen want we moesten alleen maar de rivier oversteken. Er werd niet geschoten en ook niet getoeterd want daar moesten ze hier in Poeketi blijkbaar niets van hebben. De kapitein van het dorp stond wel al op ons te wachten en na enkele woorden te hebben gewisseld gingen onze kap., de luit. en Hr. Libretto mee om de onderkomens te regelen en wij begonnen vast met uitladen. Reeds na vijf minuten wisten we waar we wezen moesten en beklommen we de vrij stege heuvel telkens weer struikelend over de vele rotspunten. Je begrijpt gewoon niet, dat de inwoners van het dorp zo’n pad nou niet eens egaliseren. Ze moeten er tenslotte allemaal ettelijke keren per dag zelf overheen om water te halen, zich te wassen en om de afwas te doen. Luiheid of domheid? ik weet het niet maar het resultaat is wel lastig! De plaats waar wij moesten komen te hangen was erg klein maar we hadden nu wel enige ervaring in het hangen gekregen en met een beetje passen en meten konden er precies 6 hangmatten naast elkaar. We zijn wel met 7 man maar omdat er steeds een op wacht moet hoeven we deze hangmat niet te gebruiken. Degene die het eerst op wacht moet heeft dus geen hangmat. Dat is natuurlijk helemaal geen bewaar want zodra zijn wachttijd over is maakt hij zijn opvolger wakker en kruipt dan in zijn hangmat en zo gaat dat verder. Je moet ’s-morgens wel gauw goed wakker zijn want je wordt op een heel andere plaats wakker en dat is soms wel lastig, maar de voordelen zijn groter dus dat was ook geregeld. Dit dorp viel bij uitstek op omdat je overal zg heilige plaatsen zag. Meestal staat op zo’n heilige plaats een grote paal met helemaal bovenin een dwarslat. Aan dat dwarslatje hangen dan enkele meters zeer gore lappen die vroeger eens wit geweest waren. Vlak voor de paal staat dan weer zo’n geheimzinnig flesje, leeg of gevuld met water en afgesloten met een kurk of kroonkurk. Ik heb reeds eerder verteld dat we verschillende malen aan de koelamannen hebben gevraagd om ons eens precies uit te leggen wat de betekenis van die flesjes is, maar elke keer maakten ze zich er met een smoesje vanaf en zo weten we nu nog steeds niet waar die flesjes voor dienen. We kunnen natuurlijk wel raden dat het iets met geesten te maken heeft maar of er nu een geest inzit, uitkomt of in moet, of dat het alleen maar daar staat om eventueel langs zwevende geesten de gelegenheid te geven om eventjes op adem te komen en wat te kunnen drinken is ons dus niet bekend en dat is jammer. Het is wel prettig om hier iets meer van te weten want als je tijdens de wacht nu zoiets zwevends tegenkomt moet je toch weten hoe je zoiets aan moet spreken. Afijn, genoeg hierover. Toch moet nog even gezegd worden dat de beschilderingen hier veel meer variaties vertoonden dan we in Loka Loka en Granboridorp gezien hebben en bovendien stonden of hingen hier ook nog allerlei flesjes bij. Bij één hut zagen we nog iets boven de deur hangen 'at veel op een gewei leek en de schilderingen van deze hut waren veruit de mooiste van het hele dorp. Het is verboden om van deze dingen foto's te maken maar we hebben dat toch stiekem gedaan. Twee man op de uitkijk en de ander dan klik en weg wezen. We moesten hier trouwens erg oppassen met fotograferen want haast niemand gaf toestemming en de enkelen die toestemming gaven vroegen Sf 5 of Sf 10 en dat is natuurlijk te gek. Dat doen we niet; we zijn wel soldaten bij de TRIS maar dat betekent nog niet dat je maar met briefjes van Sf 5 kan lopen smijten. Eerder het tegendeel. De zonsondergang ging gepaard met enige regen maar dat was vlug voorbij en we hebben er dan ook helemaal geen last van gehad want we zaten net allemaal te eten. Volop vlees met rijst en sambal die zo heet was dat je bij elke hap wel 1 liter bier moest gebruiken. Jammer genoeg was er geen bier dus we hebben onze toevlucht maar moeten zoeken met water, maar dat werkt natuurlijk lang zo goed niet, dat begrijp je wel. Ook hier waren ze zo blij dat we er waren dat dit gevierd moest worden met een "dansi" en dit duurde tot half één 's-nachts. Ik ben er niet lang bij gebleven want mijn nek deed ondanks de behandeling door de hospik nog steeds zeer en ik lag dan ook al vrij vroeg te meuren. Ook in dit dorp werd de hospik overvallen door allerlei zieken en dat ging op dezelfde manier als in Granboridorp. Verder is er deze avond niets belangrijks voorgevallen en weer hadden we geluk want we zouden de volgende morgen pas om 0630 gewekt worden wat dus een uur langer slapen betekende en dat is nooit weg.

 

Dinsdag, de achtste dag was een puinhoop voor wat het inladen van de korjalen betreft. Om 0630 had ik reeds verbinding gehad met Albina en met 1½ uur voor de boeg dacht ik lekker rustig aan te kunnen doen. Hangmatje oprollen en spulletjes naar beneden brengen was zo gebeurd en ik was me om ongeveer 0730 uitgebreid op een stil plekje aan de rivier aan het inzepen toen een maatje me kwam halen. Ze waren me al lang aan het zoeken en ik moest op­schieten want we zouden al weg gaan en paniek, paniek en ik baalde als een stier. Net als je denkt je eigen even lekker te kunnen wassen komen ze met zoiets aan. Altijd wat anders hier bij de TRIS en na acht maanden had ik beter kunnen weten maar daar raak je maar niet aan gewend. Als de sodemieterei dus aangekleed en nog half nat in de korjaal gesprongen. Waarom eigenlijk? We weten het nog niet maar we hebben toen minstens een half uur gewacht op iets dat zou komen zou maar niet kwam! Ja, eindelijk, wisten we het. Hr. Libretto was zoek. Hij was natuurlijk helemaal niet zoek maar dacht dat we nog steeds om 9800 uur zouden vertrekken en hij was dan ook prompt om 0800 uur aanwezig. De kap. zat ondertussen op hete kolen en we konden maar niet bedenken wat daar nu toch wel de reden van zijn kon. Later bleek dat hij inderdaad wel om 0730 weg wilde om ons de gelegenheid te geven de Gran Holo vallen te fotograferen. Gelukkig hebben we dat alsnog gedaan want het was best de moeite waard. Gran betekent natuurlijk groot en dat klopte. Over een breedte van toch wel tegen de 200 meter aan stortte het water van de Tapanahony zich hier in de diepte en dat was een  geweldig mooi en fascinerend gezicht. We hebben er dan ook heel wat foto's van gemaakt. Een uur lang hebben we daar rondgehangen, over de rotsen geklommen en door het water gelopen. Dit laatste was trouwens erg moeilijk want de rotsbodem was op sommige plekken ontzettend glad en er zijn dan ook de menige gvd’s gevallen, te meer omdat je elke keer bijna met kamera en al onder water zou geraken en dat dat niet de bedoeling was laat zich raden. Circa 0900 uur vertrokken we dus echt en deze keer zouden we reeds bij Stoelmanseiland stoppen. Een klein stukje maar en behalve de twee "drempelsoela’s” waar we zelf hebben ervaren hoe snel zo'n soela stroomafwaarts genomen wordt zijn er geen bijzonderheden te vermelden. Die "drempelsoela’s” waren eigenlijk een verkleinde uitgave van de Koemaroe Tabbetje soela maar de klap waarmee je in het water kwam was toch groot genoeg om flink door elkaar gehutseld te worden. Ook deze keer moest er weer een hele partij water gehoosd worden. Bij het neerkomen duikt de korjaal met z’n neus een flink stuk de golven In en zo zorgde het voor een niet onwelkome afkoeling want we kregen onderhand het gevoel dat we dubbel en dwars gebakken werden. Onderweg nog bij twee dorpjes even gestopt omdat ook hier familieleden van Hr. Libretto woonden. Al zijn familie schijnt in het onderwijzersvak te zitten. In een van die dorpen hadden de kap. en de luit. nog een ontmoeting met de vrouw van Granman Garzon van Drietabbetje. De Granman heeft waarschijnlijk meer dan één vrouw maar dat moet ie zelf weten natuurlijk. Stoelmanseiland. Het meest interessantste van dit eiland zijn de drie vlak achter elkaar gelegen soela’s die echter geen problemen opleverde. Het was reeds duidelijk te merken dat de regentijd was begonnen want de waterstand werd hoger en dan zijn ook de soela’s die eerst moeilijk te nemen waren vanwege de rotsen geen probleem. Alleen de tweede soela was wat lastig en bezorgde ons een nat pak. Op Stoelmanseiland is eigenlik niets te beleven. Het enige is natuurlijk het hotel dat veel toeristen kan herbergen. Als militair is zo’n hotel natuurlijk een lachertje want op die manier kan je niet van Suriname genieten zoals dat zou moeten. Toegegeven natuurlijk dat je niet iedereen in een hangmat kan stoppen maar zo het binnenland bekijken heeft erg weinig nut. Het bivak in orde maken heeft deze keer nogal wat voeten in de aarde gehad. Het bivak in orde maken heeft deze keer nogal wat voeten in de aarde gehad. Het kolonel ???? bivak, zoals het afgeschermde stukje tuin heette bestond uit drie afdakjes. Waar wij moesten komen te liggen stonden aan iedere zijde maar drie palen en de dwarslatten zaten nogal hoog. Te vroeg concludeerden we dat dat helemaal niet ging en de kapitein die ons zo bezig hoorde zei dat we dan maar in het hotel moesten gaan slapen, wetende dat we geen geld meer hadden. Jamrner dat ik m'n chequeboekje niet bij me had want dan zouden we dat vast gedaan hebben. De prijs voor één overnachting was bijna Sf 10 maar dat zouden we er allemaal wel voor over gehad hebben alleen al om het gezicht van de kapitein te zien. Erg jammer dat dat dus niet het geval was en we moesten toch een compromis vinden. Uiteindelijk hebben we dan de ene kant van de hangmat aan de dwarsbalk vastgemaakt en de andere kant aan een van de palen. We kwamen zo wel een beetje scheef te hangen maar het ging, al was het niet al te best. Met genoegen zagen we dat de kap. zelf ook nogal wat problemen had met z'n hangmat en dat verzachte de stemming wel. Tegen de avond ben ik met de luit. naar een van de dokters geweest om wat tegen die opgezette klieren te doen. Ik kreeg wat penicilline tabletten en de volgende morgen was het inderdaad stukken beter. We hadden nog sinaasappelen over en die hebben we aan de beide doktoren gegeven. Ze waren daar blij mee omdat sinaasappelen niet dagelijks te verkrijgen waren. Alles moet door de lucht of over het water worden aangevoerd en sinaasappelen schenen niet veel te worden meegenomen. Erg vreemd dat ze op Stoelmanseiland zelf geen sinaasappelen groeien. Ze hebben er ruimte genoeg voor want bijna het hele eiland is van bos ontdaan. Het geheel geeft meer de indruk van een park en als je al acht dagen achter elkaar niets anders gezien hebt dan bomen, bomen en nog eens bomen dan is dit toch wel een verademing. Gelukkig geen dansi dansi van­avond want al die dansi’s zo vlak achter elkaar gaat toch wel vervelen. Niets te doen op het eiland dus lag iedereen al snel te bed met uitzondering van de wacht die zich zat rot te vervelen en met koffie drinken probeerde wakker te blijven. Deze keer geen last gehad van spoken of iets dergelijks en de regen zorgde ervoor dat het desondanks toch wel gezellig was. Lekker in je hangmat liggen en naar de regen luisteren is op z’n tijd ook een prettig iets en we hebben zo hangend nog wel even liggen praten over allerlei onbelangrijke dingen. Het voornaamste thema was het verschil tussen de Indianen en Boslandcreolen en ook kwam het vele gebruik van heilige plaatsen in Poeketi nog even ter sprake. Woensdag de negende dag moesten we weer om 0530 het bed uit en reeds om 0645 waren we al op weg naar Langatabbetje, onze laatste halte. Van deze dag is helemaal niets te vertel­len omdat we de grootste soela's reeds achter de rug hadden en de Marowijne waar we nu weer op waren ook steeds breder begon te worden. Het enige wat ons opviel was een lange laag hangende nevel aan de Franse kant. De koelaman vertelde ons dat achter de bomen die we konden zien echter ook nog de Marowijne was en dat de nevel kwam door verdamping. Dit was erg vreemd want op het stuk Marowijne waar we zelf op waren was van nevels helemaal niets te bespeuren. We namen dus aan dat dit weer een gril van moeder natuur was en hebben er daarom maar een foto van gemaakt. Toen zijn we onderuitgezakt en hebben dekking gezocht onder onze grondzeilen tegen de blakerende zon en omdat we in slaap gevallen zijn waren we snel in Langatabbetje. Natuurlijk hebben we eerst weer een korjaal vooruit gestuurd om te melden dat we eraan kwamen. Weer met veel getrompetter van de hob dat overigens erg goed klonk en met de opdracht om alle losse flodders op te maken, we hadden elk er nog 8 over, maakten we drie ererondjes voor de aanlegplaats. De schrikachtige gids hadden we reeds in Drietabbetje zien vertrekken en dit was tot grote opluchting van onze hoofdkoelaman. Omdat we geen woord Takkie Takkie kunnen verstaan hebben we niet in de gaten gehad dat deze twee het niet erg goed met elkaar konden vinden. En ik moet de hoofdkoelaman gelijk geven want steeds leek het, en in de meeste gevallen was het ook zo, dat we door de gids in de grootste moeilijkheden kwamen in soela's e.d. We hoorden toen de hoofdkoelaman wel takken maar hadden geen idee dat hij kwaad was op de gids. We hebben dit later van de andere koelaman gehoord en als ik zo even terug denk dan klopt dat. Bij enkele soela's die niet de moeite waard waren om vermeld te worden maar die toch wel lastig waren omdat het er zo ondiep was kwamen wij steeds vast te zitten terwijl de andere twee korjalen, die een heel andere route namen hiervan bijna of geen last van hadden. Het is natuurlijk altijd lastig om als eerste korjaal de weg te kiezen maar je neemt toch geen gids voor niets mee, dacht ik zo. We kwamen dus met veel lawaai en tam-tam, bij Langatabbetje aan en werden er door bijna de hele bevolking verwelkomt. We hadden nog geen voet aan wal gezet of de kapitein beloofde dat er een dansi dansi zou komen. Toen we vertelden dat we al zoveel dansi's  hadden meegemaakt beloofde hij ons dat dit een hele speciale zou worden. We hadden bier en rum voor deze gelegenheid overgehouden dus we geloofden hem. Het onderkomen was precies zoals Drietabbetje dus dat was gauw geregeld. De kok kon gebruik maken van een keukentje dat onder het huis aanwezig was, er was zelfs een kraan met stromend water en dat is een luxe, dat houd je niet voor mogelijk. Heel vreemd om te ervaren hoe prettig je het vindt om even aan de kraan te draaien en er water uit te zien komen. Een duidelijk bewijs dat we al dichter bij de beschaving kwamen. Wij gingen eerst even op zoek naar de watertoren en die bleek achter het huis te staan. Twee grote regenwatertanks. Stromend water bestaat dus alleen als het geregend heeft maar dat mocht de pret niet drukken. Die middag hebben we akelig lekker gegeten. We hadden nog voedselpakketten over voor drie dagen en we hebben daar de lekkerste dingen uitgezocht en opgemaakt. We hadden zoveel dat we niet al het rijst opgegeten hebben en daar er kinderen rondliepen die zo te zien in dagen niet gegeten hadden hebben we ze de rijst gegeven. Hier komen, zitten en eten en niet eerder weggaan dan dat je alles op hebt. Dit leverde voor enkele toch wel problemen op want toen we even niet keken hadden er drie de kans gezien om te ontsnappen en dat was niet de bedoeling. Je kon duidelijk zien dat ze moeite hadden met de grote hoeveelheid maar we waren onverbiddelijk. Intussen deden we onszelf te goed aan allerlei lekkere vruchten uit blik waarvan we nog wel enkele blikken over hadden. Ook dit konden we allemaal niet op zodat we 3 blikken met hele schijven ananas, 2 blikken peren op sap en 3 blikken vruchten gemengd maar even achteraf gezet hebben met het oog op de wacht. Vervelend was het aantal honden dat telkens binnen kwam sluipen maar toen de lucht van gebraden vlees was verwaaid hadden we ook daar geen last neer van. Met genoegen moet ik hierbij terugdenken hoe we onze sergeant het leven zuur hadden gemaakt door kippen het bivak in te lokken. Dit gebeurde in Granboridorp. De kippen lopen daar, net zoals in elk ander dorp, er vrij rond en daar ze nogal nieuwsgierig van aard zijn werden we dan ook spoedig overvallen door een hele menigte kippen, kippetjes, kuikentjes en één haan. De sergeant begon natuurlijk driftig achter deze beesten aan te zitten en uiteindelijk was het hem gelukt om de kippen zover te krijgen dat ze niet meer het bivak in kwamen. Toen we zaten te eten hebben we eerst stiekem rijst naar buiten gegooid en al spoedig werden daar door de kippen hele oorlogen gevoerd om er wat van te bemachtigen. Aangezien wij ook niet tot de beroerdste gerekend mogen worden en daar we graag zien dat een ieder op deze aardbol genoeg te eten krijgt hebben we besloten om de oorlog tussen de kippen te saboteren. Dit deden we door meer rijst op de grond te gooien en daar je van dat gooien gauw moe wordt werden de rijstkorrels, en even later werden dat rijstballen, in het bivak op de grond gegooid. Nu hadden we wel de kippenoorlog onderdrukt maar meteen waren we wel in oorlog met de sergeant maar dat is niet zo erg. Als hij ziet dat hij het tegen een overmacht moet opnemen is ie wel zo wijs om er mee op te houden maar tot ons aller verbazing duurde dat langer dan we dachten. We hadden de grootste lol erin om hem aan de ene kant de kippen eruit te zien jagen terwijl wij zelf aan de andere kant gauw wat rijst neergooiden wat natuurlijk tot gevolg had dat de kippen snel omliepen. We hebben wel één ding geleerd. De kip is sneller dan een sergeant en ook eigenwijzer en volhoudender. De wilde bewegingen van de sergeant werden dan ook steeds minder wild en het trappen lukte ook al niet meer zo dus uiteindelijk gaf hij dan toe door ons via de kippen te zijn verslagen. Nou, dat vonden we niet leuk en gingen we het spelletje naar weer andersom doen. We lokten de kippen steeds dichte

r bij totdat het hele bivak één groot kippenhok leek. Daarna sprongen we allemaal tegelijk op met als gevolg dat onder luid gekakel en gefladder de kippen de wijk namen. Reeds eerder had ik verteld dat de kippen eigenwijs waren dus dat spelletje duurde zo wel even door. Het meest hadden we het natuurlijk gemunt op de haan en die werd op het laatst gewoonweg loenig op ons. Ik denk wel dat de kippen enkele dagen lang geen eieren zullen leggen, zo hebben we ze laten schrikken elke keer. We hadden ook wat sambal tussen de rijst gedaan wat tot gevolg had dat al spoedig enkele kippen in brand stonden en die brand probeerden te blussen door met hun snavels door het zand te woelen. Gemeen?, nee hoor wel leuk. Het gebeurt ten slotte niet elke keer dat je met een kip kunt lachen en een keertje handelen als een kip zonder kop houdt het moreel hoog. Dat was dus nog even Granboridorp. Terug naar vandaag, Langatabbetje. Na het eten, de pannetjes hebben we natuurlijk door de kin deren laten schoonmaken, hebben we nog een tijdje gezellig zitten praten totdat het tijd werd om naar de school te gaan waar het dansi zou plaatsvinden. Daar aangekomen zagen we dat het al aardig druk was maar wat ons opviel is dat er erg weinig jonge meisjes waren. De meeste aanwezigen waren oudere dames en verder nog een heel stel kinderen. Er waren wel veel jongens van om de 17 jaar maar die konden wat ons betreft de lucht in. Een ander iets wat ook aanwezig was; geluidsapparatuur; met platen. Allemaal soul. Vreselijk, gewoonweg om te janken. Muziek die je in het kampement en in de stad de hele dag via de radio hoort, hoe hebben ze het kunnen denken. Wel stonden er enkele apinties mar al spoedig bleek dat er in de hele zaal niemand aanwezig was die behoorlijk kon rammen op die dingen. De ene soul plaat na de andere werd opgezet naar niemand maakte aanstalten om te gaan dansen. Door enkele oudere dames was ons verteld dat het onbeleefd zou zijn om als gast te beginnen zodat we dus maar netjes bleven zitten. Iedereen bleef zitten behalve de waarnemend kapitein. Hij zat te wippen van ongeduld en wierp woedende blikken naar het publiek alias deelnemers aan de dansi dansi maar iedereen deed alsof z'n neus bloedde en bleef rustig zitten. Nadat dit overigens vermakelijke schouwspel zo een half uur had ge­duurd kon de dorpskapitein zich niet neer beheersen en hield een toespraak. Hij vertelde o.a. dat wij al in verschillende dorpen dansi's hadden meegemaakt en dat het de eer van hun dorp te na kwam. Wij, zo sprak hij, moeten bewijzen dat Langatabbetje betere dansi’s kan organiseren dan de andere dorpen en ik reken dan ook op jullie. Het resultaat was geweldig. Iedereen was het roerend mee eens naar vond het beter om de ander eerst op de dansvloer te laten. Erg beleefd naar weinig resultaat. Toen het dus duidelijk was dat het publiek de boodschap niet had begrepen wierp onze hoofdkoelaman zich in de strijd en hij besloot om een beetje druk te gebruiken. Hij zei: we hebben hier drank beschikbaar gesteld en verwachten van jullie dat dit een echt feest wordt. Als er binnen een half uur niet iets gebeurd dan gaat alle drank terug en dan drinken we het zelf op. Dit sloeg in als een bom en eindelijk kwam er beweging in de massa. Eerst kwamen er drie die achter de apinties gingen zitten zodat de man achter de draaitafel met een boos gezicht de pick-up dicht deed en heel verveeld achterover ging leunen. De dorpskapitein wierp hem een boze blik toe en dat had tot gevolg dat de draaitafelman met een nog bozer gezicht recht ging zitten maar zich van verdere mimiek ontzag. De apinties begonnen te dreunen en er kwamen zelfs enkele jonge meisjes binnen. Dit was wat we van een echte dansi verwacht hadden en na overleg met de luit., we zeiden hem dat de dames ons verteld hadden dat het onbeleefd zou wezen om zelf te beginnen, kregen we een halve dienstopdracht om er maar een begin mee te maken. Daarna hebben we nog even afgewacht of het wat zou worden, maar blijkbaar had men ons toch nodig en we begaven ons en masse naar de dansvloer. We zochten enkele onwilligen uit en daar ging het. Elke keer als we 'langs een paar meisjes kwamen, ongeacht de leeftijd pakten we ze bij arm en zo bereikten we, tot grote opluchting van de dorpskapitein die ons wel omhelzen kon, eindelijk dat de mensen zich wat op de maat van de apinties gingen bewegen. Helaas waren de tam-tammers niet zo be­dreven in het vak zodat het op de maat blijven nogal tegenviel. Weer redde de hoofd­koelaman de zaak een beetje door zelf achter een van de apinties te gaan zitten en hij ontpopte zich werkelijk als een niet onverdienstelijk drummer. We hoorden wel dat het allemaal niet zo erg soepel ging en nu pas leerden we te waarderen wat voor een goede apintieman Granboridorp wel had. Die kon wel een half uur doorgaan met hetzelfde ritme en dat is net wat je bij een dansi dansi nodig hebt. Dit dorp was echter in tegenstelling met Granboridorp en Poeketi christelijk en daar schijnt de apintie geen belangrijke plaats meer in te nemen. Na reeds drie kwartier was het dan ook uit met het apintie-gedeelte en ging men, overigens tot grote vreugde van de diskjockey, die hier duidelijk een overwinning van het goede op het kwade in zag, over op de soul en wij hielden het dan ook wel voor gezien. Uit beleefdheid en ook dankzij de aanwezigheid van wat bier zijn we nog even gebleven maar om tien uur was iedereen weer terug in bivak. De blikken met gemengde vruchtjes, ananasschijven en peren op sap waren echter al opgemaakt door de bivakwacht en nog twee medegenieters wat natuurlijk enkele kernachtige bewoordingen omtrent het gedrag van dit drietal tot gevolg had maar ook deze would-be revolutionairen waren spoedig stil zodat om 2250 uur volmaakte rust over het bivak heerste. De wacht had zich intussen behalve met opeten van de voorraad vruchten ook wel vermaakt en dat ging zo. Een van die jonge jongens zat ons door het hek heen te bespioneren en dat moest niet. Is fout, kan gewoon niet. We riepen dus dat ie moest aftaaien maar dat was niet duidelijk genoeg. Zeg, als je niet maakt dat je wegkomt, maak ik een motorpak van je en schiet ik je vol met gaten. Een onbegrijpelijk gemompel was hierop het antwoord. Ik greep een van de geweren en haalde de grendel over. Nou, toen werd het wereldrecord op de 100 meter met wel 6 seconden verbeterd hoor. Luid schreeuwend in het Hollands,niet schieten, niet, niet schieten met wilde armbewegingen verdween hij in de duisternis een schaterlachende wacht achter zich latend. Bedtijd, geen grappen meer, uitslapen tot 0630 uur.

 

Donderdag, de tiende en laatste dag was aangebroken en vol ijver presteerden we het om ruimschoots op tijd klaar te staan en voor de tweede keer in tien dagen gingen we precies op het gewenste tijdstip weg. Nog zeven uur en we waren weer thuis. Ondanks het bij­zonder plezierige verloop van de patrouille verlangden we toch weer naar huis en geluk­kig was de regen, die gisteravond nog gestadig viel, opgehouden alhoewel de bewolking nog bleef hangen. De grondzeiltjes werden dan ook gereed gehouden evenals de houwers. We kwamen namelijk weer langs de plaats waar de korjaal 3 eventjes voor duikboot wilde spelen en we moesten rekening houden met de pirengs die zich vast erg kwaad hadden gemaakt over dat lekkere voedsel in blik waar ze niet bij konden komen. Tot de tanden bewapend hebben we het klaargespeeld om tot aan de Arninavallen wakker te blijven maar helaas viel er niets te vechten. Eigenlijk was gepland dat we pas morgen terug zouden gaan en door nu reeds te gaan hebben we ze natuurlijk mooi om de tuin geleid. De Arminavallen waren dus de laatste soela's en we gingen daarna helemaal languit liggen en met gesloten ogen waren we ons vast aan het voorbereiden op het feest van a.s. zaterdag waarbij sateh ge­geten zou worden en waar we tevens getuigen konden zijn van een vuurdans. Lang hebben we echter zo niet kunnen liggen want het begon te regenen en om onszelf een beetje droog te houden moesten we ons wel met opgetrokken knieën zo klein mogelijk maken om onder het kleine grondzeil droog te blijven. Deze keer vonden we het helemaal niet vervelend dat het regende, het was zelfs wel prettig. Per slot van rekening hadden we nu gedurende de hele patrouille het mooiste weer van de wereld gehad en een halve dag een beetje in de regen doorbrengen, weliswaar goed beschermd achter een grondzeil en met de vaarpatrouillepet diep in de ogen getrokken, is voor de afwisseling ook wel leuk. Het waren tropische buien en na een uur was het over en kwam de zon weer tevoorschijn. We hadden nog drie blokken trotyl van elk 250 gram over en we probeerden hiermee wat vis te schieten. Dat is echter een geweldige mislukking geworden. Het resultaat was vrijwel nihil. Het enige wat boven kwam drijven waren ondermaatse visjes. Met enig leedwezen kijk je dat zo allemaal eens aan en onwillekeurig komt natuurlijk de geweldige visvangst in Apetina weer in je gedachten. Zoals de luit. in zijn verslag terecht opmerkte is het verschil tussen vis. en wildstand in de Marovijne bedroevend groot. Pas bij Granboridorp hadden we met deze manier van vissen succes. Bij Apetina hadden we zelfs een halve boot vol met de meest uiteenlopende soorten vis, waaronder kanjers van pirengs. Met de wildstand was dit hetzelfde. In Apetina hadden we binnen het uur 2 Pakirats, 2 kamis (boskippen) en 1 koejaki (toekan) te pakken, terwijl we dit volgens zeggen niet ergens anders zouden moeten proberen. Geen resultaat dus en een beetje boos over het resultaat zijn we snel doorgegaan. Tegen 1200 uur kwamen we reeds op het gedeelte van de Marowijne waar de invloed van eb en vloed duidelijk te merken was. Ondertussen was er ook een vrij sterke wind komen opzetten en al gauw moesten we weer dekking zoeken achter het grondzeil omdat grote golven water over de boot heensloegen. Je kon al duidelijk proeven dat het water wat brakkig was en we begonnen het steeds leuker te vinden en zaten luid te zingen. Het leek wel een wals zo regelmatig ging het. Hup twee drie, een twee kedeng, weer een grote klap en het water stoof meters hoog op. De klappen werden steeds harder en het was duidelijk dat we niet helemaal tot het kampement zouden varen omdat hier de golven toch wel erg wild werden. We gingen daarom niet verder dan tot de douane-aanlegplaats en het uitstappen werd nog wel even gevaarlijk. De korjalen lagen te stampen als volwassen oorlogsbodems en we vonden het jammer dat we niet doorvoeren. Het risico van omslaan of zinken was echter te groot. Er waren er wel enkelen die het prettig vonden om eruit te kunnen. Dit waren de vier onderwijzeressen die we vanuit Langatabbetje hebben meegenomen. Het was hun Pinksterverlof maar de regeling om onderwijzend personeel naar huis te laten tijdens de feestdagen is erg slecht geregeld. De kap. heeft hier nog over gesproken met de Districts Commissaris en deze beloofde elke maand een korjaal te sturen om deze mensen de gelegenheid te geven ook nog enkele dagen van hun verlof bij familie te kunnen doorbrengen. De dames waren zichtbaar opgelucht en waren blij weer voet aan wal te kunnen zetten. We moesten dus lopend naar het kampement en aangezien het douanekantoor niet ver van het kamp af lag was dit zo gepiept. De korjalen gingen echter door omdat ze natuurlijk uitgeladen moesten worden. Eentje ging vooruit om het te proberen maar moest onverrichter zake terugkeren. Het bleek onmogelijk om voor het kampement aan te leggen omdat er groot gevaar bestond dat de korjalen tegen de wallenkant zouden worden geworpen en dat was nu ook weer niet de bedoeling. Later is er dus een drietonner naar de aanlegplaats gegaan en hebben we ter plaatse de korjalen uitgeladen. Wel de rest heeft niet veel meer met de patrouille te maken zodat we kunnen besluiten met de opmerking dat het een ervaring is geweest die wie niet gauw zullen vergeten. 's-Avonds hebben we de motoristen en de koelamannen elk nog een fles rum aangeboden als dank voor hun voortreffelijke prestatie en prettige samenwerking en dit was de eerste keer dat ze zoiets meemaakten dus zij waren ook uitermate tevreden over ons. Een prettige afsluiting dus van onvergetelijke dagen.

 

Dit alles naar waarheid opgetekend en iedere gelijkenis of overeenkomst van personen is louter toeval en kan daarom ook niet tegen de schrijver dezes als bewijsstuk worden gebruikt.
Overname of kopieën alleen met uitdrukkelijke toestemming van de schrijver.

 

de dpl sld 1 R.J. de Leur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoektocht

 

Zoektocht

Beste lezers van de TRISKOERIER,

Mijn naam; W.Kloeg. 1e Pel. 1e Sur. Cie. '57 reg.no.360903204,

zoekt de volgende personen:

 

----ACHTERNAAM----- LAATST BEKENDE WOONPLAATS   ----ACHTERNAAM----- LAATST BEKENDE WOONPLAATS
Lebon 

Maastricht

  Heesakkers  Brabant
Boutenstein Rotterdam   Klaassen Harderwijk
v d Hulk  Eindhoven   Hooydonk Vlaardingen
v Dulken     Kwakman Amsterdam
v Houten  Den Haag   J. Scholte Amsterdam
R. Augustein Utrecht   Sgt. Timmer  
Lt. Haak      Schoenmaker  Enschede of Hengelo
Sgt. Lolang        
V d Heyden Roosendaal   De Rooy Brabant
Sgt. Reinaert     R. Koopman  
Venneker   Alkmaar      

 

Misschien dat deze personen de TRISKOERIER ook lezen, laat eens wat van je horen.

Groeten;

Wim Kloeg

wkloeg@zeelandnet.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Familie berichten

 

Familie berichten

 

 

Op 5 October 2008

Is op 77 jarige leeftijd te EPEN overleden.

 

Jean van Wersch

 

van de 1e Suriname compagnie 1954.

 

Bron:  Herman van Hazendonk
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

oproep redactie

 

 
OPROEP VAN DE REDACTIE  

 

Hoe is het toch met iedereen gegaan na de dienst(plicht) in Suriname.

Is deze periode van je leven van invloed geweest op de jaren erna?

Het zou leuk zijn om dit soort verhalen van elkaar te kunnen lezen in een van de volgende koeriers.

 Stuur je verhalen naar koerier@tris.nl

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Bertien

 

 

 

 

 

 

 

volgende koerier

 

 
De Volgende Tris-Koerier   

Ex-Trissers maken hun eigen krant, de huidige redactie wacht op nieuwe verslagen of wat u kwijt wil. De komende Tris-Koerier wordt medio 2009 verwacht.  Wij hopen dan ook weer een leuk nummer te maken met foto's en vele reacties. Dus mannen laat vooral wat van je horen .

Het ligt in de planning om de Tris-Koerier 3 maal per jaar uit te laten komen. Mochten er belangrijke zaken zijn die we u niet willen onthouden, dan informeren we u middels een nieuwsbrief.

Wij hebben uiteraard alles zo zorgvuldig mogelijk uitgewerkt en de onderwerpen wat moeten aanpassen.

Omdat het een blad is van en voor ex-trissers kunt u er dus van alles in kwijt en schroom dus niet, stuur alles op wat  je kwijt wilt.

Heeft u nog vragen of opmerkingen dan horen we dat graag.

de Redactie:

 

EINDE

 

 

 

ugg ale canada goose suomi moncler sale canada goose takki barbour takki moncler takki timberland suomi canada goose sale parajumpers takit canada goose trillium barbour tikkitakki canada goose ale barbour jacket parajumpers long bear moncler untuvatakki parajumpers takki
levitra kaufen kamagra bestellen levitra generika cialis kaufen cialis generika viagra kaufen